Datiefartikelen in het Duits
Dativ (Artikel)
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
In het kort
De Duitse datief herken je bij bepaalde lidwoorden aan dem, der, dem, den en bij onbepaalde lidwoorden aan einem, einer, einem. Je gebruikt deze naamval onder meer voor de ontvanger van iets, na bepaalde werkwoorden en na vaste datiefvoorzetsels: Ich gebe dem Mann das Buch en Sie hilft der Frau. In het meervoud krijgt ook het zelfstandig naamwoord meestal een extra -n: mit den Kindern.
Overzicht
Een naamval is een vorm die laat zien welke functie een woordgroep in de zin heeft. De datief markeert vaak een indirect object: de persoon of zaak aan of voor wie iets gebeurt. In Ich gebe dem Mann das Buch is das Buch wat er gegeven wordt, terwijl dem Mann de ontvanger is. Het Duits laat dat verschil niet alleen door de woordvolgorde zien, maar ook door het artikel.
Dit onderwerp komt doorgaans op A2 aan bod en bouwt voort op de nominatief en de accusatiefartikelen. Voor Nederlandstaligen voelt de betekenis vaak vertrouwd: dem Mann komt hier overeen met aan de man. Toch is die vergelijking niet altijd genoeg. Het Nederlands heeft nauwelijks zichtbare naamvallen meer, terwijl het Duits ook na bepaalde werkwoorden en voorzetsels een datief eist, zelfs als je in het Nederlands geen aan of voor gebruikt.
De kern is daarom tweeledig: bepaal eerst waarom een woordgroep in de datief staat en kies daarna het artikel op basis van geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord (het woord voor een persoon, dier, ding of begrip).
Hoe het werkt
De vormen van het bepaalde lidwoord
Het bepaalde lidwoord gebruik je voor iets specifieks: de man, de vrouw, het kind of de kinderen.
| Geslacht/getal | Nominatief | Accusatief | Datief | Nederlands |
|---|---|---|---|---|
| mannelijk | der Mann | den Mann | dem Mann | de/aan de man |
| vrouwelijk | die Frau | die Frau | der Frau | de/aan de vrouw |
| onzijdig | das Kind | das Kind | dem Kind | het/aan het kind |
| meervoud | die Kinder | die Kinder | den Kindern | de/aan de kinderen |
Een handige geheugenrij is: dem – der – dem – den. Mannelijk en onzijdig zijn in de datief dus gelijk. Let bij vrouwelijk op een vorm die Nederlandse leerders soms vreemd vinden: der betekent hier niet dat Frau mannelijk is. Der is eenvoudigweg het vrouwelijke datiefartikel.
De vormen van het onbepaalde lidwoord
Het onbepaalde lidwoord verwijst naar één niet nader bepaalde persoon of zaak.
| Geslacht | Nominatief | Accusatief | Datief | Nederlands |
|---|---|---|---|---|
| mannelijk | ein Mann | einen Mann | einem Mann | een/aan een man |
| vrouwelijk | eine Frau | eine Frau | einer Frau | een/aan een vrouw |
| onzijdig | ein Kind | ein Kind | einem Kind | een/aan een kind |
De geheugenrij is einem – einer – einem. Er bestaat geen meervoud van ein in de betekenis ‘een’. Woorden die hetzelfde patroon volgen, hebben wél een meervoudsvorm: keinen Kindern, meinen Freunden, diesen Leuten.
| Soort artikelwoord | Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | Meervoud |
|---|---|---|---|---|
| ein-patroon | einem | einer | einem | — |
| ontkenning met kein | keinem | keiner | keinem | keinen |
| bezittelijk, bijvoorbeeld mein | meinem | meiner | meinem | meinen |
| aanwijzend, bijvoorbeeld dies- | diesem | dieser | diesem | diesen |
Zo kun je één patroon hergebruiken: einem Bruder, meinem Bruder, keinem Bruder.
Wanneer gebruik je de datief?
1. Voor de ontvanger of belanghebbende
Bij werkwoorden als geben (geven), schicken (sturen), zeigen (laten zien) en bringen (brengen) staan vaak twee objecten. Het lijdend voorwerp is wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat; het staat meestal in de accusatief. De ontvanger is het meewerkend voorwerp (aan of voor wie iets gebeurt); dat staat in de datief.
Patroon: onderwerp + werkwoord + ontvanger in de datief + zaak in de accusatief
- Ich gebe dem Mann das Buch. — Ik geef de man het boek.
- Wir schicken einer Kundin die Rechnung. — We sturen een klant de rekening.
Vraag als controle: Wem? (‘aan wie?’) voor de datief en Wen oder was? (‘wie of wat?’) voor de accusatief. Dit is een hulpmiddel, geen vervanging voor het leren van vaste werkwoorden en voorzetsels.
2. Na werkwoorden die de datief eisen
Sommige Duitse werkwoorden krijgen een datiefobject, ook zonder tweede object. Belangrijke voorbeelden zijn:
- helfen — helpen
- danken — danken, bedanken
- gefallen — bevallen, in de smaak vallen
- gehören — toebehoren, van iemand zijn
- antworten — antwoorden
- folgen — volgen
- vertrauen — vertrouwen
- fehlen — ontbreken, gemist worden
Het Nederlands kan je hier misleiden. Wij zeggen iemand helpen en iemand vertrouwen zonder zichtbaar naamvalsverschil; in het Duits zijn jemandem helfen en jemandem vertrauen datiefconstructies. Bij gefallen is ook het perspectief anders: Das Lied gefällt der Frau betekent letterlijk dat het lied bij de vrouw in de smaak valt.
3. Na vaste datiefvoorzetsels
De voorzetsels aus, außer, bei, mit, nach, seit, von, zu worden gevolgd door de datief. Ook gegenüber neemt gewoonlijk de datief.
- mit dem Zug — met de trein
- bei einer Freundin — bij een vriendin
- nach dem Essen — na het eten
- seit einer Woche — sinds een week
- von der Arbeit — van het werk
- zu den Eltern — naar de ouders
Leer het voorzetsel meteen met een voorbeeldgroep. Alleen de Nederlandse vertaling onthouden is riskant: één Nederlands voorzetsel kan in verschillende Duitse constructies terechtkomen.
De extra uitgang in het meervoud
In de datief meervoud krijgt het artikel -n (den, keinen, meinen), en het zelfstandig naamwoord krijgt meestal óók -n:
- die Kinder → mit den Kindern
- die Bücher → in den Büchern
- die Freunde → von meinen Freunden
Voeg geen tweede uitgang toe als de meervoudsvorm al op -n of -s eindigt:
- die Frauen → mit den Frauen
- die Autos → mit den Autos
Dit is een belangrijk verschil met het Nederlands. In met de kinderen verandert alleen het voorzetsel niets aan de woordgroep; in mit den Kindern zie je de datief zowel aan den als aan Kindern.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Ich gebe dem Mann das Buch. | Ik geef de man het boek. | Specifieke man als ontvanger |
| Sie hilft der Frau. | Zij helpt de vrouw. | helfen eist de datief |
| Er schreibt einem Freund. | Hij schrijft een vriend. | Mannelijk, onbepaald |
| Wir zeigen dem Kind den Garten. | We laten het kind de tuin zien. | Onzijdig dem; den Garten is accusatief |
| Kannst du einer Kollegin antworten? | Kun je een collega antwoorden? | antworten met vrouwelijke datief |
| Das Fahrrad gehört meinem Bruder. | De fiets is van mijn broer. | gehören met bezittelijk artikelwoord |
| Der Film gefällt den Gästen. | De film valt bij de gasten in de smaak. | Datief meervoud met extra -n |
| Ich fahre mit dem Zug zur Arbeit. | Ik ga met de trein naar mijn werk. | Datief na mit |
| Nach einer Stunde war alles fertig. | Na een uur was alles klaar. | Datief na nach |
| Wir wohnen seit einem Jahr in Köln. | We wonen sinds een jaar in Keulen. | Datief na seit |
| Sie kommt gerade aus der Küche. | Ze komt net uit de keuken. | Datief na aus |
| Er spricht mit den Nachbarn. | Hij praat met de buren. | Meervoud; Nachbarn eindigt al op -n |
| Ich kaufe der alten Dame eine Fahrkarte. | Ik koop voor de oude dame een kaartje. | Belanghebbende in de datief |
| Das Hotel liegt gegenüber dem Bahnhof. | Het hotel ligt tegenover het station. | Datief bij gegenüber |
Veelgemaakte fouten
Mannelijke accusatief en datief verwisselen
- Fout: Ich helfe den Mann.
- Goed: Ich helfe dem Mann.
- Waarom: Den Mann is mannelijk accusatief, maar helfen eist de datief. Mannelijk datief is dem.
Het vrouwelijke artikel niet aanpassen
- Fout: Sie dankt die Lehrerin.
- Goed: Sie dankt der Lehrerin.
- Waarom: Danken krijgt een datiefobject. Vrouwelijk die wordt daarom der.
De meervouds-n vergeten
- Fout: Wir fahren mit den Kinder.
- Goed: Wir fahren mit den Kindern.
- Waarom: In de datief meervoud krijgen de meeste zelfstandige naamwoorden een extra -n.
Blindelings ‘aan’ toevoegen of zoeken
- Fout denkpatroon: alleen een datief gebruiken als de Nederlandse vertaling aan bevat.
- Goed: leer bijvoorbeeld jemandem helfen, jemandem danken en mit jemandem sprechen als vaste patronen.
- Waarom: Nederlandse formuleringen tonen de Duitse naamval niet betrouwbaar. Ik help de buurman bevat geen aan, maar Ich helfe dem Nachbarn staat wel in de datief.
Na elk plaatsvoorzetsel de datief kiezen
- Fout: Ich lege das Buch auf dem Tisch. als het boek naar de tafel toe wordt gelegd.
- Goed: Ich lege das Buch auf den Tisch.
- Waarom: Auf is een tweerichtingsvoorzetsel. Bij richting of verandering van plaats staat hier de accusatief; bij een locatie de datief: Das Buch liegt auf dem Tisch.
Einen gebruiken waar einem nodig is
- Fout: Er schreibt einen Freund.
- Goed: Er schreibt einem Freund.
- Waarom: De vriend is de geadresseerde. Mannelijk onbepaald datief is einem; einen is accusatief.
Gebruiksnotities
In gesprekken kan de woordvolgorde variëren, maar de uitgangen blijven de betrouwbaarste aanwijzing. Dem Mann gebe ich das Buch legt nadruk op de man, terwijl Das Buch gebe ich dem Mann het boek naar voren haalt. Beide woordgroepen behouden hun naamval, ongeacht hun positie.
Veel combinaties van voorzetsel en bepaald lidwoord trekken samen. Dat is normale standaardtaal, niet alleen spreektaal:
| Volledige vorm | Samengetrokken vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| an dem | am | am Bahnhof |
| bei dem | beim | beim Arzt |
| in dem | im | im Büro |
| von dem | vom | vom Markt |
| zu dem | zum | zum Bahnhof |
| zu der | zur | zur Schule |
De samentrekking is vaak vanzelfsprekend wanneer geen bijzondere nadruk op het lidwoord ligt. Wil je juist ‘bij dát huis’ zeggen, dan gebruik je eerder een aanwijzend woord: bei diesem Haus.
Bij een zelfstandig naamwoord zonder artikel is de datief soms minder zichtbaar: mit kaltem Wasser, aus Holz. Dan draagt een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt) de herkenbare uitgang. Dat systeem hoort bij de verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden, maar de reden voor de naamval blijft hetzelfde.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A2 nog niet volledig te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.
Tweerichtingsvoorzetsels
An, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor en zwischen kunnen datief óf accusatief krijgen. In de basis gebruik je datief bij een positie of locatie (Wo?) en accusatief bij een bestemming of verandering van plaats (Wohin?):
- Das Bild hängt an der Wand. — De afbeelding hangt aan de muur.
- Ich hänge das Bild an die Wand. — Ik hang de afbeelding aan de muur.
Het verschil gaat dus niet simpelweg over ‘wel of geen beweging’. In Ich laufe im Park is er beweging, maar die vindt binnen één locatie plaats; daarom staat im Park in de datief.
Woordvolgorde met twee objecten
Bij twee zelfstandige naamwoordgroepen komt de datief vaak vóór de accusatief: Ich gebe dem Kind das Buch. Voornaamwoorden volgen andere voorkeuren: Ich gebe es dem Kind en Ich gebe ihm das Buch. De naamval bepaalt de vorm, terwijl informatiewaarde en nadruk mede de volgorde bepalen.
Bijzondere zelfstandige naamwoorden
Sommige mannelijke zelfstandige naamwoorden volgen de N-declinatie en krijgen buiten de nominatief enkelvoud een uitgang -n of -en: der Student → mit dem Studenten, der Kunde → bei einem Kunden. Dat is iets anders dan de algemene meervouds-n en moet per woord worden geleerd.
Ook bestaan er enkele vaste of formele datiefvormen, zoals zu Hause en nach Hause. Zulke combinaties kun je het best als geheel onthouden; ze veranderen niets aan het gewone artikelenpatroon.
Oefentips
- Leer zelfstandige naamwoorden met geslacht én meervoud. Noteer bijvoorbeeld der Freund – die Freunde. Maak daarna meteen mit einem Freund en mit den Freunden. Zo oefen je artikel en meervouds-n samen.
- Markeer functies met kleuren. Onderstreep in zinnen als Ich schicke der Kundin die Rechnung de ontvanger en de verzonden zaak verschillend. Vraag daarna Wem? en Wen oder was?.
- Leer korte woordgroepen, geen losse rijtjes. Herhaal mit dem Zug, bei der Arbeit, zu einem Freund en von den Eltern. Zulke vaste brokjes maken de juiste uitgang sneller automatisch.
Verwante onderwerpen
- Eerst leren: Accusatiefartikelen — helpt het lijdend voorwerp van het datiefobject te onderscheiden.
- Logische volgende stap: Datiefvoornaamwoorden — vervang dem Mann bijvoorbeeld door ihm.
- Logische volgende stap: Datiefvoorzetsels — oefen vaste combinaties met mit, nach, bei, von, zu en andere voorzetsels.
- Vergelijking: Tweerichtingsvoorzetsels — leer wanneer plaatsvoorzetsels datief of accusatief krijgen.
- Later: N-declinatie — verklaart vormen als dem Studenten en einem Kunden.
- Later: Genitief — breidt het Duitse naamvallensysteem verder uit.
Vereiste kennis
Accusatief met lidwoorden in het DuitsA1Concepten die hierop voortbouwen
Meer A2-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Dativ (Artikel) in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen