A2

Hebben of Zijn in de Voltooid Tegenwoordige Tijd

Hebben of Zijn

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.

Overzicht

Bij de voltooid tegenwoordige tijd moet je kiezen: hebben of zijn als hulpwerkwoord? Dit is een van de meest gestelde vragen door leerders van het Nederlands. Er zijn duidelijke regels, maar ook uitzonderingen.

De hoofdregel: gebruik zijn bij werkwoorden die een beweging van A naar B uitdrukken, een toestandsverandering, of inherent intransitief zijn (geen object kunnen hebben). Gebruik hebben voor alles wat overblijft.

Hoe het werkt

Werkwoorden met zijn

Categorie Werkwoorden
Beweging van A naar B gaan, komen, vertrekken, aankomen, rijden*, lopen*, fietsen*
Toestandsverandering worden, groeien, sterven, vallen, stijgen, dalen
Vaste zijn-werkwoorden zijn, blijven, blijken, lijken, schijnen

*Alleen met zijn als er een duidelijke richting/bestemming is: Hij is naar Rotterdam gereden. Zonder richting: Hij heeft een uur gereden.

Werkwoorden met hebben

Alle overige werkwoorden, inclusief:

  • Transitieve werkwoorden (met lijdend voorwerp): eten, drinken, lezen, kopen
  • De meeste onbepaalde activiteiten: werken, slapen, wachten

Sneltest

Vraag jezelf: Is er een duidelijke beweging van plek A naar plek B, of een verandering van toestand?

  • Ja → waarschijnlijk zijn
  • Nee → waarschijnlijk hebben

Voorbeelden in context

Nederlands Vertaling Zijn/Hebben
Ik ben naar huis gegaan. Ik ging naar huis. zijn — beweging A→B
Ze heeft een boek gelezen. Ze las een boek. hebben — transitief
Hij is ziek geworden. Hij werd ziek. zijn — toestandsverandering
We hebben gegeten. We aten. hebben — activiteit
De trein is vertrokken. De trein vertrok. zijn — beweging
Zij heeft geslapen. Zij sliep. hebben — activiteit zonder beweging
Het kind is gevallen. Het kind viel. zijn — toestandsverandering
Ze hebben gefietst. Ze fietsten. hebben — activiteit zonder richting
Ze zijn naar Utrecht gefietst. Ze fietsten naar Utrecht. zijn — beweging met richting

Veelgemaakte fouten

Fout Correct Waarom
Ik heb gegaan. Ik ben gegaan. Gaan → altijd zijn.
Ze heeft gekomen. Ze is gekomen. Komenzijn.
Hij is geslapen. Hij heeft geslapen. Slapen heeft geen richting → hebben.
Ze is gegeten. Ze heeft gegeten. Eten is transitief → hebben.

Oefentips

  1. Zijn-lijst uit je hoofd. Leer de 15 meest voorkomende zijn-werkwoorden als pakketje.
  2. Richting-test. Stel je voor: gaat iemand ergens naartoe? Dan waarschijnlijk zijn.
  3. Dubbelzinnige werkwoorden. Rijden, lopen, fietsen: zonder richting = hebben; met richting = zijn. Maak twee zinnen van elk.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Voltooid Tegenwoordige Tijd in het NederlandsA2

Meer A2-concepten

Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Maak een gratis account aan wanneer je klaar bent om te oefenen met spaced repetition.

Gratis beginnen