Objectvoornaamwoorden in het Engels
Object Pronouns
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.
In het kort
De Engelse objectvoornaamwoorden zijn me, you, him, her, it, us en them. Ze vervangen een persoon, dier of zaak die de handeling ondergaat, en staan ook na een voorzetsel: She called him, Come with us en This is for them. Vergelijk de onderwerpvormen I, he, she, we, they met de objectvormen me, him, her, us, them.
Overzicht
In Maya sees Daniel doet Maya iets en wordt Daniel gezien. Maya is daarom het onderwerp (degene die de handeling uitvoert) en Daniel het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). Om de naam Daniel niet te herhalen, kun je zeggen: Maya sees him. Het woord him is een objectvoornaamwoord.
Objectvoornaamwoorden komen al op A1 aan bod, omdat ze in de eenvoudigste gesprekken nodig zijn: Call me, I know her, Can you hear us? en I bought it for them. Ze kunnen een direct object vervangen, maar ook een indirect object (de persoon die iets krijgt of voor wie iets gebeurt). Bovendien gebruikt het Engels dezelfde vormen na voorzetsels als for, with, to en about.
Voor Nederlandstaligen is het idee vertrouwd: mij/me, jou/je, hem, haar, ons en hen/hun/ze vervullen vergelijkbare functies. De systemen vallen echter niet precies samen. Het Engels heeft één vorm you voor jou, u en jullie, en één objectvorm them waar het Nederlands onder meer hen, hun en ze kan hebben. Ook kiest een Engels werkwoord soms een ander voorzetsel dan zijn Nederlandse tegenhanger. Leer daarom niet alleen losse voornaamwoorden, maar ook korte combinaties zoals listen to her en wait for me.
Zo werkt het
Het volledige rijtje
| Persoon | Onderwerpvorm | Objectvorm | Gebruikelijke Nederlandse weergave |
|---|---|---|---|
| eerste persoon enkelvoud | I | me | ik → mij/me |
| tweede persoon enkelvoud en meervoud | you | you | jij/u/jullie → jou/u/jullie/je |
| derde persoon enkelvoud, mannelijk | he | him | hij → hem |
| derde persoon enkelvoud, vrouwelijk | she | her | zij → haar |
| derde persoon enkelvoud, zaak/dier | it | it | het → het/hem/haar |
| eerste persoon meervoud | we | us | wij → ons |
| derde persoon meervoud | they | them | zij → hen/hun/ze |
Bij you en it is de onderwerpvorm toevallig gelijk aan de objectvorm. De functie blijkt uit de plaats in de zin:
- You understand me. — you is onderwerp.
- I understand you. — you is object.
- It works. — it is onderwerp.
- I fixed it. — it is object.
Een object na het werkwoord
Het basispatroon is:
onderwerp + werkwoord + objectvoornaamwoord
- I trust her. — Ik vertrouw haar.
- They invited us. — Ze hebben ons uitgenodigd.
- We need it. — We hebben het nodig.
Ook in vragen, ontkenningen en zinnen met hulpwerkwoorden blijft de objectvorm staan. Woorden als do, can en will veranderen daar niets aan:
- Do you know him?
- She doesn’t believe me.
- Can they hear us?
- I’ll call you tonight.
Niet ieder Nederlands lijdend voorwerp wordt op precies dezelfde manier Engels. Nederlands zegt bijvoorbeeld iemand helpen en Engels eveneens help someone, maar naar iemand luisteren wordt listen to someone. Kijk dus eerst naar de Engelse constructie en vervang daarna de persoon of zaak door de juiste vorm.
Na een voorzetsel
Een voorzetsel is een kort woord dat een relatie uitdrukt, bijvoorbeeld plaats, richting of betrokkenheid. Na een Engels voorzetsel staat een objectvorm:
| Combinatie | Nederlandse betekenis |
|---|---|
| for me | voor mij |
| with you | met jou/u/jullie |
| about him | over hem |
| next to her | naast haar |
| behind it | erachter/achter het |
| between us | tussen ons |
| from them | van hen/ze |
Deze regel geldt ook wanneer het voorzetsel bij een werkwoord hoort. De hele combinatie moet dan worden geleerd:
- look at them — naar hen kijken
- wait for her — op haar wachten
- listen to him — naar hem luisteren
- talk about it — erover praten
- depend on us — van ons afhangen
Een Nederlandse vertaling bevat niet altijd hetzelfde voorzetsel. In ask her staat zelfs helemaal geen voorzetsel, hoewel aan haar vragen mogelijk is in het Nederlands. Zeg dus Ask her, niet Ask to her.
Direct en indirect object
Een direct object is de persoon of zaak waarop de handeling direct gericht is. Een indirect object is meestal de ontvanger: aan wie of voor wie iets wordt gegeven, verteld of gekocht.
- Leo sent me a photo. — me is de ontvanger; a photo is wat hij stuurde.
- Leo sent it to me. — it vervangt de foto; me staat na to.
Bij werkwoorden als give, send, show, tell en lend zijn vaak twee patronen mogelijk:
| Patroon | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|
| werkwoord + ontvanger + zaak | Show me the email. | Laat mij de e-mail zien. |
| werkwoord + zaak + to + ontvanger | Show the email to me. | Laat de e-mail aan mij zien. |
Bij buy, make en cook geeft for vaak aan voor wie iets bestemd is: I made her some tea of I made some tea for her.
Zijn zowel de zaak als de ontvanger een voornaamwoord, dan is zaak + to/for + persoon gewoonlijk de natuurlijke en veilige volgorde: Give it to him, Send them to us, I bought it for her. Een vorm als Give him it komt regionaal voor, maar is geen goed algemeen beginnersmodel.
Verwijzen naar dingen, dieren en mensen
Gebruik it voor één ding, idee of situatie waarvan het grammaticale geslacht niet van belang is:
- Where is my ticket? I can’t find it.
- I understand the rule, but I can’t explain it.
Voor een onbekend dier is it mogelijk. Bij een huisdier waarvan het geslacht bekend is, kiezen sprekers meestal him of her: Our cat is called Bella. We adopted her last year. Voor meerdere dingen, dieren of mensen gebruik je them: The keys are upstairs. Can you get them?
Voorbeelden in context
| Engels | Nederlands | Opmerking |
|---|---|---|
| She loves him. | Ze houdt van hem. | him vervangt een man of jongen als object. |
| Can you help me? | Kun je me helpen? | me staat na help. |
| I’ll call you after work. | Ik bel je na het werk. | you kan enkelvoud, meervoud of beleefd zijn. |
| We met her at the station. | We ontmoetten haar op het station. | her is hier object, niet bezit. |
| The box is heavy. Put it here. | De doos is zwaar. Zet hem hier. | Engels gebruikt it voor de doos. |
| Our neighbours invited us for dinner. | Onze buren nodigden ons uit voor het eten. | us verwijst naar de spreker en anderen. |
| I know them from work. | Ik ken hen/ze van het werk. | them kan naar meerdere mensen verwijzen. |
| He’s waiting for us outside. | Hij wacht buiten op ons. | wait wordt gecombineerd met for. |
| Please give it to them. | Geef het alsjeblieft aan hen. | Eerst de zaak, daarna de ontvanger met to. |
| She told me the truth. | Ze vertelde me de waarheid. | me is de persoon die de informatie krijgt. |
| This seat is for her. | Deze plaats is voor haar. | Na for komt de objectvorm. |
| Don’t talk about him like that. | Praat niet zo over hem. | him volgt op about. |
| Could you pick them up at eight? | Kun je hen om acht uur ophalen? | Bij pick up staat het voornaamwoord tussen beide delen. |
| The teacher spoke to Sam and me. | De docent sprak met Sam en mij. | Ook in een combinatie blijft me object. |
| Alex left early; I saw them at the station. | Alex vertrok vroeg; ik zag diegene op het station. | Enkelvoudig them kan naar één persoon verwijzen. |
Veelgemaakte fouten
Een onderwerpvorm na een werkwoord zetten
- Fout: I see she every morning.
- Goed: I see her every morning.
- Waarom: Degene die ziet is I; degene die gezien wordt is het object her. She kan zelf onderwerp zijn: She sees me.
I gebruiken na een voorzetsel
- Fout: This stays between you and I.
- Goed: This stays between you and me.
- Waarom: Between is een voorzetsel en wordt gevolgd door de objectvorm me. Between you and I wordt wel gehoord, vaak als overcorrectie, maar geldt niet als de neutrale standaardvorm.
They en them omwisselen
- Fout: Them live next door of I invited they.
- Goed: They live next door en I invited them.
- Waarom: They voert in de eerste zin de handeling uit; them ondergaat in de tweede zin de handeling.
Een Nederlands voorzetsel letterlijk meenemen
- Fout: Listen her of Ask to him.
- Goed: Listen to her en Ask him.
- Waarom: Engelse werkwoorden hebben hun eigen patroon. Naar iemand luisteren vraagt to, maar bij ask someone staat geen to.
Her altijd als bezittelijk lezen
- Fout idee: I called her zou onvolledig zijn omdat na her nog een zelfstandig naamwoord moet komen.
- Goed: I called her betekent “Ik belde haar.”
- Waarom: Her is zowel objectvorm als bezittelijk woord. In her phone is het bezittelijk; in call her en with her is het een objectvoornaamwoord.
Een gewoon object gebruiken waar een wederkerende vorm nodig is
- Fout: He hurt him wanneer hij zichzelf pijn deed.
- Goed: He hurt himself.
- Waarom: Him verwijst normaal naar een andere man of jongen. Wanneer onderwerp en object dezelfde persoon zijn, gebruikt Engels vaak een wederkerend voornaamwoord als myself, yourself of himself.
Gebruiksnotities
You maakt geen onderscheid tussen jij, u en jullie. De situatie en formulering tonen de bedoeling. Can you wait here? kan tegen één vriend, een klant of een hele groep worden gezegd. Beleefdheid wordt vooral uitgedrukt met toon en woorden als please, could en would, niet met een ander objectvoornaamwoord. In informele varianten bestaan meervoudsvormen als you all, y’all en you guys, maar neutraal standaardengels gebruikt eenvoudig you.
Engels heeft geen apart verschil dat overeenkomt met het Nederlandse schoolonderscheid tussen hen en hun. Als object is them in al deze gewone gevallen correct: I saw them, I spoke to them, I gave them the keys. In snelle spraak kan them sterk onbeklemtoond klinken, maar in normale spelling blijft het them.
Modern Engels gebruikt they/them ook voor één persoon wanneer het gender onbekend of niet relevant is, of wanneer die persoon zelf deze voornaamwoorden gebruikt: Someone left their coat. I hope we can find them. Het werkwoord bij enkelvoudig they staat grammaticaal in het meervoud: They are here, niet They is here. Als object zelf verandert them niet.
Objectvoornaamwoorden kunnen extra klemtoon krijgen voor tegenstelling: I asked her, not him. In het Nederlands wordt dezelfde tegenstelling vaak ook door klemtoon duidelijk. Een zelfstandig objectvoornaamwoord als kort antwoord is in informeel Engels heel normaal: Who wants coffee? — Me! De onderwerpvorm I! klinkt daar niet natuurlijk.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze verklaren vormen die je vaak zult tegenkomen.
Na be en in korte identificaties
In alledaags modern Engels zegt men It’s me, That’s him en This is her. Een zeer formele traditionele vorm als It is I bestaat, maar klinkt tegenwoordig meestal ouderwets, plechtig of bewust theatraal. Gebruik in een normaal gesprek dus gerust It’s me.
Ook na than zijn twee constructies mogelijk:
- She is older than me. — gewoon en natuurlijk in de meeste situaties.
- She is older than I am. — een volledige bijzin, vaak iets nadrukkelijker of formeler.
De vorm than I zonder am komt voor in formele stijl, maar is voor dagelijks gebruik niet nodig.
Objecten met and
In The manager called Sara and me is de hele woordgroep het object. Daarom blijft me correct, ook al klinkt Sara and I voor sommige sprekers geleerd of beleefd. Test de vorm door de andere naam weg te laten: The manager called me, niet called I. Dezelfde test werkt na een voorzetsel: for Daniel and her, want je zegt ook for her.
Plaats bij werkwoorden met een partikel
Een phrasal verb is een werkwoord met een kort tweede deel, zoals turn off, pick up of write down. Bij scheidbare combinaties moet een objectvoornaamwoord meestal tussen de twee delen staan:
- Turn it off. — niet Turn off it.
- Pick them up. — niet Pick up them.
- Write it down. — niet Write down it.
Niet elke combinatie is scheidbaar. Na een echt voorzetsel blijft het object erachter: look after her, run into him, listen to them. Het betrouwbaarst is om zo’n werkwoord als complete combinatie met een voorbeeldzin te leren.
Gewoon object of wederkerend voornaamwoord
Engels gebruikt een vorm op -self of -selves als de handelende en getroffen persoon dezelfde is: I introduced myself, They blamed themselves. Een gewoon objectvoornaamwoord wijst meestal naar iemand anders: I introduced him. Toch zijn niet alle Nederlandse wederkerende constructies ook wederkerend in het Engels. Nederlands zegt ik voel me moe, maar Engels zegt I feel tired, zonder myself. Dit is een apart patroon dat je het beste per werkwoord leert.
Oefentips
- Leer onderwerp en object als contrastpaar. Zeg hardop: I–me, he–him, she–her, we–us, they–them. Maak daarna omkeerzinnen, bijvoorbeeld She knows me / I know her en They called us / We called them.
- Bouw zinnen rond vaste combinaties. Oefen niet alleen her of us, maar wait for her, listen to him, talk to them, come with us. Zo voorkom je dat je Nederlandse voorzetsels letterlijk overzet.
- Vervang namen stap voor stap. Begin met Nora gave the book to Amir. Vervang eerst één deel: Nora gave it to Amir; daarna beide: She gave it to him. Controleer bij ieder woord wie handelt, wat wordt gegeven en wie het ontvangt.
Gerelateerde concepten
- Vooraf: Onderwerpsvoornaamwoorden — leer eerst wanneer je I, you, he, she, it, we en they als onderwerp gebruikt.
Vereiste kennis
Onderwerpsvoornaamwoorden in het EngelsA1Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Object Pronouns in Engels met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Engels · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen