A1

Onderwerpsvoornaamwoorden in het Engels

Subject Pronouns

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.

In het kort

De Engelse onderwerpsvoornaamwoorden zijn I, you, he, she, it, we en they. Ze geven aan wie of wat iets doet of is: She works, It is cold, They are here. Een Engelse zin heeft meestal een zichtbaar onderwerp nodig; let bovendien op de hoofdletter in I en op you, dat zowel jij, u als jullie kan betekenen.

Overzicht

Een onderwerpsvoornaamwoord vervangt een naam of naamwoordgroep die het onderwerp is: de persoon of zaak over wie of waarover het werkwoord iets zegt. Zo wordt Emma lives in Leeds korter als She lives in Leeds. En in The keys are on the table kun je the keys vervangen door they: They are on the table.

Dit onderwerp hoort bij niveau A1, omdat bijna elke Engelse zin een onderwerp nodig heeft. De keuze van het voornaamwoord bepaalt soms ook de werkwoordsvorm: I am, maar he is; we work, maar she works. Wie de voornaamwoorden goed herkent, heeft daarom meteen een stevig vertrekpunt voor de tegenwoordige tijd.

Voor Nederlandstaligen lijken de vormen vertrouwd, maar de talen delen de personen niet precies hetzelfde in. Engels heeft één vorm you voor jij, je, u en jullie. Daartegenover gebruikt Engels it veel vaker als grammaticaal onderwerp, bijvoorbeeld bij weer, tijd en afstand. Ook kan Engels het onderwerp minder gemakkelijk weglaten dan informeel Nederlands.

Hoe het werkt

De zeven basisvormen

Een grammaticale persoon geeft aan wie spreekt, wie wordt aangesproken of over wie wordt gesproken. De eerste persoon is de spreker, de tweede persoon is de aangesprokene en de derde persoon is iemand of iets anders.

Persoon Enkelvoud Meervoud Gewone Nederlandse weergave
eerste persoon I we ik / wij, we
tweede persoon you you jij, je, u / jullie
derde persoon he, she, it they hij, zij, ze, het / zij, ze

De tabel laat meteen een belangrijk verschil zien: bij you kun je zonder context niet zien of één of meer mensen worden aangesproken. Are you ready? kan dus Ben je klaar?, Bent u klaar? of Zijn jullie klaar? betekenen. De situatie maakt de bedoeling duidelijk.

Het onderwerp staat vóór het werkwoord

In een gewone mededelende zin staat het patroon meestal zo:

onderwerp + werkwoord + rest van de zin

  • I study English. — Ik studeer Engels.
  • He works at home. — Hij werkt thuis.
  • They like this café. — Ze vinden dit café leuk.

Bij vragen komt een hulpwerkwoord (een werkwoord dat helpt om bijvoorbeeld een vraag of ontkenning te vormen) vaak vóór het onderwerp:

  • Do you live here? — Woon je hier?
  • Is she your manager? — Is zij je manager?
  • Can they help us? — Kunnen zij ons helpen?

Het voornaamwoord blijft ook dan het onderwerp, ook al staat het niet vooraan.

I en we: de spreker

Gebruik I voor jezelf als afzonderlijke spreker. I wordt altijd met een hoofdletter geschreven, ook midden in een zin:

  • Marta and I work together. — Marta en ik werken samen.
  • I think it is fine. — Ik denk dat het prima is.

Gebruik we als de spreker zichzelf samen met een of meer anderen bedoelt. Uit we alleen blijkt niet altijd of de luisteraar erbij hoort. We need to leave kan betekenen dat spreker en luisteraar moeten vertrekken, maar ook dat de spreker met een andere groep weg moet.

You: jij, u én jullie

Engels maakt in het voornaamwoord geen onderscheid tussen informeel en beleefd aanspreken. You past bij een vriend, een onbekende, een klant, één persoon en een groep. Beleefdheid blijkt uit de formulering, de toon en woorden als please, niet uit een afzonderlijke vorm die overeenkomt met Nederlands u:

  • Could you sign here, please? — Zou u hier willen tekenen?
  • Are you two coming with us? — Gaan jullie twee met ons mee?

Als meervoud verduidelijking nodig heeft, gebruikt men in informeel Engels soms you all, you guys of regionale vormen. Voor een beginner is gewoon you altijd de veilige neutrale keuze.

He, she en it: enkelvoud

Gebruik doorgaans he voor een man of jongen en she voor een vrouw of meisje. Het gaat om de persoon naar wie je verwijst, niet om het grammaticale geslacht van een Nederlands zelfstandig naamwoord:

  • My brother is a nurse. He works at night.
  • Our new director starts today. She is from Dublin.

Gebruik it voor één ding, een begrip of vaak een dier waarvan het geslacht niet relevant of niet bekend is:

  • The phone is new. It was expensive.
  • Where is the dog? It is in the garden.

Bij een huisdier of ander dier waarvan het geslacht bekend en belangrijk is, zijn he en she heel normaal. Bij schepen, landen en organisaties is it in neutraal modern Engels de gebruikelijke keuze, ook als oudere of beeldende teksten soms she gebruiken.

They: meervoud en soms één persoon

Gebruik they voor twee of meer personen, dieren of dingen. Anders dan Nederlands zij/ze maakt Engels in de derde persoon meervoud geen onderscheid naar geslacht:

  • Tom and Aisha are late. They missed the bus.
  • The windows are open. They need to be closed.

They kan daarnaast naar één persoon verwijzen als het geslacht onbekend, niet relevant of niet als he of she aangeduid is. Dit heet enkelvoudig they:

  • Someone left their umbrella. They may come back for it. — Iemand heeft zijn of haar paraplu laten liggen. Misschien komt diegene ervoor terug.
  • Alex said they would call later. — Alex zei dat die later zou bellen.

Deze vorm is heel gewoon in hedendaags Engels. Het bijbehorende werkwoord blijft grammaticaal meervoud: they are, nooit they is.

It als leeg onderwerp

Soms verwijst it niet naar een concreet ding. Het vult dan de verplichte onderwerpsplaats. Nederlands gebruikt vaak ook het, maar niet altijd op dezelfde manier.

Functie Engels Nederlands
weer It is raining. Het regent.
tijd It is half past six. Het is halfzeven.
afstand It is ten kilometres from here. Het is tien kilometer hiervandaan.
algemene situatie It is difficult to choose. Het is moeilijk om te kiezen.

Laat it in zulke volledige Engelse zinnen niet weg. Is raining is geen gewone correcte mededeling.

Onderwerpsvorm of voorwerpsvorm?

Een voorwerp is iemand of iets dat bij de handeling betrokken is, bijvoorbeeld degene die gezien of geholpen wordt. Engelse voornaamwoorden hebben daarvoor andere vormen. Vergelijk:

Als onderwerp Als voorwerp Voorbeeld
I me I know her. / She knows me.
you you You called us. / We called you.
he him He sees them. / They see him.
she her She helps me. / I help her.
it it It works. / I fixed it.
we us We agree. / He asked us.
they them They arrived. / I met them.

Voor deze les is de praktische regel: kies I, he, she, we of they als die persoon of groep het werkwoord uitvoert of de beschreven toestand heeft.

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Opmerking
I am a student. Ik ben student. I is altijd een hoofdletter.
You look tired. Je ziet er moe uit. Eén persoon, informeel.
Are you ready, Mr Brown? Bent u klaar, meneer Brown? Dezelfde vorm bij beleefd aanspreken.
You are all welcome. Jullie zijn allemaal welkom. All maakt het meervoud duidelijk.
He takes the train to work. Hij neemt de trein naar zijn werk. Derde persoon enkelvoud.
She is from London. Zij komt uit Londen. She verwijst naar een vrouw.
My laptop is old, but it still works. Mijn laptop is oud, maar hij doet het nog. Engels it kan Nederlands hij zijn.
It is cold today. Het is vandaag koud. It bij het weer.
We are happy with the result. We zijn blij met het resultaat. De spreker plus anderen.
They live in New York. Ze wonen in New York. Meerdere personen.
The documents are here. They are on my desk. De documenten zijn hier. Ze liggen op mijn bureau. They verwijst ook naar dingen.
Someone is at the door. They have a package. Er staat iemand voor de deur. Diegene heeft een pakket. Enkelvoudig they bij onbekend geslacht.
Does she speak Dutch? Spreekt zij Nederlands? In een vraag staat she na does.
Milan and I cook together on Fridays. Milan en ik koken op vrijdag samen. De spreker en een genoemde persoon vormen we.

Veelgemaakte fouten

1. I met een kleine letter schrijven

  • Fout: My sister and i live in Rotterdam.
  • Goed: My sister and I live in Rotterdam.
  • Waarom: Het Engelse voornaamwoord I krijgt altijd een hoofdletter, ongeacht zijn plaats in de zin.

2. Het onderwerp helemaal weglaten

  • Fout: Is very busy today.
  • Goed: It is very busy today.
  • Waarom: Een gewone Engelse mededeling heeft vrijwel altijd een onderwerp. Een Nederlands zinnetje als Is druk vandaag klinkt informeel maar begrijpelijk; dezelfde verkorting werkt niet als neutrale Engelse zin.

3. He of she kiezen op basis van een Nederlands woord

  • Fout: The table is heavy. He is made of wood.
  • Goed: The table is heavy. It is made of wood.
  • Waarom: Dat tafel in het Nederlands met hij kan worden hervat, maakt de tafel in het Engels niet mannelijk. Voor gewone dingen gebruik je it.

4. Een aparte Engelse vorm voor u zoeken

  • Fout: Is your ready? als vertaling van Bent u klaar?
  • Goed: Are you ready?
  • Waarom: You dekt jij, u en jullie. Your betekent jouw/uw/jullie en staat vóór een zelfstandig naamwoord, zoals in your coat.

5. De voorwerpsvorm als onderwerp gebruiken

  • Fout: Me and Sam are colleagues.
  • Goed in neutrale, verzorgde taal: Sam and I are colleagues.
  • Waarom: De hele woordgroep is onderwerp, dus de formeel verwachte vorm is I, niet me. In losse spreektaal hoor je me and Sam wel, maar neem dat niet als basispatroon over.

6. They met is combineren

  • Fout: They is my new neighbour.
  • Goed: They are my new neighbour.
  • Waarom: Ook als they naar één persoon verwijst, combineert het met de meervoudsvorm are.

Gebruiksnotities

In gesprekken worden onderwerp en werkwoord vaak samengetrokken: I’m, you’re, he’s, she’s, it’s, we’re, they’re. Zulke verkorte vormen zijn normaal in gesproken taal en informele teksten. In formele teksten kun je vaker de volledige vorm gebruiken. Verwar it’s (it is of it has) niet met its (zijn/haar bij een dier of ding): It’s lost its colour.

Engels kan een onderwerp soms wel weglaten, maar alleen in beperkte contexten. Opdrachten hebben meestal geen genoemd onderwerp: Come in! betekent dat de aangesproken you moet binnenkomen. In zeer informele berichten zie je ook Hope you’re well in plaats van I hope you’re well. Dat zijn vaste communicatieve verkortingen, geen algemene toestemming om onderwerpen weg te laten.

Bij you verschilt informeel meervoud per regio. You all is breed begrijpelijk; y’all komt vooral met Amerikaans-Engelse taalvarianten voor; you guys is informeel en wordt niet door iedereen als passend of inclusief ervaren. In formele of internationale situaties is you zonder toevoeging meestal het beste.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze al vroeg tegenkomen.

Verwijzen naar personen met they

Enkelvoudig they is niet alleen een noodoplossing bij someone of a person. Het is ook het voornaamwoord van mensen die zelf they gebruiken. Volg dan de vorm waarmee iemand zichzelf aanduidt. De werkwoordsvorm blijft they are, terwijl een wederkerend voornaamwoord zowel themselves als het steeds gebruikelijkere themself kan zijn, afhankelijk van stijl en voorkeur.

Formeel it en there uit elkaar houden

Zowel it als there kan een grammaticale plaats vullen zonder naar een gewoon zelfstandig naamwoord te verwijzen, maar ze doen niet hetzelfde:

  • It is cold outside. — Het is buiten koud.
  • There is a café outside. — Er is buiten een café.

Gebruik it voor weer, tijd, afstand en beoordelingen. Gebruik there is/are om te zeggen dat iets bestaat of aanwezig is. Nederlands er kan daardoor niet automatisch met it worden vertaald.

Nadruk en correctie

In gewone zinnen zijn de onderwerpsvormen neutraal, maar de uitspraak kan contrast maken: I ordered tea, not Leo. Na be en in korte antwoorden is de keuze tussen onderwerps- en voorwerpsvorm ingewikkelder. Zeer formeel luidt het bijvoorbeeld It is I, maar in hedendaagse spreektaal zegt vrijwel iedereen It’s me. De praktische les is dat de regels van de onderwerpsvorm niet zonder meer gelden na be of in losse antwoorden.

Verwijzen naar groepen en organisaties

In Amerikaans Engels worden bedrijven en teams meestal als enkelvoud behandeld: The company says it is ready. Brits Engels kan een groep ook als verzameling mensen opvatten: The team say they are ready. Beide patronen bestaan; houd binnen één tekst de gekozen benadering consequent.

Oefentips

  1. Maak een persoonlijke reeks. Schrijf voor elk voornaamwoord één ware of voorstelbare zin: I work..., You live..., He likes... enzovoort. Controleer daarbij meteen am/is/are en de -s bij he, she, it in de present simple.
  2. Vervang namen bewust. Neem korte zinnen als Nora is busy en The books are new. Vervang de naamwoordgroep door she of they. Doe daarna het omgekeerde om te controleren waarnaar het voornaamwoord verwijst.
  3. Vergelijk met het Nederlands. Markeer tijdens het lezen elk it en you. Vraag bij it of het Nederlands het, hij, zij of soms een andere constructie gebruikt; bepaal bij you uit de context of jij, u of jullie bedoeld is.

Verwante onderwerpen

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Subject Pronouns in Engels met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Engels · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen