A1

Voorzetsels van plaats in het Engels

Prepositions of Place

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.

In het kort

Gebruik in als iets zich binnen een ruimte of grens bevindt, on als iets contact maakt met een oppervlak en at als je een plek als punt bedoelt. Met under, behind, in front of, next to en between beschrijf je de positie van iets ten opzichte van iets anders. Vertaal Nederlandse voorzetsels niet woord voor woord: op school is bijvoorbeeld at school, maar op tafel is on the table.

Overzicht

Een voorzetsel is een klein woord dat een verband uitdrukt. Een voorzetsel van plaats vertelt waar iemand of iets zich bevindt: in the room, under the chair of next to the bank. Het woord of de woordgroep erna is het aanknopingspunt waarmee je de plaats beschrijft. In The keys are on the desk is the desk dus het oppervlak waarop de sleutels liggen.

Dit is basisstof op A1-niveau. Je hebt deze woorden nodig om te zeggen waar je woont, waar je op iemand wacht, waar spullen liggen en hoe een kamer of straat eruitziet. De Engelse woorden lijken vaak eenvoudig, maar één Nederlands voorzetsel heeft niet altijd één vaste Engelse vertaling. Op kan onder meer on of at worden; aan kan on, at of next to zijn.

Denk daarom eerst aan het ruimtelijke beeld. Is iets binnen een begrensde ruimte, op een oppervlak of bij een locatie die je als punt ziet? Die aanpak is betrouwbaarder dan letterlijk vertalen. Vaste combinaties moet je daarnaast als geheel leren, bijvoorbeeld at home, at work en in bed.

Hoe het werkt

De basiskeuze: in, on of at

Voorzetsel Basisbeeld Typische toepassingen Voorbeeld
in binnen een ruimte of grens kamers, gebouwen, steden, landen, bakken in the kitchen, in Amsterdam, in a box
on op of tegen een oppervlak tafels, vloeren, muren, planken on the floor, on the wall
at bij een punt of specifieke plek ontmoetingspunten, adressen, haltes, activiteitenlocaties at the door, at the station, at work

In: binnen grenzen

Gebruik in wanneer iemand of iets omsloten is of zich binnen een gebied bevindt:

  • The milk is in the fridge.
  • There are five people in the room.
  • She lives in Rotterdam.
  • They are in England.

De grens hoeft niet letterlijk een muur te zijn. Een stad, land, park of tuin kan in gedachten ook een begrensd gebied vormen: in the park, in the garden. Bij voertuigen waarin je als het ware zit opgesloten, gebruik je meestal ook in: in a car, in a taxi.

On: contact met een oppervlak

Gebruik on wanneer iets op een oppervlak ligt, staat of eraan vastzit:

  • Your phone is on the table.
  • There is mud on the floor.
  • The picture is on the wall.

Dat laatste verschilt van het Nederlands. Wij zeggen doorgaans aan de muur, maar het Engels kijkt naar het contact met het muuroppervlak en gebruikt on the wall. On komt ook voor bij verdiepingen en bepaalde vormen van openbaar vervoer: on the first floor, on the bus, on the train. Dat zijn vaste Engelse patronen; in een auto of taxi is het juist in.

At: een plek als punt

Gebruik at wanneer de exacte binnenkant of het oppervlak niet belangrijk is. De locatie wordt als een punt op een kaart of als bestemming gezien:

  • Meet me at the entrance.
  • She's at the station.
  • Someone is at the door.
  • We are at school.

Met at kan de activiteit van een plek centraal staan. He is at school betekent meestal dat hij op school is als leerling of voor de normale schoolactiviteit. He is in the school legt de nadruk op het feit dat hij zich binnen het schoolgebouw bevindt. Hetzelfde contrast bestaat bij at the hospital en in the hospital, al kunnen precieze gewoonten per variant van het Engels verschillen.

Bij een volledig adres is at gebruikelijk: at 18 King Street. Voor een straat zonder huisnummer gebruikt men vaak on: on King Street. Voor een wijk, stad of land gebruik je in: in the city centre, in London, in the UK.

Positie ten opzichte van iets anders

Voorzetsel Betekenis Eenvoudig beeld
under onder lager dan iets, vaak recht eronder
behind achter aan de achterkant van iets
in front of vóór / voor aan de voorkant van iets
next to naast direct of heel dicht ernaast
between tussen met aan beide kanten een duidelijk referentiepunt

Under geeft aan dat iets lager is dan iets anders: The cat is under the table. Contact is niet nodig. Voor een neutrale plaatsaanduiding is under meestal de eerste keuze; below betekent ook “lager dan”, maar niet noodzakelijk recht eronder.

Behind en in front of hangen af van de voorkant van een persoon, gebouw of voorwerp. The car is behind the house plaatst de auto aan de achterkant; The car is in front of the house aan de voorkant. Let op: in front of bestaat uit drie woorden en krijgt geen extra the middenin.

Next to betekent “naast”, doorgaans zeer dichtbij: Sit next to me. Near betekent alleen “in de buurt van” en kan dus een grotere afstand aanduiden.

Between gebruik je op beginnersniveau meestal bij twee afzonderlijke referentiepunten: The café is between the bank and the hotel. Het patroon is between A and B, niet between A to B.

Plaats in de zin

Het voorzetsel staat normaal direct vóór de naamwoordgroep (een zelfstandig naamwoord met eventuele extra woorden) die het aanknopingspunt noemt:

  • onderwerp + werkwoord + voorzetselgroep: The bag is under the chair.
  • there is/are + onderwerp + voorzetselgroep: There is a lamp next to the bed.
  • voorzetselgroep vooraan: On the wall, there is an old photograph.

Een voorzetselgroep is simpelweg het voorzetsel plus wat erbij hoort, bijvoorbeeld behind the green door. Bij een vraag kan het vraagwoord vooraan staan: What is under the bed? In alledaags Engels kan het voorzetsel aan het einde komen: Which room is she in?

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Toelichting
The cat is under the table. De kat zit onder de tafel. Under: lager dan de tafel.
She's at the station. Ze is op het station. De locatie geldt als punt of bestemming.
The picture is on the wall. De foto hangt aan de muur. Engels gebruikt on bij het muuroppervlak.
I live in London. Ik woon in Londen. In bij een stad.
Your keys are in the kitchen. Je sleutels liggen in de keuken. Binnen een kamer.
The notebook is on my desk. Het notitieboek ligt op mijn bureau. Contact met een oppervlak.
I'll wait for you at the entrance. Ik wacht op je bij de ingang. Een afgesproken punt.
The dog is behind the sofa. De hond zit achter de bank. Aan de achterkant van de bank.
A taxi is waiting in front of the hotel. Er wacht een taxi voor het hotel. Aan de voorkant van het hotel.
Marta is sitting next to Amir. Marta zit naast Amir. Direct ernaast.
The pharmacy is between the bakery and the bank. De apotheek ligt tussen de bakker en de bank. Patroon: between A and B.
There are two glasses on the shelf. Er staan twee glazen op de plank. Op een oppervlak.
We left our bags in the car. We hebben onze tassen in de auto laten liggen. In bij een auto.
I saw her on the bus. Ik zag haar in de bus. Vast patroon bij openbaar vervoer.
Someone is standing at the door. Er staat iemand bij de deur. At betekent hier “bij”.

Veelgemaakte fouten

At letterlijk door on vervangen

  • Fout: She is on the station.
  • Goed: She is at the station.
  • Waarom: Nederlands gebruikt “op het station”, maar Engels ziet het station hier als een locatiepunt. On the station is niet de gewone plaatsaanduiding.

In gebruiken bij een oppervlak

  • Fout: The book is in the table.
  • Goed: The book is on the table.
  • Waarom: Het boek ligt op het tafelblad en niet binnen in de tafel. Gebruik on voor contact met het oppervlak.

Het Nederlandse aan rechtstreeks vertalen

  • Fout: The clock is at the wall.
  • Goed: The clock is on the wall.
  • Waarom: Bij iets dat aan een muur bevestigd is, kiest het Engels on. At the wall betekent eerder “bij de muur”.

In front of en before verwarren

  • Fout: The bus stop is before the museum.
  • Goed: The bus stop is in front of the museum.
  • Waarom: Voor een ruimtelijke positie aan de voorkant gebruik je in front of. Before drukt vooral een volgorde in tijd of een routevolgorde uit.

Het verkeerde verbindingswoord na between

  • Fout: The shop is between the bank to the café.
  • Goed: The shop is between the bank and the café.
  • Waarom: De vaste bouw is between A and B.

Next zonder to

  • Fout: Our hotel is next the station.
  • Goed: Our hotel is next to the station.
  • Waarom: Het voorzetsel is next to. Alleen in samenstellingen zoals the next station betekent next “volgend”.

Gebruiksnotities

Een andere keuze verandert het perspectief

Soms zijn twee voorzetsels grammaticaal mogelijk, maar leggen ze een ander accent. I'm at the café noemt het café als locatie of ontmoetingsplek. I'm in the café zegt nadrukkelijk dat je binnen bent. The children are at the park behandelt het park als bestemming; in the park plaatst ze binnen het parkgebied. Het gaat dus niet altijd om goed tegenover fout, maar om hoe de spreker de plek voorstelt.

Vaste combinaties

Veel alledaagse combinaties leer je het best als één geheel:

Combinatie Gebruikelijke betekenis Opmerking voor Nederlandstaligen
at home thuis Zonder the
at work op het werk / aan het werk Niet automatisch on work
at school op school School als instelling of activiteit
in bed in bed Meestal zonder the bij slapen/rusten
on the floor op de vloer / op de verdieping De context bepaalt de betekenis
on the bus/train/plane in de bus/trein/het vliegtuig Vast vervoerspatroon
in a car/taxi in een auto/taxi Klein privévoertuig

In front of tegenover opposite

In front of betekent dat iets zich aan de voorkant van een referentiepunt bevindt. Opposite betekent “tegenover”, vaak aan de andere kant van een straat of ruimte. Een fiets kan in front of the house staan zonder dat hij tegenover het huis staat. Een café kan opposite the station liggen zonder direct voor de ingang te staan.

Verder dan de basis

De volgende nuances hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.

Between kan ook bij meer dan twee dingen

De beginnersregel “between bij twee, among bij meer dan twee” is handig, maar niet volledig. Between kan ook bij meerdere afzonderlijke, herkenbare partijen: an agreement between the three companies. Among past wanneer iemand of iets deel uitmaakt van een groep zonder dat elk element apart centraal staat: She was standing among the crowd. Voor eenvoudige plaatsbeschrijvingen blijft between the bank and the hotel het veiligste basismodel.

Under en below

Under suggereert vaak een verticale relatie of bedekking: The shoes are under the bed. Below betekent algemener “op een lager niveau”: The village is below the mountain. Op een webpagina staat informatie below the photo; een jas draag je under a coat. In sommige situaties zijn beide mogelijk, maar het gekozen beeld verschilt.

Over en above

Als uitbreiding op under kom je over en above tegen. Above betekent neutraal “hoger dan”. Over kan betekenen dat iets recht boven iets anders hangt, het bedekt of van de ene kant naar de andere loopt: A lamp hangs over the table; a bridge over the river. Niet elk Nederlands “boven” krijgt dus hetzelfde Engelse woord.

Voorzetsels aan het einde

In natuurlijk gesproken en geschreven Engels staat een voorzetsel vaak aan het einde van een vraag of betrekkelijke bijzin:

  • Who are you sitting next to?
  • Which hotel are they staying at?
  • This is the room I work in.

Dat is normaal en niet slordig. Zeer formele alternatieven zoals Next to whom are you sitting? zijn grammaticaal, maar klinken in een gewoon gesprek onnatuurlijk plechtig.

Plaats tegenover richting

Dit artikel gaat over plaats: waar iets is. Bij beweging kunnen andere patronen nodig zijn. Vergelijk The children are in the garden met The children run into the garden. In geeft een positie aan; into benadrukt beweging van buiten naar binnen. Evenzo kan onto beweging naar een oppervlak aangeven: The cat jumps onto the table. In informeel Engels wordt ook geregeld jump on the table gezegd, maar het onderscheid helpt om richting precies uit te drukken.

Oefentips

  1. Teken en beschrijf één kamer. Schrijf tien korte zinnen: The lamp is next to the sofa, The books are on the shelf. Verplaats daarna drie voorwerpen en pas alleen het voorzetsel aan.
  2. Leer contrastparen, geen losse vertalingen. Zet bijvoorbeeld at the station — in the station building en on the bus — in the car op kaartjes. Zo onthoud je welk ruimtelijk perspectief het Engels kiest.
  3. Controleer je Nederlandse reflex. Onderstreep in een Nederlandse beschrijving elk woord als in, op, aan, bij of voor. Vertaal daarna de hele situatie, niet alleen het voorzetsel, en vraag jezelf af: grens, oppervlak, punt of relatieve positie?

Verwante onderwerpen

  • Er zijn voor dit onderwerp geen formele vereisten of vervolgconcepten gekoppeld. Een logische volgende stap is oefenen met there is/there are, vraagzinnen met where en voorzetsels van richting; controleer daarvoor het grammaticaoverzicht van de cursus.

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Prepositions of Place in Engels met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Engels · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen