Engels grammatica
Verken 84 grammaticaconcepten — van beginner tot gevorderd.
Geen resultaten gevonden
A1 (30)
De Engelse onderwerpsvoornaamwoorden zijn I, you, he, she, it, we en they. Ze geven aan wie of wat iets doet of is: She works, It is cold, They are here. Een Engelse zin heeft meestal een zichtbaar onderwerp nodig; let bovendien op de hoofdletter in I en op you, dat zowel jij, u als jullie kan betekenen.
Het Engelse werkwoord to be betekent meestal zijn. In de tegenwoordige tijd kies je am bij I, is bij he, she en it, en are bij you, we en they. In gewone gesprekken hoor je vaak de korte vormen I'm, you're, he's, she's, it's, we're en they're.
Gebruik a of an voor één niet nader bepaald telbaar ding: a bike, an orange. Gebruik the als duidelijk is over welke persoon of zaak je het hebt: the bike outside. Bij algemene meervouden en ontelbare begrippen staat meestal geen lidwoord: Bikes are useful en Water is essential.
De meeste Engelse zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud -s: book → books. Na bepaalde klanken schrijf je -es (box → boxes), en sommige woorden veranderen sterker, zoals city → cities, knife → knives en child → children. Leer eerst de hoofdregel en onthoud veelvoorkomende uitzonderingen als losse woordparen.
Gebruik have na I, you, we en they, maar has na he, she en it: I have time en She has time. Voor bezit zijn zowel Do you have ...? als het vooral Britse Have you got ...? mogelijk. Bij have to betekent have niet ‘hebben’, maar ‘moeten’.
De present simple gebruik je voor gewoonten, vaste situaties, algemene feiten en roosters: I cycle to work en The shop opens at nine. Bij he, she en it krijgt het werkwoord meestal -s: she cycles. Bij alle andere onderwerpen gebruik je de basisvorm zonder uitgang.
Bij gewone werkwoorden maak je de ontkennende present simple met don't of doesn't plus de basisvorm: I don't work en She doesn't work. Gebruik doesn't bij he, she, it en één persoon of zaak; gebruik don't bij I, you, we, they en meervoudige onderwerpen. Na doesn't komt geen extra -s: dus He doesn't speak, niet He doesn't speaks.
Bij de meeste Engelse werkwoorden maak je een vraag in de present simple met do of does vóór het onderwerp: Do you work here? en Does she know him? Gebruik do bij I, you, we, they en does bij he, she, it. Na do of does staat het hoofdwerkwoord altijd in de basisvorm: Does he live here?, niet Does he lives here?
Kies in het Engels op basis van afstand en aantal: this is enkelvoud dichtbij, that enkelvoud verder weg, these meervoud dichtbij en those meervoud verder weg. Ze kunnen vóór een zelfstandig naamwoord staan (this book) of het zelfstandig naamwoord vervangen (This is mine).
De Engelse bezittelijke bijvoeglijke woorden zijn my, your, his, her, its, our en their. Ze staan vóór een zelfstandig naamwoord: my coat, her name, our house. De vorm hangt af van wie of wat de bezitter is, niet van het ding dat erna komt; its heeft nooit een apostrof.
De Engelse objectvoornaamwoorden zijn me, you, him, her, it, us en them. Ze vervangen een persoon, dier of zaak die de handeling ondergaat, en staan ook na een voorzetsel: She called him, Come with us en This is for them. Vergelijk de onderwerpvormen I, he, she, we, they met de objectvormen me, him, her, us, them.
Gebruik there is bij één ding of een niet-telbare hoeveelheid en there are bij meerdere dingen: There is a problem en There are two problems. In vragen worden dat Is there ...? en Are there ...? Het Engelse there betekent in deze constructie meestal niet daar, maar lijkt op het Nederlandse er.
Gebruik in als iets zich binnen een ruimte of grens bevindt, on als iets contact maakt met een oppervlak en at als je een plek als punt bedoelt. Met under, behind, in front of, next to en between beschrijf je de positie van iets ten opzichte van iets anders. Vertaal Nederlandse voorzetsels niet woord voor woord: op school is bijvoorbeeld at school, maar op tafel is on the table.
Gebruik at voor een precies tijdstip (at 8 o'clock), on voor een dag of datum (on Monday, on 12 May) en in voor een maand, jaar of langere periode (in January, in 2026). Voor this, next, last en every staat normaal geen tijdvoorzetsel: next week, niet in next week.
Can betekent meestal kunnen bij een vaardigheid en vaak mogen bij toestemming: I can swim en You can sit here. De vorm blijft bij elk onderwerp hetzelfde, waarna direct een werkwoord zonder to volgt. Voor een ontkenning gebruik je can't of cannot; in een vraag komt can voor het onderwerp: Can you help me?
Met what, where, when, who, why en how vraag je naar een zaak, plaats, tijd, persoon, reden of manier. De basisvolgorde is vraagwoord + hulpwerkwoord + onderwerp + hoofdwerkwoord: Where do you live? Bij be zet je een vorm van be direct vóór het onderwerp: Why are you late?
Gebruik which voor een keuze uit een bekende of beperkte groep, how much voor een niet-telbare hoeveelheid of een prijs, en how many voor een telbaar aantal. Vergelijk Which train? (welke trein?), How much water? (hoeveel water?) en How many bottles? (hoeveel flessen?).
Engelse hoofdtelwoorden geven een aantal aan: one book, twenty-one people, one hundred euros. Van 21 tot en met 99 zet je eerst het tiental en dan de eenheid, met een koppelteken: twenty-one, fifty-five. Dat is anders dan in het Nederlands: niet letterlijk “een-en-twintig”, maar “twintig-een”.
Engelse rangtelwoorden geven een plaats in een volgorde aan: first (eerste), second (tweede), third (derde) en daarna meestal een vorm op -th, zoals fourth. Bij cijfers schrijf je 1st, 2nd, 3rd, 4th; bij 11, 12 en 13 is het altijd 11th, 12th, 13th. In een gesproken Engelse datum gebruik je eveneens een rangtelwoord: May fifth of the fifth of May.
Bij een heel uur zeg je It’s three o’clock. Voor tijden tot en met het halve uur gebruik je vaak past (ten past three); daarna tel je met to af naar het volgende uur (ten to four). Let vooral op half past ten: dat is in het Nederlands half elf, niet half tien.
Engelse weekdagen en maanden krijgen altijd een hoofdletter: Monday, Friday, January en July. Gebruik meestal on bij een dag of datum (on Friday, on 4 July) en in bij alleen een maand (in July). In Brits Engels staat de dag doorgaans vóór de maand; in Amerikaans Engels staat de maand meestal eerst.
Een Engels bijvoeglijk naamwoord beschrijft een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip). Het staat meestal vóór dat zelfstandig naamwoord, zoals in a small cat, of na een koppelwerkwoord zoals be: The cat is small. De vorm blijft gelijk: a fast car, two fast cars, a happy man en a happy woman.
Engelse bijwoorden van frequentie vertellen hoe vaak iets gebeurt. Zet always, usually, often, sometimes, rarely en never meestal vóór een gewoon hoofdwerkwoord: I often cook at home. Bij een vorm van be komen ze erna: She is never late. Concrete tijdsaanduidingen zoals every day en once a week staan meestal aan het einde.
Een telbaar zelfstandig naamwoord kun je als losse eenheden tellen: a book, two books. Een niet-telbaar zelfstandig naamwoord heeft normaal geen meervoud en staat niet rechtstreeks na een getal: water, information, advice. Gebruik daarom How many apples?, maar How much money?; om een niet-telbare hoeveelheid te tellen heb je een maatwoord nodig, zoals two bottles of water.
Gebruik meestal some in bevestigende zinnen en any in ontkennende zinnen en open vragen: I have some time, I don't have any time, Do you have any time? In aanbiedingen en verzoeken staat vaak toch some, omdat het om een concrete hoeveelheid gaat en de spreker vaak op een positief antwoord rekent: Would you like some tea?
Voor een opdracht of instructie gebruikt het Engels meestal alleen de basisvorm van het werkwoord, zonder onderwerp: Open the door. Maak de vorm ontkennend met don't + werkwoord (Don't touch that), beleefder met please (Please sit down) en gebruik let's + werkwoord voor een voorstel waaraan de spreker zelf meedoet: Let's go.
Met and voeg je informatie toe, but geeft een tegenstelling aan, or biedt een keuze, so noemt een gevolg en because geeft een reden. Je kunt er woorden, zinsdelen of hele zinnen mee verbinden: tea and coffee, tired but happy en I stayed home because it was raining.
De present continuous maak je met am, is of are + werkwoord op -ing: I am reading, she is working, they are coming. Je gebruikt deze vorm vooral voor iets dat nu bezig is, een tijdelijke situatie of een concrete afspraak in de toekomst. In het Nederlands past daar soms aan het + infinitief bij, maar vaak vertalen we de Engelse vorm gewoon met de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Engelse toestandswerkwoorden (stative verbs) beschrijven meestal een toestand, gedachte, gevoel, bezit of voorkeur, en niet een activiteit die aan de gang is. Gebruik daarom bij de gewone betekenis meestal de present simple: I know the answer en She wants coffee, niet I'm knowing of She's wanting. Sommige werkwoorden kunnen wél een continuous-vorm krijgen als hun betekenis verandert.
In het Engels staat de bezitter meestal vóór datgene wat erbij hoort: John's car. Voeg 's toe bij een enkelvoud en bij een onregelmatig meervoud zonder -s; zet alleen ' na een regelmatig meervoud op -s: the children's toys, maar my parents' house. Vooral bij dingen en langere woordgroepen is een constructie met of vaak natuurlijker: the end of the movie.
A2 (15)
Voor een bevestigende zin in de past simple zet je bij een regelmatig werkwoord -ed achter de basisvorm: work → worked, play → played. Die vorm is voor alle personen gelijk: I worked, she worked, we worked. Gebruik hem vooral voor handelingen en situaties die in een afgesloten verleden plaatsvonden.
In de past simple krijgen onregelmatige werkwoorden geen gewone uitgang op -ed, maar een eigen verleden vorm: go → went, see → saw en take → took. Die vorm is bij alle personen gelijk. In vragen en ontkenningen gebruik je echter did of didn't met de basisvorm: Did you go? en I didn't go.
Bij gewone werkwoorden maak je een ontkenning met didn't + basisvorm en een vraag met Did + onderwerp + basisvorm: She didn't know en Did you see him? Did draagt al de verleden tijd, dus het hoofdwerkwoord wordt niet nog eens verleden tijd: zeg didn't go, niet didn't went. Het werkwoord be vormt de belangrijkste uitzondering: wasn't/weren't en Was/Were ...?
Was en were zijn de verleden tijd van to be. Gebruik was bij I, he, she, it en were bij you, we, they: I was tired en They were at home. Maak een vraag door was of were vooraan te zetten; voor een ontkenning voeg je not toe — zonder did.
De past continuous bestaat uit was/were + werkwoord op -ing: I was working en they were waiting. Je gebruikt deze tijd vooral voor iets dat op een bepaald moment in het verleden bezig was, als achtergrond bij een verhaal, of voor een langere actie die door een kortere gebeurtenis werd onderbroken.
Je maakt de present perfect simple met have/has + voltooid deelwoord: I have finished en she has arrived. Je gebruikt deze tijd wanneer een gebeurtenis uit het verleden belangrijk is voor het heden, wanneer je over ervaringen zonder precies tijdstip praat, of wanneer een periode nog loopt. Noem je een afgesloten moment zoals yesterday of in 2022, dan gebruik je meestal de past simple.
Gebruik de past simple voor iets dat plaatsvond in een afgesloten verleden: I lost my keys yesterday. Kies de present perfect als het verleden met het heden verbonden is en het precieze moment niet centraal staat: I’ve lost my keys suggereert dat de sleutels nu nog weg zijn. Een genoemd, voltooid tijdstip zoals yesterday, last week of in 2019 maakt de past simple vrijwel altijd de juiste keuze.
Zet will + het hele werkwoord zonder to om een voorspelling, spontane beslissing, belofte of aanbod uit te drukken: It will rain en I'll help you. De vorm is voor alle personen gelijk. De ontkenning is will not, meestal won't, en in een vraag staat will vóór het onderwerp: Will she come?
Gebruik am/is/are going to + basisvorm voor een plan of bedoeling die al bestaat, en voor een voorspelling waarvoor je nu aanwijzingen hebt: I'm going to study medicine en Look at those clouds. It's going to rain. Anders dan in het Nederlands mag be niet ontbreken: niet I going to call, maar I'm going to call.
Met de Engelse vergrotende trap vergelijk je twee mensen, zaken of situaties: Anna is taller than Mia. Gebruik meestal -er bij korte bijvoeglijke naamwoorden (small → smaller) en more bij langere (useful → more useful). Less drukt een kleinere mate uit, en veel expliciete vergelijkingen krijgen than: less expensive than.
Met de Engelse overtreffende trap wijs je de hoogste of laagste graad binnen een groep aan: the tallest student en the most interesting book. Korte bijvoeglijke naamwoorden krijgen meestal the + -est; bij langere woorden gebruik je meestal the most + bijvoeglijk naamwoord. Belangrijke uitzonderingen zijn the best, the worst en the farthest/the furthest.
Gebruik should voor advies: You should rest (Je zou rust moeten nemen). Gebruik must voor een sterke verplichting, mustn't voor een verbod en don't have to als iets niet nodig of niet verplicht is. Vooral dat laatste verschil is belangrijk: You mustn't go betekent dat je niet mág gaan; You don't have to go betekent dat je niet hóéft te gaan.
Gebruik have to + werkwoord voor iets dat noodzakelijk of verplicht is: I have to work. Bij he, she en it wordt dat has to. Vragen en ontkenningen maak je met do, does of did: Do you have to go? en She doesn't have to go.
Een bijwoord van manier vertelt hoe een handeling gebeurt: She speaks slowly betekent ‘Ze spreekt langzaam’. Vaak maak je zo’n Engels bijwoord met een bijvoeglijk naamwoord plus -ly: careful → carefully. Onthoud meteen de belangrijkste afwijkingen: good → well, terwijl fast en hard onveranderd blijven.
Een relatieve bijzin geeft extra informatie over een persoon of zaak: the woman who called en the phone that rang. Gebruik als eenvoudige beginnersregel who voor personen, which voor zaken en that voor beide. In een bepalende relatieve bijzin — informatie die duidelijk maakt wie of wat je bedoelt — staan geen komma’s.
B1 (13)
Met de present perfect continuous leg je nadruk op een activiteit die in het verleden begon en nog voortduurt, of die pas is gestopt maar nu nog merkbare gevolgen heeft. Je maakt deze vorm met have/has been + werkwoord op -ing: I have been waiting for an hour. Gebruik for voor een tijdsduur en since voor het beginpunt.
De Past Perfect drukt uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden. Je vormt deze tijd met had + voltooid deelwoord: She had left before I arrived. Het eerdere gebeuren staat in de Past Perfect; het latere gebeuren staat vaak in de Past Simple.
Met de first conditional beschrijf je een reële of goed mogelijke toekomstige situatie en het gevolg daarvan. Het basispatroon is if + tegenwoordige tijd, will + basisvorm: If it rains, I'll stay home. Hoewel de voorwaarde over de toekomst gaat, staat na if normaal geen will.
Met de second conditional beschrijf je een denkbeeldige, onwerkelijke of weinig waarschijnlijke situatie in het heden of de toekomst. De hoofdstructuur is if + past simple, would + infinitief zonder to: If I had more time, I would learn Japanese — ‘Als ik meer tijd had, zou ik Japans leren.’ De verleden tijd verwijst hier meestal niet naar het verleden, maar geeft afstand tot de werkelijkheid aan.
Gebruik may, might en could als iets mogelijk is: She might come betekent dat ze misschien komt. Met must trek je een vrijwel zekere positieve conclusie (She must be home); met can't sluit je iets uit (She can't be home). Na deze modale werkwoorden komt de infinitief zonder to: might rain, niet might to rain.
De Engelse lijdende vorm maak je met een vorm van be plus het voltooid deelwoord: The door is closed en The letter was sent. Je gebruikt deze vorm als de handeling of degene die iets ondergaat belangrijker is dan de uitvoerder. Wil je de uitvoerder toch noemen, dan gebruik je meestal by: The book was written by Orwell.
Bij indirecte rede geef je iemands woorden weer zonder ze letterlijk te citeren: “I am tired,” he said wordt He said (that) he was tired. Staat het inleidende werkwoord in het verleden, dan schuift de werkwoordstijd vaak één stap terug. Ook voornaamwoorden en woorden als now en tomorrow veranderen als het perspectief of het tijdstip daarom vraagt.
Bij een reported question vertel je wat iemand vroeg zonder de precieze woorden te citeren: “Are you coming?” wordt She asked if I was coming. Gebruik if/whether bij een ja-neevraag en behoud het vraagwoord bij een open vraag. Daarna staat het onderwerp vóór het werkwoord, zoals in een mededelende zin; een losse vraagconstructie en een vraagteken verdwijnen meestal.
Gebruik where na een plaats, when na een tijdstip of periode en whose om bezit of een andere nauwe relatie aan te geven. Een beperkende relatieve bijzin bepaalt over welke persoon of zaak je praat en krijgt geen komma’s; een uitbreidende relatieve bijzin geeft alleen extra informatie en staat wel tussen komma’s. Een betrekkelijk voornaamwoord mag je alleen weglaten als het het lijdend voorwerp is in een beperkende bijzin: The book (that) I read.
Gebruik used to + basiswerkwoord voor vroegere gewoontes en toestanden die niet meer gelden: I used to live in Paris. Gebruik would + basiswerkwoord alleen voor handelingen die zich in het verleden herhaalden: We would go there every summer. Be used to + zelfstandig naamwoord of -ing-vorm betekent iets anders, namelijk “gewend zijn aan”: I’m used to working late.
Na sommige Engelse werkwoorden komt to + infinitief: I want to leave. Na andere komt een gerundium op -ing: I enjoy reading. Na een voorzetsel gebruik je doorgaans de -ing-vorm: She is interested in learning. Bij enkele werkwoorden zijn beide vormen mogelijk, soms met een duidelijk betekenisverschil: stop smoking is niet hetzelfde als stop to smoke.
Too betekent meestal ‘te’ en geeft aan dat een grens wordt overschreden: too expensive is duurder dan wenselijk. Enough betekent ‘genoeg’, maar staat vóór een zelfstandig naamwoord (enough money) en ná een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord (old enough, quickly enough). Met too/enough + to + infinitive noem je het gevolg: too tired to work of old enough to drive.
Een phrasal verb bestaat uit een werkwoord en een kort partikel, zoals up, off of out; samen krijgen die vaak een betekenis die je niet rechtstreeks uit de losse woorden kunt afleiden. Bij een scheidbaar phrasal verb kan een zelfstandig naamwoord vóór of na het partikel staan (turn the light off / turn off the light), maar een voornaamwoord moet ertussen: turn it off. Onscheidbare combinaties blijven altijd bij elkaar: look after the children, niet look the children after.
B2 (10)
Met de third conditional beschrijf je een verleden dat niet meer veranderd kan worden: if + past perfect, gevolgd door would have + voltooid deelwoord. In If I had known, I would have told you wist ik het in werkelijkheid niet en heb ik het dus niet verteld. De constructie gaat meestal over spijt, kritiek, gemiste kansen of een denkbeeldig alternatief voor wat werkelijk is gebeurd.
Bij een mixed conditional verwijzen de voorwaarde en het gevolg naar verschillende tijden. Meestal combineer je een onwerkelijke voorwaarde in het verleden met een gevolg nu (If I had studied medicine, I would be a doctor now), of een onwerkelijke situatie nu met een gevolg in het verleden (If I were less shy, I would have spoken to her). Bepaal daarom eerst per zinsdeel of het over toen of over nu gaat, en kies pas daarna de werkwoordsvorm.
Met wish en if only zeg je dat de werkelijkheid anders is dan je zou willen. Gebruik een verleden tijd voor een wens over het heden (I wish I had more time), de past perfect voor spijt over het verleden (I wish I had studied harder) en would voor gewenst veranderend gedrag (I wish you would listen). If only volgt dezelfde patronen, maar klinkt emotioneler en nadrukkelijker.
Met modaal werkwoord + have + voltooid deelwoord geef je een oordeel over een gebeurtenis in het verleden: She must have forgotten betekent dat ze het volgens jou bijna zeker vergeten is. Gebruik must have voor een sterke conclusie, may/might/could have voor een mogelijkheid en can't/couldn't have voor iets dat volgens jou onmogelijk is. Should have drukt meestal uit dat iets wenselijk of verwacht was, maar niet gebeurde.
Met de voltooide toekomende tijd (Future Perfect) zeg je dat iets vóór een bepaald toekomstig moment voltooid zal zijn: By Friday, I will have finished the report. De vorm is will have + voltooid deelwoord. Woorden als by, by the time en before maken de toekomstige grens vaak duidelijk.
De toekomende duurvorm (Future Continuous) bestaat uit will be + werkwoord op -ing: I will be working. Je gebruikt hem vooral als een handeling op een bepaald toekomstig moment bezig zal zijn. Dezelfde vorm kan een verwachte planning neutraal beschrijven of een vraag naar iemands plannen minder direct maken.
Bij Engelse werkwoorden met twee objecten kunnen vaak twee passieve zinnen ontstaan: They gave me a key wordt I was given a key of A key was given to me. Met have/get + object + past participle zeg je dat je iets door iemand laat doen, terwijl get + past participle ook een gebeurtenis of verandering kan beschrijven: The window got broken.
Een cleft-zin splitst één gewone mededeling in twee delen om één element extra nadruk te geven. Vergelijk John broke the window met It was John who broke the window: in de tweede zin staat niet de gebeurtenis, maar juist John centraal. De belangrijkste patronen zijn it + be + focus + who/that-clause en what-clause + be + focus.
Een Engelse participle clause is een verkorte bijzin met een tegenwoordig deelwoord op -ing, een voltooid deelwoord zoals written of exhausted, of having + voltooid deelwoord. Zo kan Because she was exhausted, she went to bed korter worden: Exhausted, she went to bed. Het verzwegen onderwerp moet normaal gesproken hetzelfde zijn als het onderwerp van de hoofdzin.
Na een negatieve of sterk beperkende uitdrukking vooraan in een Engelse zin komt vaak inversie: het hulpwerkwoord staat vóór het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert). Vergelijk I had never heard that met het nadrukkelijke Never had I heard that. Is er nog geen hulpwerkwoord, dan voeg je do, does of did toe: Rarely does he complain.
C1 (8)
De Engelse subjunctive of aanvoegende wijs gebruikt na een voorstel, eis of noodzaak de kale werkwoordsvorm: They demanded that he leave en It is vital that she be informed. Bij onwerkelijke situaties kan were bij alle personen staan: If I were you. De vorm is vooral herkenbaar bij he/she/it, bij be en in ontkennende zinnen.
Met be bound to druk je een sterke verwachting uit, met be supposed to een regel of verwachting, met be meant to een bedoeling en met be to een formele afspraak of instructie. Would rather geeft een voorkeur aan; had better geeft dringend advies en waarschuwt vaak voor een vervelend gevolg. Vooral bij would rather en had better wijkt de Engelse vorm af van wat je vanuit het Nederlands zou verwachten.
Met een complexe passieve constructie geef je een bericht, mening of waarneming door zonder de bron centraal te stellen: It is believed that he is innocent of He is believed to be innocent. In het tweede patroon volgt op het onderwerp een passief reporting verb en een infinitief: She is said to have left. De vorm van die infinitief laat zien of de gemelde gebeurtenis tegelijk, eerder of nog aan de gang is.
Formele Engelse discoursmarkeerders maken duidelijk hoe een nieuwe gedachte zich verhoudt tot de vorige: als tegenstelling (nevertheless), aanvulling (moreover) of gevolg (consequently). Ze zijn inhoudelijk vaak verwant, maar verschillen in zinsbouw, plaatsing en register. Kies dus niet alleen op basis van een Nederlands equivalent als toch, bovendien of daarom.
Bij ellips laat je voorspelbare woorden weg; bij substitutie vervang je ze door een korte vorm zoals do, so of one. In Maya can swim and so can I staat can voor can swim, terwijl so instemming markeert. Het gekozen hulpwerkwoord, de woordvolgorde en de vraag of de eerdere boodschap bevestigend of ontkennend is, bepalen welke vorm correct is.
Een nominale bijzin is een hele bijzin die in de grotere zin de plaats van een zelfstandig naamwoord inneemt: What she decided surprised us of I understand what she decided. Zulke bijzinnen beginnen vaak met that, een wh-woord zoals what of why, of whether/if. Binnen een ingebedde vraag gebruik je gewone mededelende woordvolgorde: I wonder where he is, niet where is he.
In academisch en formeel Engels maak je een bewering vaak bewust minder absoluut met vormen als may, seem to, tend to, somewhat en one might argue. Zo laat je zien hoe sterk je bewijs werkelijk is: The results suggest that X may improve performance is voorzichtiger dan The results prove that X improves performance. Deze manier van nuanceren heet hedging language en maakt een tekst meestal niet zwakker, maar nauwkeuriger.
Geavanceerde Engelse partikelwerkwoorden (phrasal verbs) bestaan vaak uit een werkwoord en twee kleine woorden die samen één betekenis dragen: put up with, come up with en get away with. Leer zo'n combinatie als één geheel, want de betekenis is meestal niet uit de losse delen af te leiden. Let vooral op het laatste voorzetsel: na look forward to volgt bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord of een vorm op -ing, niet de infinitief met to.
C2 (8)
In literaire en historische teksten kunnen Engelse tijden niet alleen wanneer aangeven, maar ook het vertelperspectief sturen. Het historische presens maakt een gebeurtenis uit het verleden direct, de future perfect continuous kijkt terug op een voortgaand proces vanuit een toekomstig moment, en vormen als thou, hath en doth markeren een bewust ouderwets of plechtig register. Op C2-niveau draait het vooral om het herkennen van het stilistische effect en om terughoudend, consequent gebruik.
Archaïsch en juridisch Engels gebruikt vormen die in een gewoon gesprek ouderwets, plechtig of onnatuurlijk klinken, maar die nog geregeld voorkomen in wetten, contracten, verklaringen en historische teksten. Woorden als hereby, thereof en wherein leggen compacte verwijzingen, terwijl vormen als thou shalt en be it known oudere voornaamwoorden, werkwoordsvormen of de aanvoegende wijs bewaren. Op C2-niveau gaat het vooral om nauwkeurig herkennen en interpreteren; gebruik ze zelf alleen als het genre erom vraagt.
Engels heeft niet één grammatica die overal exact hetzelfde werkt. Brits en Amerikaans Engels verschillen onder meer in have got, shall en de overeenkomst bij collectieve zelfstandige naamwoorden; regionale variëteiten hebben daarnaast vormen als ain't, y'all, dubbele ontkenning en innit. Zulke vormen zijn niet allemaal geschikt voor dezelfde situatie: op C2-niveau gaat het vooral om herkennen welke variëteit, sociale context en stijl bij een vorm horen.
Engelse retorische stijlmiddelen geven een uitspraak extra nadruk, ritme, contrast of ironie. Een vraag kan eigenlijk een bewering zijn (Who could disagree?), een ontkenning kan juist lof uitdrukken (not bad) en een herhaalde zinsbouw kan een boodschap onvergetelijk maken. Op C2-niveau draait het niet alleen om herkenning, maar vooral om de bedoelde werking, toon en context.
Goed formeel Engels is niet simpelweg alledaags Engels met langere woorden. Het combineert een zakelijke toon met nauwkeurige beweringen: het passief kan de handeling centraal stellen, hedging begrenst de zekerheid van een claim en nominalisatie maakt van processen compacte begrippen. Gebruik deze middelen gericht; een tekst vol passieven en zelfstandige naamwoorden wordt eerder stroef dan academisch.
Een Engels idioom is een min of meer vaste uitdrukking waarvan de bedoelde betekenis niet simpelweg de som van de losse woorden is. Op C2-niveau is alleen de betekenis kennen niet genoeg: je moet ook aanvoelen of een idioom Brits of algemeen is, luchtig of scherp klinkt, en grammaticaal in de zin past. Leer daarom niet alleen the ball is in your court = “de bal ligt bij jou”, maar ook wie die zin tegen wie kan zeggen en met welk effect.
Een collocatie is een woordcombinatie die in het Engels gebruikelijk en vanzelfsprekend klinkt, zoals make a decision, heavy rain en draw a conclusion. Andere combinaties kunnen grammaticaal en logisch lijken, maar toch onnatuurlijk zijn: meestal zeg je niet do a decision of strong rain. Op C2-niveau kies je niet alleen een correcte combinatie, maar ook een combinatie die past bij het onderwerp, het register en de precieze betekenis.
Register is de taalvariant die past bij je publiek, doel en situatie. Een gevorderde spreker kiest niet automatisch het formeelste woord, maar kan dezelfde boodschap bijvoorbeeld formeel (commence), neutraal (start) of informeel (kick off) formuleren. Een geslaagde stijlwisseling verandert de toon zonder de feiten of bedoeling ongewild te veranderen.