A2

De Passato Prossimo in het Italiaans

Passato Prossimo

Overzicht

De passato prossimo is de belangrijkste verleden tijd in het gesproken Italiaans. Je gebruikt hem voor acties die afgerond zijn, voor persoonlijke ervaringen en voor recente gebeurtenissen. In Noord-Italië en in de dagelijkse spreektaal vervangt hij bijna volledig de passato remoto (de enkelvoudige verleden tijd).

De passato prossimo is een samengestelde tijd: je vormt hem met een hulpwerkwoord (avere of essere) plus het voltooid deelwoord. Dit lijkt op de Nederlandse voltooide tijd ("ik heb gegeten", "ik ben gegaan") — en inderdaad, de keuze tussen avere en essere is vergelijkbaar met de keuze tussen "hebben" en "zijn" in het Nederlands.

De uitdaging zit hem in de vraag: wanneer gebruik je avere en wanneer essere? En wanneer moet het voltooid deelwoord meebogen? Dat zijn de twee kernregels die je in dit artikel leert.

Hoe het werkt

Vorming

Hulpwerkwoord (avere of essere) + voltooid deelwoord

Regelmatige voltooide deelwoorden:

Werkwoord type Infinitief Deelwoord
-are werkwoorden parlare parlato
-ere werkwoorden vedere veduto / visto
-ire werkwoorden sentire sentito

Wanneer avere?

De meeste werkwoorden gebruiken avere. Dit zijn in het bijzonder overgankelijke werkwoorden (werkwoorden die een lijdend voorwerp kunnen hebben):

  • Ho mangiato la pizza. — Ik heb de pizza gegeten.
  • Ho scritto una lettera. — Ik heb een brief geschreven.
  • Hai visto Marco? — Heb jij Marco gezien?

Wanneer essere?

Gebruik essere bij:

  1. Bewegingswerkwoorden: andare (gaan), venire (komen), partire (vertrekken), arrivare (aankomen), tornare (terugkomen)
  2. Toestandsveranderingen: nascere (geboren worden), morire (sterven), diventare (worden)
  3. Stare (zijn/blijven), restare/rimanere (blijven)
  4. Alle reflexieve werkwoorden

Bij essere buigt het voltooid deelwoord mee met het onderwerp (geslacht en getal):

Onderwerp Deelwoord
io (m.) andato
io (v.) andata
noi (gemengd/m.) andati
noi (v.) andate

Vervoeging met avere (parlare)

Persoon Vervoeging
io ho parlato
tu hai parlato
lui/lei ha parlato
noi abbiamo parlato
voi avete parlato
loro hanno parlato

Vervoeging met essere (andare)

Persoon Mannelijk Vrouwelijk
io sono andato sono andata
tu sei andato sei andata
lui/lei è andato è andata
noi siamo andati siamo andate
voi siete andati siete andate
loro sono andati sono andate

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Opmerking
Ho mangiato la pizza. Ik heb de pizza gegeten. avere + -are deelwoord
Sono andato a Roma. Ik ben naar Rome gegaan. essere + beweging
Lei è arrivata tardi. Zij is laat aangekomen. essere + vrouwelijk
Abbiamo visto un bel film. We hebben een mooie film gezien. avere + onregelmatig
Hai già mangiato? Heb jij al gegeten? vraagzin
Non ho capito niente. Ik heb niets begrepen. ontkenning
Siamo partiti ieri. We zijn gisteren vertrokken. essere + mannelijk mv.
Ha comprato una borsa nuova. Zij heeft een nieuwe tas gekocht. avere + -are
Sono nato a Amsterdam. Ik ben geboren in Amsterdam. essere + toestandsverandering
Non sono mai stato in Italia. Ik ben nooit in Italië geweest. essere + mai

Veelgemaakte fouten

Avere en essere door elkaar halen

  • Fout: Ho andato a Roma.
  • Correct: Sono andato/a a Roma.
  • Waarom: Andare is een bewegingswerkwoord en neemt altijd essere.

Deelwoord niet laten buigen bij essere

  • Fout: Maria è andato a scuola.
  • Correct: Maria è andata a scuola.
  • Waarom: Bij essere buigt het deelwoord mee met het onderwerp: Maria is vrouwelijk, dus andata.

Deelwoord onnodig buigen bij avere

  • Fout: Ho mangiate la pizza.
  • Correct: Ho mangiato la pizza.
  • Waarom: Bij avere buigt het deelwoord normaal gesproken niet mee (tenzij er een voorafgaand lijdend-voorwerpvoornaamwoord is).

Verkeerde hulpwerkwoordvorm

  • Fout: Hanno andati a casa.
  • Correct: Sono andati a casa.
  • Waarom: Nooit avere + een werkwoord dat essere vereist.

Gebruiksnotities

In Noord-Italië en Midden-Italië wordt de passato prossimo gebruikt voor alle verleden acties, ook die van lang geleden. In Zuid-Italië en Sicilië is de passato remoto gangbaarder. Voor dagelijkse communicatie en spreektaal is de passato prossimo altijd de veilige keuze.

Oefentips

  1. Maak een lijst van tien werkwoorden: verdeel ze in "avere-werkwoorden" en "essere-werkwoorden". Leer die laatste lijst uit je hoofd.
  2. Schrijf een kort dagboekverhaaltje over wat je gisteren hebt gedaan, en gebruik consequent de passato prossimo.
  3. Oefen het buigen van het deelwoord bij essere-werkwoorden door zinnen te maken over verschillende personen (een man, een vrouw, een groep).

Verwante concepten

Vereiste kennis

Het Werkwoord "Avere" (Hebben) in het ItaliaansA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Wil je De Passato Prossimo in het Italiaans en meer Italiaans-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen