C1

Nominale bijzinnen in het Engels

Nominal Clauses

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.

In het kort

Een nominale bijzin is een hele bijzin die in de grotere zin de plaats van een zelfstandig naamwoord inneemt: What she decided surprised us of I understand what she decided. Zulke bijzinnen beginnen vaak met that, een wh-woord zoals what of why, of whether/if. Binnen een ingebedde vraag gebruik je gewone mededelende woordvolgorde: I wonder where he is, niet where is he.

Overzicht

Een zelfstandig naamwoord benoemt bijvoorbeeld een persoon, zaak of idee. Een nominale bijzin doet grammaticaal hetzelfde, maar bevat zelf een onderwerp en een werkwoord. In What matters is your health is what matters het onderwerp (waar de rest van de zin iets over zegt). In I know what you mean is what you mean het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). En in The problem is that we are late vormt that we are late het naamwoordelijk deel: de informatie die na is zegt wat het probleem is.

Je komt deze constructies voortdurend tegen na werkwoorden van denken, weten, zeggen, vragen en beslissen: think, know, say, wonder, ask, decide. Op C1-niveau gaat het niet alleen om herkennen, maar ook om het juiste voegwoord, de juiste woordvolgorde en een passende stijl. Vooral het onderscheid tussen that, what, whether en if is belangrijk.

Voor Nederlandstaligen voelt veel vertrouwd: Ik weet wat je bedoelt lijkt sterk op I know what you mean. Toch zijn er valkuilen. Engels gebruikt in een indirecte vraag geen vraagwoordvolgorde, laat that soms weg en heeft bij whether en if beperkingen die het Nederlandse of niet zichtbaar maakt.

Zo werkt het

De functie in de grotere zin

Je kunt een nominale bijzin vaak vervangen door something, the answer of the fact. Dat is een nuttige test om haar functie te vinden.

Functie Patroon Voorbeeld Vervangingstest
Onderwerp bijzin + werkwoord What he said was true. Something was true.
Lijdend voorwerp werkwoord + bijzin I know what he said. I know something.
Naamwoordelijk deel onderwerp + koppelwerkwoord + bijzin The truth is that he left. The truth is this.
Aanvulling na voorzetsel voorzetsel + bijzin It depends on what he said. It depends on that.
Aanvulling bij zelfstandig naamwoord zelfstandig naamwoord + that-bijzin The fact that he left worried us. De bijzin vult fact inhoudelijk in.

That-bijzinnen: een bewering als inhoud

Een that-bijzin geeft de inhoud van een mededeling, gedachte, overtuiging of feit:

  • She believes that the plan will work.
  • The main issue is that we lack time.
  • That the data was incomplete became obvious later.

Na veel werkwoorden kan that worden weggelaten, vooral in gewone gesprekken: I think (that) you’re right. Weglaten is meestal niet mogelijk wanneer de bijzin zelf vooraan als onderwerp staat: That he refused was unexpected. Ook na een zelfstandig naamwoord blijft that doorgaans staan: the possibility that prices will rise.

Een lange that-bijzin als onderwerp klinkt zwaar. Engels zet daarom vaak voorlopig it vooraan en verplaatst de inhoud naar achteren. Dit heet extrapositie (een zware zinsdeelgroep naar het einde schuiven):

  • Formeler/zwaarder: That she resigned was surprising.
  • Gewoner: It was surprising that she resigned.

Het it verwijst hier niet naar een concreet ding; het houdt alleen de onderwerpsplaats bezet.

Wh-bijzinnen: informatie met een open plek

Een wh-bijzin begint onder meer met what, who, which, where, when, why of how. Vaak is het een ingebedde vraag: een vraag die deel uitmaakt van een andere zin.

  • Directe vraag: Where does Maya live?
  • Ingebedde vraag: Do you know where Maya lives?

De ingebedde vraag heeft mededelende woordvolgorde. Gebruik dus geen omkering van onderwerp en werkwoord en voeg geen vragend do/does/did toe. Alleen de hoofdzin kan vraagvorm hebben: Do you know where Maya lives?

Sommige wh-bijzinnen zijn geen indirecte verzoeken om informatie, maar betekenen ongeveer ‘datgene wat’ of ‘de persoon die’. In What matters is your health betekent what matters ‘datgene wat telt’. Zo’n vorm heet ook een vrije betrekkelijke bijzin: er staat geen zelfstandig naamwoord vóór dat door de bijzin wordt beschreven.

Let vooral op het verschil:

Vorm Betekenis Voorbeeld
that + volledige bewering het feit/de bewering dat… I know that she called.
what + onvolledige inhoud wat/datgene wat… I know what she bought.
the thing(s) that + betrekkelijke bijzin het ding/de dingen die… I know the things that she bought.

In what she bought vervult what zelf een functie binnen de bijzin: het is wat zij kocht. In that she called is that alleen een voegwoord; she called is zonder that al een volledige mededeling.

Whether en if: ja-of-nee-inhoud

Bij een ingebedde ja-neevraag gebruik je whether of vaak if:

  • I don’t know whether he’ll come.
  • I don’t know if he’ll come.

In veel voorwerpsbijzinnen zijn beide natuurlijk. Whether is iets formeler en legt vaak duidelijker nadruk op twee mogelijkheden. Met or not zijn er twee patronen: whether or not he’ll come en whether he’ll come or not. Bij if staat or not normaal achteraan: if he’ll come or not.

Kies whether, niet if, in deze belangrijke situaties:

  • direct na een voorzetsel: It depends on whether we have enough time.
  • vóór een infinitief (de onverbogen werkwoordsvorm met to): We must decide whether to stay.
  • als de bijzin vooraan onderwerp is: Whether it will work remains unclear.
  • meestal vóór or not: She asked whether or not we agreed.

Pas op dat if ook ‘als/indien’ kan betekenen. Tell me if you need help kan, afhankelijk van de context, betekenen ‘laat het me weten óf je hulp nodig hebt’ of ‘laat het me weten als je hulp nodig hebt’. Whether voorkomt die dubbelzinnigheid wanneer twee mogelijkheden bedoeld zijn.

Nominale bijzinnen na voorzetsels en zelfstandige naamwoorden

Na een voorzetsel zijn wh-bijzinnen en whether-bijzinnen heel normaal:

  • We talked about what had happened.
  • Success depends on how carefully you prepare.
  • They disagreed over whether the rule was fair.

Een gewone that-bijzin volgt in standaardgebruik niet rechtstreeks op een voorzetsel. Niet about that he left, maar bijvoorbeeld about the fact that he left. De combinatie the fact that maakt van de inhoud een naamwoordgroep die wel na het voorzetsel kan staan.

Na zelfstandige naamwoorden zoals fact, idea, claim, possibility, news en hope geeft een that-bijzin de inhoud van dat woord: the claim that the product is safe. Dit is iets anders dan een betrekkelijke bijzin. Vergelijk:

  • the claim that the product is safe — de bijzin vertelt wat de bewering inhoudt;
  • the claim that we investigated — de bijzin vertelt welke bewering we onderzochten, en that is daarin het lijdend voorwerp van investigated.

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Toelichting
What matters is your health. Wat telt, is je gezondheid. Vrije betrekkelijke bijzin als onderwerp.
I don’t know whether he’ll come. Ik weet niet of hij komt. Ingebedde ja-neevraag.
The fact that he lied is concerning. Het feit dat hij heeft gelogen, is zorgwekkend. That-bijzin vult fact inhoudelijk in.
It depends on what you want. Het hangt ervan af wat je wilt. Wh-bijzin na een voorzetsel.
We all assumed that the meeting had been cancelled. We gingen er allemaal van uit dat de vergadering was afgelast. That-bijzin als voorwerp.
Could you explain why the figures differ? Kun je uitleggen waarom de cijfers verschillen? Geen vraagwoordvolgorde na why.
The question is whether we can afford it. De vraag is of we het kunnen betalen. Bijzin als naamwoordelijk deel na is.
Whoever finishes first can lock the door. Wie het eerst klaar is, kan de deur op slot doen. Whoever betekent ‘wie dan ook die’.
I’m interested in how the system works. Ik ben benieuwd hoe het systeem werkt. Wh-bijzin na in.
It surprised me that nobody objected. Het verbaasde me dat niemand bezwaar maakte. Voorlopig it met de inhoud achteraan.
We haven’t decided whether to appeal. We hebben nog niet besloten of we in beroep gaan. Whether vóór een infinitief.
Take whichever seat is free. Neem de stoel die vrij is, welke dat ook is. Vrije betrekkelijke bijzin met vrije keuze.
There is some doubt about whether the evidence is reliable. Er bestaat enige twijfel over de vraag of het bewijs betrouwbaar is. Whether, omdat de bijzin op about volgt.
She told me what I needed to hear, not what I wanted to hear. Ze vertelde me wat ik moest horen, niet wat ik wilde horen. Twee parallelle what-bijzinnen.

Veelgemaakte fouten

Vraagwoordvolgorde gebruiken in een ingebedde vraag

  • Onjuist: I wonder where is the station.
  • Juist: I wonder where the station is.
  • Waarom: Alleen een directe vraag heeft hier omkering. Na I wonder staat het onderwerp vóór het werkwoord.

Do laten staan uit de directe vraag

  • Onjuist: Can you tell me what does this button do?
  • Juist: Can you tell me what this button does?
  • Waarom: Does hoort bij de vorming van een directe vraag. De ingebedde bijzin gebruikt gewone woordvolgorde en de persoonsvorm does als hoofdwerkwoord.

That en what verwisselen

  • Onjuist: I understand that you mean.
  • Juist: I understand what you mean.
  • Waarom: Er ontbreekt binnen de bijzin iets: je bedoelt wat? What vult die plaats. In I understand that you’re worried is you’re worried wel een volledige bewering.

If gebruiken waar alleen whether past

  • Onjuist: We argued about if the proposal was realistic.
  • Juist: We argued about whether the proposal was realistic.
  • Waarom: Direct na een voorzetsel zoals about gebruik je voor twee mogelijkheden whether.

Een that-bijzin rechtstreeks achter een voorzetsel zetten

  • Onjuist: She was upset about that the deadline had changed.
  • Juist: She was upset about the fact that the deadline had changed.
  • Waarom: Een gewone that-bijzin kan niet rechtstreeks de aanvulling van about zijn. Voeg the fact toe of formuleer om: She was upset that the deadline had changed.

That ten onrechte weglaten bij een onderwerp

  • Onjuist: He refused was obvious.
  • Juist: That he refused was obvious.
  • Nog natuurlijker: It was obvious that he refused.
  • Waarom: Zonder that is de grens tussen de onderwerpsbijzin en de hoofdzin onduidelijk. Extrapositie met it klinkt meestal vloeiender.

Gebruiksnotities

In gesprekken wordt that na veel voorkomende werkwoorden vaak niet uitgesproken: I think you’re right, She said she was tired. In formele of complexe teksten kan that de structuur juist verduidelijken. Dat geldt vooral als er woorden tussen het hoofdwerkwoord en de bijzin staan: The report concludes, after a detailed review, that further action is needed.

Een nominale bijzin als onderwerp is grammaticaal correct, maar lange bijzinnen vooraan geven een formele, soms academische indruk. It is clear that the policy failed is doorgaans natuurlijker dan That the policy failed is clear. De vooropgeplaatste versie is wel bruikbaar wanneer juist de inhoud sterk tegenover iets anders wordt gezet.

Nederlandse of correspondeert niet altijd met Engels if. Na een voorzetsel, vóór to + werkwoord en in formele contrasten is whether de veilige keuze. Omgekeerd betekent Nederlands wat soms Engels that which in zeer formele stijl, maar in modern alledaags Engels is what vrijwel altijd natuurlijker: What we need is time.

The fact that is nuttig, maar kan in zakelijke teksten omslachtig worden als het niets toevoegt. We regret the fact that the order was delayed kan meestal korter als We regret that the order was delayed. Na een voorzetsel is the fact that echter vaak grammaticaal nodig.

Verder dan de basis

Vrije betrekkelijke bijzinnen met -ever

Vormen als whatever, whoever, whichever, wherever, whenever kunnen een open keuze of onverschilligheid uitdrukken:

  • Choose whichever option suits you best.
  • Whoever approved this must explain the decision.
  • We’ll support you whatever you decide.

De precieze functie verschilt. Whoever approved this is een naamwoordelijke groep en onderwerp. In whatever you decide kan de bijzin ook een toegevende betekenis krijgen: ‘wat je ook beslist’. De context bepaalt dus of de nadruk op een onbekende identiteit, vrije keuze of toegeving ligt.

The fact that en factieve werkwoorden

Sommige werkwoorden veronderstellen normaal dat de inhoud van hun bijzin waar is. Bij She regrets that she left presenteert de spreker haar vertrek als een feit. Zulke werkwoorden worden factief genoemd (ze behandelen de bijzin als feit), bijvoorbeeld regret, realise en discover. Bij She claims that she left bevestigt de spreker de waarheid niet; alleen de bewering wordt gemeld. Dit verschil is belangrijk bij nauwkeurig academisch en journalistiek schrijven.

Een wh-woord plus to-infinitief

Na werkwoorden als know, decide, explain, remember en wonder kan een wh-woord gevolgd worden door to + werkwoord:

  • I don’t know what to say.
  • She showed us how to reset the device.
  • We need to decide where to meet.

Het niet-uitgedrukte onderwerp is meestal af te leiden uit de context. She showed us how to reset it betekent doorgaans hoe wij het kunnen resetten. Niet elk wh-woord werkt hetzelfde: bij een ja-neekeuze gebruik je whether to, nooit if to.

De aanvoegende vorm in formele that-bijzinnen

Na woorden die een eis, advies of noodzaak uitdrukken, gebruikt vooral Amerikaans Engels soms de mandative subjunctive (een formele werkwoordsvorm voor wat geëist of aanbevolen wordt): They recommended that she apply immediately en It is essential that every member be present. De vorm heeft geen -s in de derde persoon en gebruikt be, niet is. Brits Engels gebruikt daarnaast vaak should: They recommended that she should apply. Dit is een speciaal type that-bijzin en geen algemene regel voor nominale bijzinnen.

Oefentips

  1. Bouw indirecte vragen om. Neem vijf directe vragen, zoals Where does she work?, en zet er telkens Do you know…? of I wonder… voor. Controleer daarna of onderwerp en werkwoord weer in mededelende volgorde staan.
  2. Doe de vervangingstest. Onderstreep in een nieuwsartikel bijzinnen met that, what, why en whether. Vraag per geval of de hele bijzin vervangen kan worden door something, the answer of the fact en benoem daarna haar functie.
  3. Oefen Nederlandse ‘of’ bewust. Maak paren met if en whether en noteer waarom slechts één vorm mogelijk is: na een voorzetsel, vóór to + werkwoord en als vooropgeplaatst onderwerp.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Relatieve bijzinnen met *where*, *when* en *whose* in het EngelsB1

Meer C1-concepten