Relatieve bijzinnen met *where*, *when* en *whose* in het Engels
Advanced Relative Clauses
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Gebruik where na een plaats, when na een tijdstip of periode en whose om bezit of een andere nauwe relatie aan te geven. Een beperkende relatieve bijzin bepaalt over welke persoon of zaak je praat en krijgt geen komma’s; een uitbreidende relatieve bijzin geeft alleen extra informatie en staat wel tussen komma’s. Een betrekkelijk voornaamwoord mag je alleen weglaten als het het lijdend voorwerp is in een beperkende bijzin: The book (that) I read.
Overzicht
Een relatieve bijzin geeft meer informatie over een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, plaats, zaak of begrip). In the city where I was born vertelt where I was born iets over the city. Zo kun je informatie in één vloeiende zin combineren zonder telkens een nieuwe hoofdzin te beginnen.
Op B1-niveau bouw je hiermee voort op who, which en that. Vooral where, when en whose zijn nuttig: ze verbinden een plaats, tijd of bezitsrelatie met de bijzin. Je leert hier ook een belangrijk betekenisverschil: soms is de relatieve bijzin nodig om te bepalen wie of wat bedoeld wordt, en soms voegt hij alleen achtergrondinformatie toe.
Voor Nederlandstaligen voelt een groot deel vertrouwd: where lijkt vaak op waar, when op wanneer en whose op wiens/wier. Toch kun je niet altijd woord voor woord vertalen. Nederlands gebruikt bijvoorbeeld vaak waar ... in, waarin of van wie, terwijl Engels kan kiezen tussen where, een voorzetsel met which, en informelere constructies waarin het voorzetsel achteraan staat.
Hoe het werkt
Where voor plaatsen
Na een woord dat een plaats aanduidt, kan where de relatieve bijzin inleiden:
plaats + where + onderwerp + werkwoord
- This is the café where we first met.
- I visited the village where my grandfather grew up.
Where betekent hier ongeveer in/at which: the café where we met is gelijk aan the café at which we met. Het woord is dus meer dan alleen een vervanging voor which; de betekenis van een plaatsvoorzetsel zit er al in.
Daarom is the house where I live in in zorgvuldig standaardengels dubbelop: zowel where als in drukt de plaatsrelatie uit. Kies één patroon:
| Patroon | Voorbeeld | Gebruik |
|---|---|---|
| where | the house where I live | neutraal en zeer gebruikelijk |
| voorzetsel + which | the house in which I live | formeler |
| which/that + voorzetsel achteraan | the house which/that I live in | gewoon, vooral in spreektaal |
| weglating + voorzetsel achteraan | the house I live in | natuurlijk en informeel |
Een woord hoeft geen letterlijke geografische plek te zijn. Ook situation, case, stage en point kunnen figuurlijk als een “plaats” worden opgevat: We reached a point where we had to decide. Gebruik where echter niet automatisch na elk zelfstandig naamwoord; de bijzin moet werkelijk een plaats of situatie aangeven.
When voor tijden en gelegenheden
Na een tijdsaanduiding kan when betekenen “waarop” of “waarin”:
tijd + when + onderwerp + werkwoord
- Do you remember the day when we met?
- There are times when I miss living by the sea.
Vaak kan when worden vervangen door on/in/at which, afhankelijk van de tijdsaanduiding:
- the day on which we met
- the year in which they moved
- the moment at which the alarm sounded
Die vormen zijn meestal formeler. In een beperkende bijzin kan when vaak ook weg: the day we met, the year they moved abroad. Voor een Nederlandstalige is dat even wennen, omdat je in het Nederlands meestal waarop, waarin of dat nodig hebt. De korte Engelse vorm is volkomen normaal.
Na algemene woorden als time kan ook that voorkomen: the first time that I flew alone. Vooral na the first time, the last time en every time klinkt een bijzin zonder when vaak het natuurlijkst: Every time I call, she is busy. Dit is dan vaak eerder een tijdsbepalende bijzin dan een bijzin die één specifiek zelfstandig naamwoord nader identificeert, maar voor de praktische zinsbouw is het patroon vergelijkbaar.
Whose voor bezit en relaties
Whose verbindt een persoon, dier, organisatie of zaak met iets dat daarbij hoort:
persoon/zaak + whose + zelfstandig naamwoord + werkwoord
- The woman whose bike was stolen called the police.
- We chose a company whose values match ours.
Whose staat direct vóór het “bezit”: whose bike, whose values. Het hele woordgroepje heeft vervolgens een functie in de bijzin. In whose bike was stolen is whose bike het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert of ondergaat in een passieve zin). In whose article I read is whose article het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat).
In het Nederlands vertaal je whose bij personen vaak met wiens, wier of het gewonere van wie. Engels gebruikt dezelfde vorm voor alle geslachten en voor enkelvoud en meervoud. Bovendien kan whose ook naar zaken verwijzen: a house whose roof needs repair. Dat is correct standaardengels, ook al kiest het Nederlands hier eerder voor een huis waarvan het dak.... De formele constructie a house the roof of which needs repair bestaat ook, maar klinkt zwaar.
Let op het verschil tussen whose en who’s. Whose drukt een relatie of bezit uit; who’s is een samentrekking van who is of who has.
Beperkend of uitbreidend: zonder of met komma’s
Een beperkende relatieve bijzin bepaalt precies welke persoon of zaak bedoeld wordt. Zonder die informatie verandert de kernbetekenis. Er staan geen komma’s omheen:
- The employees who work at night receive an extra payment.
Dit gaat alleen over de werknemers die ’s nachts werken.
Een uitbreidende relatieve bijzin voegt extra informatie toe over iemand of iets dat al duidelijk geïdentificeerd is. In geschreven Engels zet je deze informatie tussen komma’s:
- My brother, who works at night, sleeps until noon.
My brother is al duidelijk; zijn werktijden zijn bijkomende informatie. Als de bijzin midden in de hoofdzin staat, heb je twee komma’s nodig. Aan het einde staat één komma vóór de bijzin.
Het verschil is niet alleen typografisch. Vergelijk:
| Zonder komma’s | Met komma’s |
|---|---|
| The shops which open on Sundays are busy. | The shops, which open on Sundays, are busy. |
| Alleen de winkels die op zondag open zijn, zijn druk. | Alle bedoelde winkels zijn op zondag open; dat is extra informatie. |
In uitbreidende bijzinnen gebruik je who, which, where, when en whose, maar niet that. Je mag het betrekkelijk woord daar ook niet weglaten.
Wanneer mag het betrekkelijk voornaamwoord weg?
In een beperkende relatieve bijzin mag who, which of that weg als het het lijdend voorwerp van de bijzin is:
- The book (that) I read was excellent.
- The colleague (who) you met is from Bristol.
Je ziet na de mogelijke weglating nog een onderwerp (I, you). Dat onderwerp voert de handeling uit; the book en the colleague ondergaan die handeling.
Weglaten kan niet als het betrekkelijk voornaamwoord zelf het onderwerp is:
- The book that explains the rule is useful.
- niet: The book explains the rule is useful.
Ook in een uitbreidende bijzin kan het niet: This book, which I bought yesterday, is excellent. Na een vooropstaand voorzetsel blijft whom of which eveneens staan: the person to whom I spoke, the room in which we waited.
Where en when gedragen zich iets anders: in beperkende tijdsbepalingen kan when vaak rechtstreeks verdwijnen (the day we met), maar bij where moet de plaatsrelatie hoorbaar blijven. Je zegt the house where I live of the house I live in, niet the house I live.
Voorbeelden in context
| Engels | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| The city where I was born has changed a lot. | De stad waar ik geboren ben, is sterk veranderd. | Where verwijst naar een plaats. |
| That is the desk where I usually work. | Dat is het bureau waaraan ik meestal werk. | Het Nederlandse voorzetsel zit al in where. |
| We reached a stage where further discussion was pointless. | We bereikten een stadium waarin verder praten geen zin meer had. | Figuurlijke “plaats”. |
| I still remember the day when we met. | Ik herinner me nog de dag waarop we elkaar ontmoetten. | When verwijst naar een dag. |
| Summer is the season when the town is busiest. | De zomer is het seizoen waarin de stad het drukst is. | Een periode, niet één moment. |
| The year we moved to Leeds was difficult. | Het jaar waarin we naar Leeds verhuisden, was moeilijk. | When is correct weggelaten. |
| The man whose car was stolen reported it immediately. | De man van wie de auto was gestolen, deed meteen aangifte. | Whose geeft een bezitsrelatie aan. |
| She works for a charity whose main office is in London. | Ze werkt voor een goed doel waarvan het hoofdkantoor in Londen staat. | Whose kan ook naar een organisatie verwijzen. |
| The book (that) I read on holiday was fascinating. | Het boek dat ik op vakantie las, was boeiend. | That is lijdend voorwerp en mag weg. |
| The book that won the prize has sold out. | Het boek dat de prijs won, is uitverkocht. | That is onderwerp en moet blijven staan. |
| Our hotel, which overlooked the harbour, was surprisingly quiet. | Ons hotel, dat op de haven uitkeek, was verrassend rustig. | Uitbreidende bijzin met komma’s. |
| Amsterdam, where my sister lives, attracts millions of visitors. | Amsterdam, waar mijn zus woont, trekt miljoenen bezoekers. | De plaats is al uniek geïdentificeerd. |
| July, when many colleagues are away, is usually quiet. | Juli, wanneer veel collega’s weg zijn, is meestal rustig. | Extra tijdsinformatie tussen komma’s. |
| Maya, whose father is Dutch, speaks both languages fluently. | Maya, wier vader Nederlands is, spreekt beide talen vloeiend. | Extra informatie over een bekende persoon. |
Veelgemaakte fouten
Een voorzetsel dubbel uitdrukken na where
- Onjuist: This is the room where we had the meeting in.
- Juist: This is the room where we had the meeting.
- Ook juist: This is the room (that) we had the meeting in.
- Waarom: Where bevat hier al de betekenis “in which”. Voeg dus niet nogmaals in toe.
Whose verwarren met who’s
- Onjuist: I know a woman who’s son studies here.
- Juist: I know a woman whose son studies here.
- Waarom: Who’s betekent who is of who has. Alleen whose kan vóór son een relatie aangeven.
That gebruiken in een uitbreidende bijzin
- Onjuist: My laptop, that I bought last year, is already broken.
- Juist: My laptop, which I bought last year, is already broken.
- Waarom: Na een komma gebruik je in dit type relatieve bijzin geen that.
Het onderwerp van de bijzin weglaten
- Onjuist: The neighbour lives upstairs is a doctor.
- Juist: The neighbour who lives upstairs is a doctor.
- Waarom: Who is het onderwerp van lives en kan daarom niet verdwijnen. Alleen een betrekkelijk voornaamwoord als lijdend voorwerp kan worden weggelaten.
Een extra persoonlijk voornaamwoord toevoegen
- Onjuist: The man whose car it was stolen called the police.
- Juist: The man whose car was stolen called the police.
- Waarom: Whose car vervult al een zinsfunctie. Een extra it is overbodig. Hetzelfde geldt voor the woman who she called: kies the woman who called of the woman (who) she called, afhankelijk van de bedoelde betekenis.
Nederlandse kommagewoonten rechtstreeks overnemen
- Onjuist: People, who cycle to work, often arrive early. als je alleen een bepaalde groep bedoelt.
- Juist: People who cycle to work often arrive early.
- Waarom: Engelse komma’s geven hier een betekenisverschil aan. Met komma’s beweer je dat alle bedoelde mensen naar het werk fietsen; zonder komma’s beperk je de uitspraak tot de fietsers.
Gebruiksnotities
In alledaags Engels zijn korte patronen heel normaal: the place we stayed, the day we met en the person I spoke to. Een voorzetsel achteraan is niet fout; het is vaak juist natuurlijker dan the person to whom I spoke. De vorm met een vooropstaand voorzetsel klinkt formeel en komt vaker voor in zakelijke, academische of juridische teksten.
Bij personen is who in gewone taal gebruikelijk als lijdend voorwerp: the person who I called. Whom komt vooral voor na een vooropstaand voorzetsel (the person to whom I wrote) en in formele stijl. In een beperkende bijzin is weglating vaak nog natuurlijker: the person I called.
Sprekers laten when geregeld weg, maar where blijft vaak staan omdat anders een voorzetsel nodig is. Vergelijk the night we arrived met the hotel where we stayed of the hotel we stayed at. Let ook op dat what niet “datgene + dat” kan volgen: je zegt what I need of the thing that I need, niet the thing what I need.
Verder dan de basis
Where bij abstracte antecedenten
Het antecedent is het woord waarnaar de relatieve bijzin terugverwijst. Bij where kan dat abstract zijn: a situation where nobody wins, a process where every application is checked. Zulke vormen zijn wijdverbreid, vooral in spreektaal. In verzorgde formele teksten kan in which preciezer klinken: a process in which every application is checked. Bij woorden zonder duidelijke plaats- of situatiebetekenis kies je meestal in which of that, niet automatisch where.
Betekenis bepaalt de keuze, niet alleen het zelfstandig naamwoord
Hetzelfde woord kan verschillende verbindingen krijgen:
- the day when we met — de bijzin zegt wat er op die dag gebeurde;
- the day that changed my life — the day is zelf het onderwerp van changed;
- the place where we met — de bijzin situeert de ontmoeting;
- the place that impressed me most — the place is het onderwerp dat indruk maakte.
Kijk dus naar de functie binnen de bijzin. “Na day altijd when” en “na place altijd where” zijn te eenvoudige regels.
Een hele voorafgaande mededeling als antecedent
Een uitbreidende bijzin met which kan commentaar geven op een volledige voorafgaande mededeling:
- The train was cancelled, which meant we had to take a taxi.
Which verwijst hier niet alleen naar the train, maar naar het feit dat de trein uitviel. Gebruik hiervoor niet that. Dit patroon helpt om oorzaak, gevolg of een reactie compact uit te drukken.
Whose zonder letterlijk bezit
Whose gaat ruimer dan eigendom. Het kan ook familie, auteurschap, onderdelen of kenmerken verbinden: a writer whose novels sell worldwide, a tree whose leaves turn red, a patient whose condition is improving. De vraag “van wie is het?” is dus een handig begin, maar niet de volledige regel.
Oefentips
- Bouw viertallen rond één woord. Maak bij house bijvoorbeeld: the house where I grew up, the house I grew up in, the house in which I grew up en my old house, where I grew up. Zo oefen je tegelijk stijl en komma’s.
- Zoek onderwerp en lijdend voorwerp. Neem tien zinnen met who, which of that. Onderstreep in de relatieve bijzin wie de handeling uitvoert. Staat daar al I, she of een zelfstandig naamwoord, dan is het betrekkelijk voornaamwoord mogelijk het lijdend voorwerp en kan het in een beperkende bijzin vaak weg.
- Lees komma’s hardop als bijzinnen. Pauzeer licht bij uitbreidende informatie. Vraag daarna: weet de luisteraar zonder deze woorden al precies over wie of wat het gaat? Zo ja, dan zijn komma’s waarschijnlijk passend.
Verwante onderwerpen
- Voorafgaande kennis: Relatieve bijzinnen met who, which en that — de basis voor onderwerp en lijdend voorwerp in relatieve bijzinnen.
- Volgende stap: Cleftzinnen — gebruiken verwante bijzinsstructuren om één deel van een mededeling nadruk te geven.
- Verdieping: Nominale bijzinnen — bijzinnen die als zelfstandig naamwoord of zinsdeel functioneren.