Voorzetsels van plaats in het Frans
Prépositions de Lieu
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Met een Frans voorzetsel van plaats geef je aan waar iemand of iets is, waarheen iemand gaat of waarvandaan iemand komt. De basiskeuzes zijn onder meer à bij een plaats of stad, dans voor ‘in, binnenin’, sur voor ‘op’, sous voor ‘onder’ en chez bij een persoon of beroepsgroep: Je suis à Paris, Le livre est dans le sac, Il est chez Marie.
Overzicht
Een voorzetsel is een kort woord dat een verband legt tussen andere woorden. Bij plaats gaat het bijvoorbeeld om ‘in’, ‘op’, ‘onder’ of ‘achter’. In het Frans zijn à, de, dans, sur, sous, devant, derrière, entre en chez onmisbaar om een adres te begrijpen, een route te volgen of te vertellen waar iets ligt. Dit onderwerp hoort bij A1: met enkele vaste patronen kun je al veel dagelijkse situaties beschrijven.
De Franse keuze loopt niet altijd gelijk met het Nederlands. Het Nederlandse in kan bijvoorbeeld à zijn bij een stad (à Paris) maar dans bij een afgesloten ruimte (dans la cuisine). Nederlands ‘bij’ kan chez, à of een langere uitdrukking zijn. Het is daarom handiger om elke Franse vorm met zijn typische gebruik te leren dan om één vaste Nederlandse vertaling te zoeken.
Een belangrijk onderscheid is dat dezelfde plaatsrelatie zowel een positie als een beweging kan beschrijven. Sur la table betekent ‘op de tafel’ in Le livre est sur la table, maar ook ‘op de tafel’ als bestemming in Pose le livre sur la table. Meestal maakt het werkwoord duidelijk of het om rust, richting of herkomst gaat.
Hoe het werkt
De belangrijkste keuzes
| Voorzetsel | Kernbetekenis | Typisch gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| à | in, bij, naar | punt, bestemming, stad | Nous sommes à Lyon. |
| de | van, uit | herkomst of vertrekpunt | Elle revient de Lyon. |
| dans | in, binnen in | begrensde ruimte of inhoud | Les clés sont dans le tiroir. |
| sur | op | contact met een oppervlak | Le verre est sur la table. |
| sous | onder | lager dan iets | Le sac est sous la chaise. |
| devant | voor | aan de voorkant van iets | J'attends devant la gare. |
| derrière | achter | aan de achterkant van iets | Le jardin est derrière la maison. |
| entre | tussen | meestal tussen twee elementen | La pharmacie est entre la banque et le café. |
| chez | bij, ten huize van | persoon, huishouden of beroepsgroep | Nous dînons chez Paul. |
Het zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of plaats) na het voorzetsel heeft vaak een lidwoord: dans le sac, sur la table. Bij een eigennaam van een stad staat juist gewoonlijk geen lidwoord: à Paris, de Bruxelles.
À: een plaats als punt of bestemming
Gebruik à vaak bij steden en bij plaatsen die als activiteit of bestemming worden gezien:
- J'habite à Amsterdam. — Ik woon in Amsterdam.
- Elle va à la gare. — Ze gaat naar het station.
- Nous sommes au restaurant. — We zijn in het restaurant.
À versmelt met de mannelijke lidwoorden le en les. Zo'n samensmelting heet een contractie (twee woorden worden één vorm).
| Combinatie | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| à + le | au | au musée |
| à + la | à la | à la banque |
| à + l' | à l' | à l'école |
| à + les | aux | aux toilettes |
Bij à ligt de nadruk niet noodzakelijk op ‘binnen’. Je suis au café zegt waar je bent; Je suis dans le café benadrukt dat je binnen in het café bent, niet ervoor.
De: herkomst en vertrekpunt
Gebruik de als iemand of iets van een plek komt:
- Je viens de Paris. — Ik kom uit Parijs.
- Il sort de la maison. — Hij komt het huis uit.
- Nous revenons du marché. — We komen terug van de markt.
Ook de krijgt contracties:
| Combinatie | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| de + le | du | du bureau |
| de + la | de la | de la gare |
| de + l' | de l' | de l'hôtel |
| de + les | des | des magasins |
Let op: du en des kunnen in andere zinnen ook een andere grammaticale functie hebben. In Je reviens du parc herken je aan het werkwoord revenir dat du parc het vertrekpunt is.
Dans: echt binnen een ruimte
Dans betekent meestal ‘in’ of ‘binnen in’. Het gaat om een ruimte met grenzen, een houder of een verzameling waarin iets zich bevindt:
- Le livre est dans le sac. — Het boek zit in de tas.
- Il y a quelqu'un dans la chambre. — Er is iemand in de kamer.
- Nous montons dans le bus. — We stappen de bus in.
Na dans staat normaal een bepaler, bijvoorbeeld een lidwoord of bezittelijk woord: dans la boîte, dans mon quartier. Alleen dans Paris klinkt niet als de gewone neutrale manier om ‘in Parijs’ te zeggen; daarvoor gebruik je à Paris. Dans Paris kan wel nadrukkelijk ‘binnen Parijs, door Parijs heen’ betekenen, maar dat is geen beginnersregel.
Sur en sous: boven met of zonder contact
Sur duidt meestal op contact met een oppervlak: sur la table, sur le mur. Sous betekent dat iets lager ligt: sous le lit. Bij sous hoeft er geen contact te zijn.
Het Nederlandse ‘aan’ vraagt extra aandacht. Een poster hangt sur le mur (‘aan de muur’), want het Frans ziet de muur als oppervlak. Maar een lamp kan au plafond hangen (‘aan het plafond’), een vaste combinatie met à. Leer zulke alledaagse combinaties als geheel.
Devant en derrière: voor en achter
Devant en derrière staan direct voor het naamwoord met zijn lidwoord:
- devant la porte — voor de deur
- derrière l'église — achter de kerk
Hier veroorzaakt het Nederlands een veelgemaakte fout. Nederlands zegt voor de deur en achter het huis, zonder ‘van’. Het Frans doet hetzelfde: devant la porte, niet devant de la porte. Langere plaatsuitdrukkingen zoals à côté de (‘naast’) en en face de (‘tegenover’) bevatten wél de.
Devant is ruimtelijk. Voor tijd gebruik je avant: avant le dîner betekent ‘voor het avondeten’, terwijl devant le restaurant ‘voor het restaurant’ betekent.
Entre: tussen
Entre geeft een positie of beweging tussen elementen aan. Bij twee elementen verbind je die meestal met et:
- entre la gare et l'hôtel — tussen het station en het hotel
- Le ballon passe entre les chaises. — De bal gaat tussen de stoelen door.
Na entre komt geen extra de. Vergelijk Nederlands ‘tussen de huizen’: Frans entre les maisons.
Chez: bij een persoon of beroepsgroep
Chez is bijzonder, omdat het een plaats aanduidt via de persoon die er woont, werkt of ontvangt:
- chez Marie — bij Marie / bij Marie thuis
- chez mes parents — bij mijn ouders
- chez le médecin — bij de dokter
- chez moi — bij mij thuis
Na chez kan een naam, een zelfstandig naamwoord of een beklemtoond voornaamwoord staan. Dat laatste is een vorm die zelfstandig na een voorzetsel kan staan: moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles. Zeg dus chez moi, niet chez je.
Nederlanders gebruiken soms automatisch avec omdat ‘bij iemand zijn’ gezelschap kan uitdrukken. Maar Je suis chez Léa vertelt dat je bij Léa thuis of op haar plek bent; Je suis avec Léa vertelt alleen dat Léa bij je is. De locatie is dan onbekend.
Voorbeelden in context
| Frans | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Je suis à Paris. | Ik ben in Parijs. | à bij een stad |
| Demain, nous allons au musée. | Morgen gaan we naar het museum. | bestemming; à + le = au |
| Elle revient de Bruxelles ce soir. | Ze komt vanavond terug uit Brussel. | de voor herkomst |
| Paul sort du bureau à six heures. | Paul komt om zes uur het kantoor uit. | de + le = du |
| Le livre est dans le sac. | Het boek zit in de tas. | binnen een begrensde ruimte |
| Les enfants jouent dans le jardin. | De kinderen spelen in de tuin. | activiteit binnen het terrein |
| Le chat est sur la table. | De kat zit op de tafel. | contact met een oppervlak |
| Tes chaussures sont sous le lit. | Je schoenen staan onder het bed. | lager dan het bed |
| Je t'attends devant la gare. | Ik wacht voor het station op je. | ruimtelijk ‘voor’ |
| Il y a un parking derrière l'hôtel. | Er is een parkeerplaats achter het hotel. | derrière voor achterzijde |
| La boulangerie est entre la poste et la banque. | De bakkerij ligt tussen het postkantoor en de bank. | twee herkenningspunten |
| Il est chez Marie. | Hij is bij Marie thuis. | plaats gekoppeld aan een persoon |
| Nous allons chez le médecin. | We gaan naar de dokter. | chez kan ook richting aangeven |
| Après le travail, je rentre chez moi. | Na het werk ga ik naar huis. | vaste vorm chez moi |
| Pose les clés sur la commode. | Leg de sleutels op de ladekast. | sur als bestemming na een bewegingswerkwoord |
Veelgemaakte fouten
À en dans als één-op-éénvertaling van ‘in’ behandelen
- Fout: J'habite dans Paris. (neutraal bedoeld: ‘Ik woon in Parijs.’)
- Goed: J'habite à Paris.
- Waarom: Bij een stad gebruik je voor de gewone locatie à. Dans benadrukt een begrensde binnenruimte of, in bijzonder gebruik, het gebied binnen de stad.
Het lidwoord na dans vergeten
- Fout: Le téléphone est dans sac.
- Goed: Le téléphone est dans le sac.
- Waarom: Een telbaar zelfstandig naamwoord heeft hier normaal een bepaler nodig. Nederlands doet dat ook: ‘in de tas’.
Geen contractie maken
- Fout: Nous allons à le parc.
- Goed: Nous allons au parc.
- Waarom: à + le wordt verplicht au. Op dezelfde manier wordt de + le altijd du: Je reviens du parc.
De toevoegen na devant of derrière
- Fout: La voiture est devant de la maison.
- Goed: La voiture est devant la maison.
- Waarom: devant en derrière nemen rechtstreeks een naamwoordgroep. Verwar ze niet met uitdrukkingen die op de eindigen, zoals à côté de.
Chez en avec verwarren
- Fout: Je suis avec le dentiste. (bedoeld: ‘Ik ben bij de tandarts.’)
- Goed: Je suis chez le dentiste.
- Waarom: chez duidt de praktijk of plek van de tandarts aan. Avec betekent dat je samen met de tandarts bent.
Een onderwerpsvorm na chez gebruiken
- Fout: On mange chez je ce soir.
- Goed: On mange chez moi ce soir.
- Waarom: Na een voorzetsel gebruik je de beklemtoonde vorm moi, niet het onderwerp je.
Gebruiksnotities
Plaats, richting en herkomst komen vaak uit het werkwoord
Frans heeft niet altijd aparte voorzetsels voor ‘op’ en ‘naar ... toe’. Vergelijk:
- Le chien est dans la voiture. — De hond zit in de auto.
- Le chien monte dans la voiture. — De hond stapt de auto in.
- Le chien sort de la voiture. — De hond komt uit de auto.
Dans blijft in de eerste twee zinnen hetzelfde; être en monter maken het verschil duidelijk. Voor de beweging naar buiten verschijnt de na sortir.
À of dans bij gebouwen
Beide kunnen correct zijn, maar het perspectief verschilt:
- Je suis à la bibliothèque. — Ik ben in/bij de bibliotheek, bijvoorbeeld om er te studeren.
- Je suis dans la bibliothèque. — Ik ben binnen in het bibliotheekgebouw.
- J'attends devant la bibliothèque. — Ik wacht ervoor.
In dagelijkse gesprekken volstaat à vaak wanneer de functie of algemene locatie telt. Kies dans als ‘binnenin’ belangrijk is.
Chez is niet beperkt tot een woning
Chez le médecin, chez le coiffeur en chez le boulanger verwijzen naar de werkplek van die persoon. In hedendaags Frans hoor je chez ook bij bedrijven en merken, vooral als men de organisatie als gemeenschap of huis voorstelt: chez Renault, chez nous. Voor een gewoon winkelgebouw blijft een vorm met à vaak natuurlijk: au supermarché.
Verder dan de basis
De volgende nuances hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later tegenkomen.
Samengestelde plaatsuitdrukkingen met de
Veel preciezere plaatsaanduidingen bestaan uit meerdere woorden en eindigen op de. Dat de krijgt dezelfde contracties als elders.
| Uitdrukking | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| à côté de | naast | à côté du cinéma |
| en face de | tegenover | en face de la gare |
| près de | dicht bij | près de l'aéroport |
| loin de | ver van | loin des magasins |
| au-dessus de | boven | au-dessus de la porte |
| au-dessous de | onder, lager dan | au-dessous du balcon |
| au milieu de | midden in | au milieu de la place |
Let vooral op à côté du cinéma, niet à côté de le cinéma. Anders dan sur kan au-dessus de ‘boven’ betekenen zonder contact: La lampe est au-dessus de la table.
En en à voor landen en gebieden
Bij landen is ‘in/naar’ niet simpelweg altijd à. Je ziet onder meer en France, au Canada en aux Pays-Bas. ‘Uit’ wordt bijvoorbeeld de France, du Canada en des Pays-Bas. Dit vormt een apart systeem waarin geslacht en getal van de landsnaam meetellen. Leer dat als volgende stap, zodat de eenvoudige stadsregel à Paris / de Paris helder blijft.
De bij chez en preciezere vertrekpunten
Chez kan met andere woorden worden gecombineerd:
- Je viens de chez Paul. — Ik kom bij Paul vandaan.
- Elle passe par chez nous. — Ze komt bij ons langs.
- On reste chez eux. — We blijven bij hen thuis.
In de chez Paul geeft de de herkomst aan en behoudt chez Paul zijn betekenis als plek van Paul. Die opeenvolging van twee voorzetsels is dus logisch, ook al klinkt ze voor Nederlandstaligen eerst ongewoon.
Letterlijk en figuurlijk gebruik
Plaatsvoorzetsels verschijnen ook in vaste of figuurlijke uitdrukkingen. Sur Internet betekent ‘op internet’, à la télévision ‘op televisie’ en dans un livre ‘in een boek’. Zulke keuzes zijn niet altijd uit het Nederlands af te leiden. Noteer daarom niet alleen sur = op, maar de hele combinatie waarin je het woord tegenkomt.
Oefentips
- Teken één kamer en beschrijf die. Schrijf vijf zinnen met dans, sur, sous, devant en derrière: La chaise est devant le bureau. Verplaats daarna één voorwerp en pas alleen het noodzakelijke voorzetsel aan.
- Oefen routes in drie stappen. Maak bij elke plek een reeks met locatie, bestemming en herkomst: Je suis au marché. Je vais au marché. Je reviens du marché. Zo leer je à/au en de/du samen met passende werkwoorden.
- Leer combinaties, geen losse vertalingen. Zet op kaartjes bijvoorbeeld chez le médecin, dans le bus, sur la table en à Paris. Voeg een Nederlands voorbeeld toe, maar onthoud dat ‘in’ of ‘bij’ meerdere Franse vormen kan hebben.
Verwante onderwerpen
- Volgende stap: Voorzetsels bij landen — leer wanneer je en France, au Canada, aux Pays-Bas en de bijbehorende vormen voor herkomst gebruikt.
- Later: Het voornaamwoord y — vervangt vaak een eerder genoemde plaats met à of een andere plaatsbepaling, bijvoorbeeld J'y vais (‘Ik ga erheen’).
Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Prépositions de Lieu in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen