A2
Betrekkelijke Voornaamwoorden in het Nederlands
Betrekkelijke Voornaamwoorden
Overzicht
Betrekkelijke voornaamwoorden verbinden een zelfstandig naamwoord met een bijzin die meer informatie geeft. In het Nederlands zijn de twee hoofdvormen die en dat. De keuze hangt af van het geslacht van het woord dat beschreven wordt.
Naast die en dat zijn er ook wie (voor personen na een voorzetsel) en wat (voor ondefineerbare antecedenten).
Hoe het werkt
Die vs. dat
| Antecedent | Betrekkelijk voornaamwoord |
|---|---|
| De-woord enkelvoud | die |
| Meervoud | die |
| Het-woord enkelvoud | dat |
Voorzetsel + wie / waar
Wanneer het betrekkelijk voornaamwoord na een voorzetsel staat:
- Persoon: voorzetsel + wie — de man met wie ik sprak
- Ding: voor- + waar- + zetseld — het huis waarin ik woon of het huis waar ik in woon
Wat
Wat gebruik je wanneer het antecedent onbepaald is:
- alles wat ik heb
- iets wat me opvalt
- dat wat hij zei
Voorbeelden in context
| Nederlands | Vertaling | Opmerking |
|---|---|---|
| De man die daar staat is mijn vader. | The man who is standing there is my father. | De-woord → die |
| Het boek dat ik lees is spannend. | The book that I am reading is exciting. | Het-woord → dat |
| De kinderen die buiten spelen zijn moe. | The children who are playing outside are tired. | Meervoud → die |
| De vrouw met wie ik praatte heet Anna. | The woman with whom I talked is called Anna. | Voorzetsel + persoon → wie |
| Het huis waarin hij woont is oud. | The house in which he lives is old. | Voorzetsel + ding → waar- + in |
| Alles wat hij doet is perfect. | Everything he does is perfect. | Onbepaald antecedent → wat |
Veelgemaakte fouten
| Fout | Correct | Waarom |
|---|---|---|
| Het boek die ik lees. | Het boek dat ik lees. | Het-woord → dat. |
| De man dat daar staat. | De man die daar staat. | De-woord → die. |
| de vrouw wie ik zag | de vrouw die ik zag | Directe objectpositie zonder voorzetsel → die/dat. |
Oefentips
- De/het-test. Controleer het geslacht: de → die; het → dat.
- Zinnen uitbreiden. Neem een eenvoudige zin en voeg een betrekkelijke bijzin toe.
- Voorzetsels oefenen. Schrijf vijf zinnen met waar- + voorzetsel voor dingen.
Verwante concepten
- Vereiste: De- en Het-woorden — nodig als basis voor dit onderwerp
Vereiste kennis
De- en Het-woorden in het NederlandsA1Meer A2-concepten
Voltooid Tegenwoordige Tijd in het NederlandsVoltooid Tegenwoordige TijdHebben of Zijn in de Voltooid Tegenwoordige TijdHebben of ZijnOnregelmatige Voltooide Deelwoorden in het NederlandsOnregelmatige Voltooide DeelwoordenScheidbare Werkwoorden in het NederlandsScheidbare WerkwoordenWederkerende Werkwoorden in het NederlandsWederkerend Werkwoorden
Wil je Betrekkelijke Voornaamwoorden in het Nederlands en meer Nederlands-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.
Gratis beginnen