languages.grammar.heading
languages.grammar.subtitle
languages.grammar.note
common.noResults
A1 (30)
De belangrijkste Welshe persoonlijke voornaamwoorden zijn fi/i (ik), ti/di (jij), fe/fo/e/o (hij), hi (zij), ni (wij), chi (u of jullie) en nhw (zij). In een gewone zin staat het werkwoord vaak vóór het onderwerp: Dw i'n dysgu Cymraeg betekent “Ik leer Welsh”. Chi is zowel meervoudig als beleefd enkelvoudig.
Bij de zachte mutatie (treiglad meddal) verandert de eerste medeklinker van een Welsh woord door de grammaticale omgeving: cath wordt bijvoorbeeld gath in Mae gen i gath (“Ik heb een kat”). Negen beginmedeklinkers kunnen veranderen: p→b, t→d, c→g, b→f, d→dd, g→∅, m→f, ll→l en rh→r. Leer niet alleen het losse woord, maar ook korte combinaties zoals i Gaerdydd, dy dad di en y ferch.
De Welshe neusmutatie (treiglad trwynol) verandert de eerste medeklinker van een woord: p→mh, t→nh, c→ngh, b→m, d→n, g→ng. De twee belangrijkste aanleidingen zijn fy ‘mijn’ en yn ‘in’: pen wordt fy mhen ‘mijn hoofd’ en Caerdydd wordt yng Nghaerdydd ‘in Cardiff’. Leer als beginner eerst deze zes veranderingen en deze twee vaste omgevingen.
Bij de Welshe aspiratiemutatie verandert alleen de eerste medeklinker van een woord: p → ph, t → th en c → ch. Op beginnersniveau leer je die verandering vooral na ei ‘haar’, â ‘met’, tri ‘drie’ en chwe ‘zes’: ci wordt bijvoorbeeld ei chi ‘haar hond’. Begint het volgende woord met een andere letter, dan verandert er niets.
Het Welsh heeft één bepaald lidwoord met drie vormen: y, yr en 'r. Ze betekenen alle drie “de” of “het”: y ci is “de hond”, yr ysgol is “de school” en in mae'r plant betekent 'r opnieuw “de”. Een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord kan onbepaald zijn: ci is “een hond”; un ci betekent nadrukkelijk “één hond”.
Elk Welsh zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) is mannelijk of vrouwelijk. Dat zie je meestal niet aan een apart lidwoord, maar soms wel aan een zachte mutatie: y bachgen ‘de jongen’, tegenover y ferch ‘het meisje’ (grondvorm merch). Leer daarom een nieuw woord samen met zijn geslacht én zijn vorm na y/yr.
Het Welsh heeft niet één vaste meervoudsuitgang. Een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) kan een uitgang krijgen, van klinker veranderen of een geheel eigen meervoud hebben: cath → cathod, ci → cŵn, plentyn → plant. Leer daarom nieuwe woorden liefst meteen als paar; bij collectieve woorden zoals coed ‘bomen, bos, hout’ leer je juist de vorm voor één exemplaar, coeden ‘boom’, erbij.
Bod betekent ‘zijn’, maar doet in het Welsh meer werk dan het Nederlandse zijn. Met een vorm als dw i, mae hi of maen nhw, gevolgd door yn en een eigenschap of werkwoordsvorm, beschrijf je zowel toestanden als handelingen: Dw i'n hapus (‘Ik ben blij’) en Dw i'n gweithio (‘Ik werk’ of ‘Ik ben aan het werk’).
In gesproken Welsh zet je voor een ontkenning meestal ddim na de passende vorm van bod ‘zijn’: Dw i ddim yn deall betekent ‘Ik begrijp het niet’. Voor een ja-neevraag verandert vaak juist die vorm van bod: Wyt ti'n barod? ‘Ben je klaar?’ en Ydy hi'n gweithio? ‘Werkt ze?’ Bij een ontkennende derde persoon gebruik je dyw ... ddim: Dyw hi ddim yn dod.
In het Welsh staat een bijvoeglijk naamwoord meestal ná het zelfstandig naamwoord: ci mawr is ‘een grote hond’ en y llyfr coch is ‘het rode boek’. Na een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud ondergaat het bijvoeglijk naamwoord vaak zachte mutatie: bach wordt fach in cath fach. Enkele veelgebruikte woorden, waaronder hen, prif en hoff, staan juist vóór het zelfstandig naamwoord.
Welshe voorzetsels zijn korte woorden zoals i ‘naar/aan’, o ‘van/uit’, yn ‘in’, ar ‘op/aan’ en gyda ‘met’. Anders dan in het Nederlands kan een voorzetsel de eerste medeklinker van het volgende woord veranderen: Caerdydd wordt bijvoorbeeld i Gaerdydd. Leer daarom steeds drie dingen samen: betekenis, vaste combinatie en eventuele mutatie.
In het moderne Welshe tientallige systeem bouw je 35 op als tri deg pump: letterlijk ‘drie tien vijf’. Bij een zelfstandig naamwoord vragen vooral 1–4 extra aandacht: dau/dwy, tri/tair en pedwar/pedair hangen af van het grammaticale geslacht, terwijl un, dau/dwy en tri ook de eerste klank van het volgende woord kunnen veranderen. Na een telwoord staat het getelde woord vaak in het enkelvoud.
Voor een heel uur gebruik je meestal Mae hi’n + getal + o’r gloch: Mae hi’n dri o’r gloch betekent “Het is drie uur”. Weekdagen worden vaak met dydd gevormd, zoals dydd Llun, en maanden met mis, zoals mis Ionawr. De basiswoorden heddiw, yfory en ddoe betekenen “vandaag”, “morgen” en “gisteren”.
Een berfenw is de basisvorm van een Welsh werkwoord, bijvoorbeeld darllen ‘lezen’, bwyta ‘eten’ en mynd ‘gaan’. Voor gewone zinnen in de tegenwoordige tijd gebruikt het Welsh meestal een vorm van bod ‘zijn’ + yn + berfenw: Dw i’n darllen kan zowel ‘Ik lees’ als ‘Ik ben aan het lezen’ betekenen.
Het Welsh heeft geen gewoon werkwoord dat precies werkt als Nederlands hebben. Je zegt letterlijk dat iets ‘bij’ iemand is: Mae gen i gar of Mae car gyda fi betekent ‘Ik heb een auto’. Voor ‘mijn’, ‘jouw’, ‘zijn’ en ‘haar’ gebruik je woorden als fy, dy en ei; die veranderen vaak de eerste medeklinker van het volgende woord.
Leer de eerste Welshe uitdrukkingen als complete zinsblokken: Bore da! (goedemorgen), Sut dych chi? (hoe gaat het met u/jullie?), Diolch yn fawr (heel erg bedankt) en Os gwelwch yn dda (alstublieft). Voor één bekende gebruik je meestal ti; chi is beleefd enkelvoud én meervoud. Bij een kennismaking is Mara ydw i een natuurlijke manier om “Ik ben Mara” te zeggen.
Voor kunnen, moeten en willen gebruikt het Welsh meestal vaste omschrijvingen: Dw i'n gallu nofio (“Ik kan zwemmen”), Mae rhaid i fi fynd (“Ik moet gaan”) en Dw i eisiau coffi (“Ik wil koffie”). Onthoud als beginner vooral: gallu en gorfod staan na yn (vaak verkort tot 'n), maar eisiau doorgaans niet.
De belangrijkste Welshe vraagwoorden zijn beth (wat), pwy (wie), ble/lle (waar), pryd (wanneer), sut (hoe), pam (waarom) en faint (hoeveel). Ze staan meestal vooraan, maar daarna volgt niet simpelweg de Nederlandse woordvolgorde: vooral de juiste vorm van bod (‘zijn’) en soms een beginmutatie van het volgende werkwoord zijn belangrijk.
Welshe basisbijwoorden vertellen waar, wanneer of hoe iets gebeurt: yma betekent ‘hier’, yna ‘daar’, nawr ‘nu’ en heddiw ‘vandaag’. Voor de manier waarop iets gebeurt, gebruikt het Welsh vaak yn + bijvoeglijk naamwoord: da ‘goed’ wordt yn dda ‘goed, op een goede manier’ en cyflym ‘snel’ wordt yn gyflym ‘snel, vlug’.
Voor ‘ik vind … leuk/lekker’ gebruikt het Welsh meestal Dw i'n hoffi …; voor ‘ik houd niet van …’ is dat Dw i ddim yn hoffi …. Hoffi, licio, casáu en caru veranderen daarbij niet van vorm: de persoonsvorm van bod (‘zijn’) geeft aan over wie het gaat. ‘Ik heb liever …’ druk je uit met het aparte patroon Mae'n well gen i ….
Voor het weer gebruikt het Welsh meestal mae hi'n + beschrijving of handeling: Mae hi'n oer betekent ‘Het is koud’ en Mae hi'n bwrw glaw ‘Het regent’. Het woord hi betekent normaal ‘zij’, maar verwijst in weerzinnen naar het onpersoonlijke ‘het’ en is dus altijd vrouwelijk. Voor een vraag wordt mae ydy; voor een ontkenning gebruik je dyw hi ddim yn.
Met bwyd a diod (eten en drinken) kun je al snel iets bestellen of zeggen wat je wilt: Ga i baned o de? betekent “Mag ik een kop thee?” en Dw i eisiau bara a chaws betekent “Ik wil brood en kaas.” Let daarbij op beginmutatie: de eerste klank van een woord kan door zijn omgeving veranderen, zoals paned → baned, te → de en caws → chaws.
Welshe familiewoorden leer je het best samen met hun meervoud en grammaticale geslacht: brawd / brodyr (broer/broers), chwaer / chwiorydd (zus/zussen). Bezittelijke woorden en telwoorden kunnen de eerste klank veranderen: fy mrawd i (mijn broer), dy fam di (jouw moeder), dau frawd (twee broers) en dwy chwaer (twee zussen).
Het Welsh maakt onderscheid tussen hwn bij een mannelijk enkelvoud, hon bij een vrouwelijk enkelvoud en hyn voor iets abstracts of, na een zelfstandig naamwoord, voor een meervoud. In alledaagse taal zijn de patronen y ... yma (‘dit/deze ... hier’) en y ... yna (‘dat/die ... daar’) bijzonder handig: y llyfr yma is ‘dit boek’ en y tŷ yna is ‘dat huis’.
Voor een gewoonte gebruikt het Welsh meestal een vorm van bod (‘zijn’) + yn + een berfenw (de basisvorm van het werkwoord): Dw i'n cerdded bob dydd betekent ‘Ik wandel elke dag’. Dezelfde bouwvorm kan ook aangeven wat iemand op dit moment doet; woorden als bob dydd en weithiau en de situatie maken duidelijk dat het om een gewoonte gaat.
Om te zeggen waar iemand of iets is, gebruikt het Welsh meestal mae + onderwerp + plaatsbepaling: Mae'r banc ar y stryd betekent ‘De bank is aan de straat’. Je vraagt naar een plaats met Ble mae ...?: Ble mae'r banc? (‘Waar is de bank?’). Het voorzetsel geeft vervolgens de precieze verhouding aan, bijvoorbeeld yn ‘in’, ar ‘op’ of wrth ymyl ‘naast’.
Voor een gewone mededeling gebruik je meestal bod + yn gallu + werkwoord: Dw i'n gallu nofio betekent ‘Ik kan zwemmen’. Onvermogen druk je uit met ddim yn gallu of met yn methu. Vraag je om toestemming, dan is Ga i...? vaak beter dan Alla i...?: Ga i fynd? is ‘Mag ik gaan?’
Een Welshe kleur staat gewoonlijk na het zelfstandig naamwoord: car coch is ‘een rode auto’. Na een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud ondergaat de kleur vaak zachte mutatie (de eerste medeklinker verandert): ci du ‘een zwarte hond’, maar cath ddu ‘een zwarte kat’. Ook na yn in een beschrijving muteert de kleur: Mae'r car yn goch ‘De auto is rood’.
Voor klachten gebruikt het Welsh verschillende vaste patronen. Mae pen tost gyda fi en Mae gen i ben tost betekenen allebei ‘ik heb hoofdpijn’, terwijl Mae fy nghoes i'n brifo letterlijker overeenkomt met ‘mijn been doet pijn’. Ziek zijn druk je eenvoudig uit met Dw i'n sâl; bij sommige klachten staat een vervoegde vorm van ar (‘op’), zoals Mae annwyd arni hi (‘zij is verkouden’).
Voor plaatsaanduidingen gebruikt het Welsh vaak een vaste woordgroep waar het Nederlands één voorzetsel heeft: wrth ymyl ‘naast’, o flaen ‘voor’, y tu ôl i ‘achter’, ar ben ‘boven op’ en o gwmpas ‘rond’. Leer elke groep als één geheel en zet het ding dat als oriëntatiepunt dient erachter: o flaen y tŷ ‘voor het huis’.
A2 (12)
Met roeddwn i, roeddet ti, roedd e/hi, roedden ni, roeddech chi en roedden nhw beschrijf je wat vroeger het geval was, aan de gang was of regelmatig gebeurde. Het patroon is meestal roedd-vorm + onderwerp + yn + eigenschap of werkwoordnaam: Roeddwn i'n hapus betekent ‘Ik was gelukkig’, terwijl Roeddwn i'n gweithio zowel ‘Ik was aan het werk’ als ‘Ik werkte vroeger’ kan betekenen.
In gesproken Welsh kun je een voltooide handeling uitdrukken met een verleden vorm van gwneud (‘doen, maken’) plus de berfenw: de werkwoordnaam of woordenboekvorm. Wnes i ddarllen betekent gewoon ‘ik las’ of ‘ik heb gelezen’. In een bevestigende zin of vraag ondergaat de berfenw meestal een zachte mutatie; na ddim blijft hij ongemuteerd.
In het Welsh krijgt een voorzetsel vaak een andere vorm als het naar een persoon verwijst: ar ‘op’ wordt bijvoorbeeld arna i ‘op mij’, arnat ti ‘op jou’ en arni hi ‘op haar’. Het voorzetsel en het Nederlandse voornaamwoord vormen dus samen één Welsh patroon. Leer de vorm bij voorkeur als een geheel, vooral in vaste uitdrukkingen zoals Mae arna i eisiau coffi ‘Ik wil koffie’.
Gebruik sy of sydd wanneer het voorafgaande woord de handelende persoon of zaak van een bevestigende bijzin in de tegenwoordige tijd is. In het veelvoorkomende patroon sy'n + werkwoordnaam vervangt sy'n het gewone mae ... yn: y dyn sy'n gweithio yma betekent ‘de man die hier werkt’.
Met a/ac (en), ond (maar), achos/oherwydd (omdat), pan (wanneer/toen), os (als/indien), er (hoewel) en felly (dus) verbind je Welshe woorden en zinnen. Anders dan in het Nederlands duwt een voegwoord het werkwoord niet naar het einde: na achos, pan en os begint de Welshe deelzin meestal met haar gewone werkwoordelijke patroon. Let daarnaast op de beginmutatie na a en pan.
Voor een positief bevel gebruikt het Welsh meestal een aparte vorm voor ti en een vorm op -wch voor chi: Dere yma! betekent “Kom hier!” tegen één bekende persoon, Dewch yma! tegen meerdere mensen of beleefd tegen één persoon. Een negatief bevel begint met Paid â bij ti en Peidiwch â bij chi, gevolgd door het werkwoordelijk naamwoord: Paid â phoeni! “Maak je geen zorgen!”
Gebruik een tegenwoordige vorm van bod gevolgd door wedi + werkwoordnaam voor een voltooide handeling: Dw i wedi bwyta betekent ‘Ik heb gegeten’. Voor ‘net’ of ‘zojuist’ staat newydd op dezelfde plaats, maar zonder wedi: Dw i newydd fwyta betekent ‘Ik heb net gegeten’. Anders dan bij bod + yn komt er dus geen yn voor wedi of newydd.
Vier zeer frequente Welshe werkwoorden hebben een onregelmatige korte verleden tijd: mynd ‘gaan’ → es i, dod ‘komen’ → des i, gwneud ‘doen/maken’ → wnes i en cael ‘krijgen’ → ces i. Leer deze vormen als vaste combinaties van werkwoord en persoon; voor een ontkenning staat meestal ddim na het vervoegde werkwoord: Es i ddim ‘Ik ging niet’.
Bij een Welsh werkwoordsnaamwoord staat een voorwerpsvorm meestal vóór het werkwoord, terwijl een persoonlijk voornaamwoord er vaak nog achter komt: Mae e'n fy ngweld i betekent ‘Hij ziet mij’. De vorm vóór het werkwoord lijkt op een bezittelijk woord en kan een beginmutatie veroorzaken: fy ngweld i (mij zien), dy weld di (jou zien), ei weld e (hem zien), ei gweld hi (haar zien).
Voor een eigenschap gebruik je meestal Mae + persoon + yn + bijvoeglijk naamwoord: Mae e'n dal betekent ‘Hij is lang’. Bezit, zoals haar of ogen, druk je vaak uit met Mae + bezit + gan + persoon: Mae gwallt golau ganddi betekent ‘Zij heeft licht haar’. Een bijvoeglijk naamwoord staat in een naamwoordgroep meestal ná het zelfstandig naamwoord: llygaid glas (‘blauwe ogen’).
Met Dw i'n meddwl bod... (‘ik denk dat...’) en Yn fy marn i... (‘naar mijn mening...’) geef je aan dat iets jouw oordeel is. Met Mae'n well gen i... spreek je een voorkeur uit. Op een mening kun je reageren met Dw i'n cytuno (‘ik ben het ermee eens’), Dw i'n anghytuno (‘ik ben het er niet mee eens’) of het voorzichtige Dw i ddim yn siŵr am hynny (‘daar ben ik niet zeker van’).
De afgeronde verleden tijd van bod (‘zijn’) stelt een verblijf of toestand voor als één voltooid geheel, vaak met een duidelijke duur: Bues i yn Sbaen am wythnos betekent ‘Ik ben een week in Spanje geweest’. De kernvormen zijn bues i, buest ti, buodd e/hi, buon ni, buoch chi en buon nhw. Voor achtergrond, herhaling of een toestand die op een bepaald moment aan de gang was, past meestal een vorm met roedd- beter.
B1 (13)
Met de toekomende tijd van bod zeg je niet alleen dat iemand of iets later ergens zal zijn, maar bouw je ook toekomstige handelingen: Bydda i'n gweithio yfory betekent ‘Ik zal morgen werken’. In gewone bevestigende zinnen begint de vorm met b; in rechtstreekse vragen en ontkenningen wordt die beginletter meestal f: Fyddi di'n dod? en Fydda i ddim yn dod.
Bij een berf gryno (‘korte’ of verbogen werkwoordsvorm) zit tijd en persoon in het werkwoord zelf: gwelais i betekent ‘ik zag’. Er staat dus geen vorm van bod als hulpwerkwoord bij. Vooral de korte verleden tijd is ook in alledaags Welsh heel gewoon, zeker bij veelgebruikte werkwoorden zoals mynd ‘gaan’, dod ‘komen’, gwneud ‘doen/maken’ en cael ‘krijgen’.
In het Welsh druk je zou/zouden vaak uit met een voorwaardelijke vorm van bod (‘zijn’) en een werkwoordnaamwoord: Baswn i'n mynd betekent ‘Ik zou gaan’. De persoon zit in de vorm baswn, baset, basai, basen of basech; in vragen en ontkenningen verandert de beginletter b meestal in f: Fasai hi'n dod? en Fasai hi ddim yn dod.
Gebruik mor + bijvoeglijk naamwoord + â voor ‘even … als’, een vorm op -ach of mwy + bijvoeglijk naamwoord voor ‘…-er’ of ‘meer …’, en -af of mwyaf + bijvoeglijk naamwoord voor ‘het …-st’ of ‘het meest …’. Het tweede deel van een ongelijkheidsvergelijking begint meestal met na of, vóór een klinker, nag: Mae Aled yn dalach na Rhys (‘Aled is langer dan Rhys’).
In het Welsh zet je het belangrijkste zinsdeel vaak vooraan. Bij nadruk op het onderwerp gebruik je in de tegenwoordige tijd meestal sy’n/sydd yn: Siân sy’n dod (‘Siân is degene die komt’). Bij een eigenschap of identiteit staat vaak ydy/yw, terwijl een vooropgeplaatste plaats, tijd of lijdend voorwerp doorgaans wordt gevolgd door de gewone persoonsvorm: Yng Nghaerdydd dw i’n byw (‘In Cardiff woon ik’).
Na werkwoorden als ‘denken’, ‘zeggen’ en ‘weten’ leidt het Welsh een inhoudsbijzin vaak in met bod: Dw i'n meddwl bod hi'n iawn betekent ‘Ik denk dat zij gelijk heeft.’ Staat er een persoonlijk voornaamwoord als onderwerp, dan verschijnen vormen als fy mod i (‘dat ik’), dy fod ti (‘dat jij’) en ei fod e / ei bod hi (‘dat hij / zij’). Anders dan het Nederlandse dat past deze constructie zich dus aan het onderwerp aan.
Het Welsh kan in één vervoegde werkwoordsvorm zeggen dat iets gebeurt, zonder te noemen wie het doet. De belangrijkste uitgangen zijn -ir voor het heden of de toekomst, -wyd voor een afgeronde gebeurtenis in het verleden en -id voor onder meer een voorwaardelijke betekenis: Siaradir Cymraeg yma betekent ‘Hier wordt Welsh gesproken’. In het Nederlands vertaal je zo’n vorm meestal met worden, zijn, men of een onpersoonlijke formulering als ‘er wordt gezegd dat’.
Met pan (toen/wanneer), cyn (voor/voordat), ar ôl (na/nadat), tra (terwijl), nes (totdat) en ers (sinds) verbind je gebeurtenissen in de tijd. Het Welsh gebruikt daarbij óf een volledige bijzin met een vervoegd werkwoord, óf een compact patroon met een berfenw (werkwoordelijk naamwoord, de basisvorm waarmee je een handeling benoemt): pan gyrhaeddais i ‘toen ik aankwam’, maar cyn i fi fynd ‘voordat ik ga’ en ar ôl bwyta ‘na het eten’.
Een echte of goed mogelijke voorwaarde begint in het Welsh meestal met os: Os bydd hi'n braf, awn ni am dro betekent ‘Als het mooi weer is, gaan we wandelen.’ Voor een toekomstige voorwaarde gebruikt het Welsh vaak een toekomstvorm waar het Nederlands na als juist de tegenwoordige tijd kiest. Bij algemene waarheden en actuele situaties kan na os wel een tegenwoordige vorm staan.
Een Welsh samengesteld werkwoordnaamwoord (berfenw cyfansawdd) is een werkwoordelijke basis die uit herkenbare bouwstenen kan bestaan, bijvoorbeeld ym- in ymddiheuro en ymddwyn, of een woordstam met een uitgang als -u of -io. In een zin gedraagt zo'n vorm zich gewoon als andere werkwoordnaamwoorden: Dw i'n ymddiheuro ‘Ik bied mijn excuses aan’ en Dw i wedi penderfynu mynd ‘Ik heb besloten te gaan’.
Welsh rangtelwoorden geven een plaats in een reeks aan: cyntaf ‘eerste’, ail ‘tweede’, trydydd/trydedd ‘derde’ en pedwerydd/pedwaredd ‘vierde’. Cyntaf staat meestal ná het zelfstandig naamwoord, terwijl rangtelwoorden vanaf ail er doorgaans vóór staan; na ail ondergaat het volgende woord een zachte mutatie. Voor veelgebruikte breuken leer je vooral hanner ‘een half’, chwarter ‘een kwart’ en traean ‘een derde’.
Het Welshe werkwoord cael kan ‘krijgen’, ‘mogen’ of ‘de gelegenheid krijgen’ betekenen. Het wordt bovendien gebruikt om een lijdende vorm te maken: Cafodd y drws ei agor betekent ‘De deur werd geopend’. Gebruik gallu, niet cael, als het gaat om vaardigheid of feitelijke mogelijkheid: Dw i'n gallu nofio is ‘Ik kan zwemmen’.
Voor een voornemen gebruikt het Welsh vaak mynd i + werkwoordnaam: Dw i'n mynd i goginio (“Ik ga koken”). Een gewone toekomstige handeling staat met een toekomstige vorm van bod plus yn: Bydda i'n coginio (“Ik zal koken”). Met Beth am...? doe je een voorstel en met Gawn ni...? stel je gezamenlijk handelen voor: Gawn ni gwrdd am chwech? (“Zullen we om zes uur afspreken?”).
B2 (10)
In een gevorderde Welshe betrekkelijke bijzin hangt het verbindingswoord af van de functie van het antecedent (het woord waarnaar de bijzin verwijst). Bij een indirecte relatie staat meestal y/yr en blijft er in de bijzin een voornaamwoordelijke verwijzing staan, zoals ynddo ‘erin’ of ei ‘zijn/haar’. Een ontkennende betrekkelijke bijzin begint doorgaans met nad voor een klinker en na voor een medeklinker.
Het gewone Welshe passief wordt gevormd met een vorm van cael (‘krijgen’) + een bezittelijk woord + een werkwoordnaam: Cafodd y llyfr ei ysgrifennu (‘Het boek werd geschreven’). Het bezittelijke woord verwijst terug naar wie of wat de handeling ondergaat en veroorzaakt vaak een beginmutatie: Ces i fy ngweld (‘Ik werd gezien’).
Voor een onwerkelijke of denkbeeldige voorwaarde gebruikt het Welsh vaak pe: Pe baswn i'n gyfoethog, baswn i'n teithio betekent ‘Als ik rijk was, zou ik reizen.’ Gaat het om een niet-gebeurd verleden, dan komt wedi erbij: Pe bawn i wedi gwybod, faswn i wedi dod — ‘Als ik het had geweten, was ik gekomen.’
In de Welshe indirecte rede geef je iemands woorden weer zonder letterlijk te citeren. Na dweud gebruik je voor veel mededelingen een vorm rond bod: Dwedodd e ei fod e'n mynd betekent ‘Hij zei dat hij ging’. Indirecte ja/nee-vragen beginnen vaak met a, ontkennende mededelingen met nad, en vóór sommige vervoegde werkwoordsvormen staat y/yr.
Het Welsh vormt veel tijden met een vorm van bod (‘zijn’) plus een klein woord dat het soort handeling aangeeft, gevolgd door een berfenw (de basisvorm van het werkwoord): Dw i wedi gorffen ‘Ik ben klaar / Ik heb het afgemaakt’ en Roeddwn i'n gweithio ‘Ik was aan het werk’. Wedi kijkt terug naar een voltooide handeling, yn toont een handeling die gaande is, newydd betekent ‘net’ en dal i ‘nog steeds’.
Voor een oorzaak gebruikt het Welsh onder meer achos, oherwydd en gan fod; voor een doel vooral er mwyn en i; en voor een gevolg felly, o ganlyniad of de constructie mor … fel bod. Let vooral op gan fod: de vorm van bod verandert mee met de persoon, bijvoorbeeld gan fy mod i ‘omdat ik’ en gan eu bod nhw ‘omdat zij’.
In het Welsh maak je een veelvoorkomende lijdende vorm met een vorm van cael, een bezittelijk voornaamwoord en een werkwoordelijk zelfstandig naamwoord: Ces i fy nhalu betekent ‘Ik werd betaald’. De tijd zit in cael zelf of in een vorm van bod vóór cael: Roeddwn i’n cael fy nhalu ‘Ik werd betaald / was aan het worden betaald’ en Bydda i’n cael fy nhalu ‘Ik zal worden betaald’.
Het Welsh bouwt beide vormen met een vervoegde vorm van bod (‘zijn’) + wedi + het werkwoordelijk naamwoord (de basisvorm van het werkwoord): Bydda i wedi gorffen betekent ‘Ik zal klaar zijn / ik zal het afgemaakt hebben’, terwijl Baswn i wedi mynd ‘Ik zou gegaan zijn’ betekent. De vorm van bod bepaalt dus of je vanuit een toekomstig moment terugkijkt of over een niet-werkelijk geworden mogelijkheid spreekt.
Met uitdrukkingen als ar y llaw arall (aan de andere kant), fodd bynnag (echter), yn ogystal â (naast), o ganlyniad (daardoor) en mewn gwirionedd (in werkelijkheid) geef je aan hoe een nieuwe gedachte bij de vorige aansluit. Leer niet alleen de vertaling, maar ook de functie en het zinsbouwpatroon: vooral yn ogystal â en o ganlyniad i kunnen een aanvulling krijgen, terwijl andere uitdrukkingen meestal een hele zin met de voorafgaande tekst verbinden.
Voor een onverwachte tegenstelling gebruikt het Welsh vooral er bod (‘hoewel’), er i + werkwoordelijk naamwoord (‘hoewel iemand iets doet/deed’) en er gwaethaf + naamwoord (‘ondanks’). Een neutraal contrast maak je met tra bod (‘terwijl’, ‘daar waar’) en een verworpen alternatief met yn hytrach na (‘liever dan’, ‘in plaats van’). Let vooral op de persoonsvormen van bod: er fy mod i, er ei fod e en er ei bod hi.
C1 (8)
Formeel en literair Welsh gebruikt vaak korte, verbogen werkwoordsvormen: persoon en tijd zitten in één woord, zoals af ‘ik zal gaan’, âi ‘hij/zij ging gewoonlijk’ en cânt ‘zij zullen krijgen’. In alledaagse spreektaal kiest men dikwijls een omschrijving met bod of gwneud, maar in boeken, nieuws, toespraken en officiële teksten moet je de compacte vormen vlot kunnen herkennen.
In verzorgd en literair Welsh veroorzaken ni, na en oni vaak een gemengde mutatie: p, t, c krijgen aspiratie (ph, th, ch), terwijl andere veranderlijke beginmedeklinkers zacht muteren. Het betrekkelijke of vragende deeltje a veroorzaakt juist een zachte mutatie: gwelais → a welais. In hedendaagse spreektaal zijn de deeltjes of de klassieke patronen geregeld vereenvoudigd, maar in formele teksten blijven ze belangrijk.
Formeel geschreven Welsh gebruikt vaak vormen als y mae, yr wyf en nid yw, waar je in informele taal eerder mae, dw i en een ontkenning met ddim hoort. Ook beknopte werkwoordsvormen, zorgvuldige verbindingswoorden en een minder gesprekachtige zinsbouw dragen bij aan een formele toon. Niet elke formele tekst is literair: de beste keuze hangt af van het soort tekst en de lezer.
Een Welsh idioom leer je het best als een volledig patroon, niet als een rij losse woorden. In Dw i ar ben fy nigon (“ik ben dolgelukkig”) blijven ar ben ... digon en de figuurlijke betekenis bij elkaar, terwijl fy nigon aan de persoon wordt aangepast. Let dus tegelijk op betekenis, vaste voorzetsels, mutaties en register.
Een complexe Welshe zin verbindt meerdere cymalau (zinsdelen met een eigen werkwoord) en markeert hun onderlinge verhouding vaak met vormen als er bod ‘hoewel’, fel bod ‘zodat’ en beth bynnag a... ‘wat ... ook’. Anders dan in het Nederlands hoeft onderschikking geen herkenbare werkwoord-eindvolgorde te veroorzaken; let daarom vooral op het verbindingswoord, de vorm van bod en de beginmutatie.
Welsh kent geen twee volledig gescheiden talen, maar een glijdende schaal van losse spreektaal via neutraal standaard-Welsh tot formele en literaire taal. Dezelfde boodschap kan daarom klinken als Ma' fe'n dod, Mae e'n dod of Y mae ef yn dyfod. Goed Welsh betekent niet dat je altijd de formeelste vorm kiest, maar dat je vorm, woordkeus en uitspraak laat passen bij de situatie.
De bekendste Welshe strenge verskunst draait om cynghanedd: georganiseerde klankovereenkomst binnen één versregel, door herhaalde medeklinkers, intern rijm en een nauwkeurig samenspel van ritme en klemtoon. Lees zo’n regel daarom niet alleen op betekenis en zoek niet alleen naar eindrijm; spreek hem hardop uit, verdeel hem in delen en luister welke klanken vóór en na de rust terugkeren.
Goed Welsh ontstaat niet door Nederlandse of Engelse woorden één voor één te vervangen. Kies de vaste Welshe combinatie die bij de bedoelde betekenis past: cymryd rhan voor ‘deelnemen’, ar hyn o bryd voor ‘op dit moment’ en hyd y gwn i voor ‘voor zover ik weet’. Een letterlijk vertaalde vorm is niet altijd ongrammaticaal, maar kan wel onnatuurlijk zijn of iets anders betekenen.
C2 (7)
In gesprekken geeft Welsh niet alleen feiten door: met vraagstaartjes als on'd ydy?, woorden als tybed, falle en hwyrach, en focuszinnen als Fi sy'n mynd laat een spreker horen wat zeker, nieuw, betwist of voorzichtig geformuleerd is. De Nederlandse vertalingen “toch?”, “ik vraag me af”, “misschien” en nadruk met de stem zijn nuttige aanknopingspunten, maar de Welshe keuze hangt ook af van zinsbouw, register en regio.
Middelwelsh is de taal van middeleeuwse teksten zoals de verhalen die bekendstaan als de Mabinogion. Wie modern Welsh kent, herkent veel woorden, maar stuit op oude spelling, nadrukkelijke voornaamwoorden zoals myfi en tydi, partikels zoals a, en literaire woorden zoals canys en sef. Het belangrijkste doel is meestal herkennen en ontleden, niet zelf middeleeuws gaan schrijven.
Gesproken Welsh kent geen enkele uniforme omgangstaal: vooral Noord- en Zuid-Wales verschillen in woordkeus, verkorte werkwoordsvormen en uitspraak. Dwi isio fo rŵan en Wi'n moyn e nawr kunnen allebei ongeveer ‘Ik wil het nu’ betekenen; de eerste zin klinkt noordelijker, de tweede zuidelijker. De grens is niet absoluut: sprekers mengen vormen door woonplaats, familie, onderwijs en situatie.
Officieel en juridisch Welsh legt de nadruk meestal op de handeling, de regel of het besluit, niet op de handelende persoon. Daarom komen onpersoonlijke werkwoordsvormen als hysbysir ‘er wordt meegedeeld’ en vaste formules als yn unol â ‘overeenkomstig’ veel voor. Je hoeft zulke formuleringen niet woord voor woord naar het Nederlands om te zetten: herken eerst hun functie in het document.
Cymraeg llafar anffurfiol is het Welsh van gesprekken, berichten, sociale media en informele uitzendingen. Woorden worden verkort of samengevoegd, zinnen blijven soms onvolledig en de woordkeus verraadt vaak de regio: S'mae?, ti'mod en Sgen ti'm clem zijn herkenbare spreektaalvormen, geen vrijbrief om elk woord naar eigen inzicht in te korten. Op C2-niveau draait het vooral om herkennen, registergevoel en passend gebruik.
Journalistiek Welsh gebruikt een verzorgd middenregister: minder literair dan plechtige schrijftaal, maar compacter en gestandaardiseerder dan een spontaan gesprek. Herken vooral vaste bronformules zoals yn ôl ffynonellau (‘volgens bronnen’), onpersoonlijke werkwoordsvormen zoals datgelwyd (‘er werd onthuld’) en neutrale formuleringen die feit, bewering en verwachting uit elkaar houden.
Veel Welshe plaatsnamen zijn opgebouwd uit herkenbare landschapswoorden, zoals aber ‘riviermonding’, llan ‘kerk of omheind kerkterrein’, pen ‘hoofd, top of uiteinde’, cwm ‘dal’ en pont ‘brug’. Je kunt zo'n naam echter niet altijd ontleden door twee moderne woorden simpelweg naast elkaar te zetten: het lidwoord y, beginmutaties en eeuwenoude spellingen kunnen de vorm veranderen.
languages.cta.text
languages.cta.button