A2

Passato prossimo in het Italiaans

Passato Prossimo

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

In het kort

De passato prossimo vertelt over een afgeronde gebeurtenis in het verleden. Je vormt deze tijd met de tegenwoordige tijd van avere of essere plus een participio passato (voltooid deelwoord): ho mangiato en sono partito. Bij essere past het deelwoord zich aan het onderwerp aan: Marco è partito, maar Giulia è partita.

Overzicht

De passato prossimo is de verleden tijd die je op A2-niveau nodig hebt om te vertellen wat je hebt gedaan, gezien of meegemaakt. Je hoort en leest hem voortdurend in gesprekken, berichten en alledaagse verhalen: Hai dormito bene? (Heb je goed geslapen?), Ieri abbiamo lavorato (Gisteren hebben we gewerkt / werkten we) en Marta è tornata a casa (Marta is naar huis teruggekeerd).

De vorm lijkt op de Nederlandse voltooide tijd: een hulpwerkwoord plus een voltooid deelwoord. Toch vallen de tijden niet precies samen. Het Italiaans gebruikt de passato prossimo vaak ook waar een Nederlandstalige spontaan de onvoltooid verleden tijd gebruikt. Sabato ho comprato una bicicletta kan dus zowel met “Zaterdag heb ik een fiets gekocht” als met “Zaterdag kocht ik een fiets” worden weergegeven. Kijk niet alleen naar de Nederlandse werkwoordsvorm, maar vooral naar de Italiaanse kijk op de gebeurtenis: deze wordt als één afgerond geheel voorgesteld.

Voor een goede vorm moet je drie dingen weten: welk hulpwerkwoord het werkwoord verlangt, hoe het voltooid deelwoord wordt gemaakt en of dat deelwoord moet overeenkomen met een persoon of zaak. De eenvoudige basisregel staat voorop; uitzonderingen en fijnere verschillen komen later in dit artikel apart aan bod.

Hoe het werkt

De bouwstenen

De gewone volgorde is:

onderwerp + avere/essere + participio passato

Een hulpwerkwoord draagt hier de persoonsvorm; het laat dus onder meer zien wie handelt. Het participio passato is het voltooid deelwoord, zoals Nederlands “gegeten” of “vertrokken”.

Onderwerp mangiare met avere partire met essere
io ho mangiato sono partito/a
tu hai mangiato sei partito/a
lui ha mangiato è partito
lei ha mangiato è partita
noi abbiamo mangiato siamo partiti/e
voi avete mangiato siete partiti/e
loro hanno mangiato sono partiti/e

Italiaans laat het onderwerp vaak weg, omdat het hulpwerkwoord al veel informatie geeft: Abbiamo mangiato betekent zonder noi gewoon “We hebben gegeten”. Let wel op sono: dat kan “ik ben” of “zij zijn” betekenen. Het deelwoord en de context maken het verschil duidelijk: Sono partita is “Ik ben vertrokken” van een vrouwelijke spreker; Sono partiti betekent “Zij zijn vertrokken” voor mannen of een gemengde groep.

Regelmatige voltooide deelwoorden

Neem de infinitief (de hele werkwoordsvorm, zoals parlare) en vervang de uitgang:

Infinitief Uitgang wordt Voltooid deelwoord Voorbeeld
parlare -are-ato parlato Ho parlato con Luca.
credere -ere-uto creduto Non ti ho creduto.
dormire -ire-ito dormito Abbiamo dormito bene.

Veel frequente werkwoorden zijn onregelmatig. Leer hun infinitief en deelwoord daarom als paar. Belangrijke vormen zijn fare → fatto, dire → detto, leggere → letto, scrivere → scritto, vedere → visto, prendere → preso, mettere → messo, aprire → aperto, chiudere → chiuso, bere → bevuto, venire → venuto en essere → stato.

Het hulpwerkwoord en het deelwoord blijven twee afzonderlijke woorden. Zeg dus ho fatto, niet één samengevoegde vorm. In een ontkenning staat non vóór het hulpwerkwoord: Non ho capito (Ik heb het niet begrepen). Korte bijwoorden zoals già (al), mai (ooit/nooit), ancora (nog) en appena (net) staan vaak tussen beide delen: Hai già mangiato?, Non sono mai stata a Napoli.

Wanneer gebruik je avere?

De meeste Italiaanse werkwoorden vormen de passato prossimo met avere. Dat geldt in het bijzonder voor transitieve werkwoorden: werkwoorden die een lijdend voorwerp kunnen hebben (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat).

  • Ho comprato un biglietto. — Ik heb een kaartje gekocht.
  • Elena ha chiamato sua madre. — Elena heeft haar moeder gebeld.
  • Avete finito il lavoro? — Hebben jullie het werk afgemaakt?

Ook verscheidene werkwoorden zonder lijdend voorwerp nemen avere, bijvoorbeeld dormire, camminare, viaggiare en telefonare: Abbiamo camminato per due ore. Alleen vragen “is er beweging?” levert dus niet altijd het juiste hulpwerkwoord op.

Met avere blijft het deelwoord in de beginnersregel onveranderd op -o, ongeacht wie het onderwerp is:

  • Anna ha mangiato.
  • Paolo e Anna hanno mangiato.

Wanneer gebruik je essere?

Een belangrijke groep werkwoorden gebruikt essere. Daartoe behoren veel werkwoorden voor verplaatsing naar een bestemming, aankomst of vertrek, en verandering of voortduring van een toestand. Veelvoorkomende voorbeelden zijn andare, venire, arrivare, partire, entrare, uscire, tornare, nascere, morire, diventare, restare en rimanere.

  • Siamo andati a Bologna. — We zijn naar Bologna gegaan.
  • Chiara è diventata medico. — Chiara is arts geworden.
  • I bambini sono rimasti a casa. — De kinderen zijn thuisgebleven.

Maar “beweging = essere” is slechts een geheugensteun, geen waterdichte regel: ho camminato, abbiamo viaggiato en hanno nuotato hebben avere. Leer het hulpwerkwoord daarom bij het werkwoord en controleer bij twijfel een woordenboek.

Alle wederkerende werkwoorden gebruiken essere. Een wederkerend werkwoord beschrijft een handeling die op het onderwerp zelf terugwerkt en heeft een voornaamwoord als mi, ti, si, ci of vi:

  • Mi sono svegliato/a alle sette. — Ik ben om zeven uur wakker geworden.
  • Ci siamo incontrati davanti al bar. — We hebben elkaar voor het café ontmoet.
  • Laura si è vestita in fretta. — Laura heeft zich snel aangekleed.

Overeenkomst bij essere

Met essere komt het voltooid deelwoord overeen met het onderwerp in geslacht en getal. “Geslacht” betekent hier de grammaticale mannelijke of vrouwelijke vorm; “getal” betekent enkelvoud of meervoud.

Onderwerp Uitgang Voorbeeld
mannelijk enkelvoud -o Luca è arrivato.
vrouwelijk enkelvoud -a Sara è arrivata.
mannelijk of gemengd meervoud -i Luca e Sara sono arrivati.
vrouwelijk meervoud -e Sara e Giulia sono arrivate.

Dit verschilt deels van het Nederlands. In “Anna is vertrokken” verandert “vertrokken” niet, maar in het Italiaans moet partito wel partita worden. Als je over jezelf spreekt, laat je uitgang zien welke vorm bij jou past: Sono nato of Sono nata.

Vragen en ontkenningen

Voor een ja-neevraag is geen aparte woordvolgorde nodig. In gesproken taal maakt de intonatie er een vraag van; in schrift doet het vraagteken dat:

  • Hai visto Paolo? — Heb je Paolo gezien?
  • Siete arrivati bene? — Zijn jullie goed aangekomen?

Bij een ontkenning blijft de tweedelige werkwoordsvorm bij elkaar:

  • Non abbiamo trovato le chiavi. — We hebben de sleutels niet gevonden.
  • Marta non è uscita. — Marta is niet weggegaan.

Een objectvoornaamwoord, een kort woord dat een eerder genoemde persoon of zaak vervangt, staat vóór het hulpwerkwoord: Non l’ho visto (Ik heb hem/het niet gezien), Ti ho chiamato (Ik heb je gebeld).

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Toelichting
Ho mangiato la pizza. Ik heb de pizza gegeten. Avere met een lijdend voorwerp.
Ieri ho comprato il pane. Gisteren kocht ik brood. Een Nederlandse verleden tijd kan een Italiaanse passato prossimo weergeven.
Hai già prenotato l’albergo? Heb je het hotel al geboekt? Già staat tussen hulpwerkwoord en deelwoord.
Non abbiamo capito la domanda. We hebben de vraag niet begrepen. Ontkenning vóór avere.
Giulia ha scritto tre messaggi. Giulia heeft drie berichten geschreven. Onregelmatig deelwoord scritto.
Sono andato a Roma in treno. Ik ben met de trein naar Rome gegaan. Mannelijke spreker; essere bij andare.
Francesca è arrivata tardi. Francesca is laat aangekomen. Vrouwelijk enkelvoud: arrivata.
Siamo usciti dopo cena. We zijn na het eten weggegaan. Mannelijke of gemengde groep.
Le ragazze sono tornate a casa. De meisjes zijn naar huis teruggekeerd. Vrouwelijk meervoud: tornate.
Mi sono alzata presto. Ik ben vroeg opgestaan. Wederkerend werkwoord; vrouwelijke spreker.
Ci siamo divertiti molto. We hebben ons erg vermaakt. Wederkerende vorm met essere.
Avete dormito bene? Hebben jullie goed geslapen? Dormire heeft ondanks het ontbreken van een lijdend voorwerp avere.
Non sono mai stato in Sicilia. Ik ben nog nooit op Sicilië geweest. Mai tussen hulpwerkwoord en deelwoord; mannelijke spreker.
Marco è nato nel 1998. Marco is in 1998 geboren. Nascere heeft essere.

Veelgemaakte fouten

Het Nederlandse hulpwerkwoord letterlijk overnemen

  • Onjuist: Sono viaggiato molto quest’anno.
  • Juist: Ho viaggiato molto quest’anno.
  • Waarom: Het Italiaanse viaggiare gebruikt avere. Een betekenis als beweging garandeert niet dat essere juist is.

Geen overeenkomst maken bij essere

  • Onjuist: Maria è arrivato ieri.
  • Juist: Maria è arrivata ieri.
  • Waarom: Met essere past het deelwoord zich aan het onderwerp aan. Maria is vrouwelijk enkelvoud, dus de uitgang is -a.

Het deelwoord laten overeenkomen met het onderwerp bij avere

  • Onjuist: Le ragazze hanno mangiate la pasta.
  • Juist: Le ragazze hanno mangiato la pasta.
  • Waarom: In de basisconstructie met avere blijft het deelwoord op -o. Het vrouwelijke meervoud van het onderwerp verandert mangiato niet.

Een regelmatige vorm maken van een onregelmatig deelwoord

  • Onjuist: Ho facciuto i compiti.
  • Juist: Ho fatto i compiti.
  • Waarom: Het deelwoord van fare is fatto. Veel frequente deelwoorden moeten apart worden geleerd.

Bij een wederkerend werkwoord avere kiezen

  • Onjuist: Mi ho svegliato alle sei.
  • Juist: Mi sono svegliato alle sei. / Mi sono svegliata alle sei.
  • Waarom: Wederkerende werkwoorden vormen samengestelde tijden met essere. Ook de overeenkomst is dan verplicht.

De Nederlandse woordvolgorde kopiëren

  • Onjuist: Ieri comprato ho un libro.
  • Juist: Ieri ho comprato un libro.
  • Waarom: In een gewone Italiaanse hoofdzin staan hulpwerkwoord en deelwoord in deze volgorde dicht bij elkaar. De Nederlandse neiging om het deelwoord achteraan te zetten, helpt hier niet.

Gebruiksnotities

De naam passato prossimo suggereert een “nabij” verleden, maar tijdsafstand alleen beslist niet. Je kunt hem gebruiken voor iets van zojuist én voor een afgeronde gebeurtenis van jaren geleden, vooral wanneer je die als relevant voor het gesprek presenteert: Mio nonno è nato nel 1940. Voor historische en literair vertelde gebeurtenissen bestaat ook de passato remoto, maar het gebruik daarvan verschilt per streek en tekstsoort.

Signaalwoorden zoals ieri, stamattina, la settimana scorsa, due anni fa, già, appena en mai komen vaak met de passato prossimo voor, maar kiezen de tijd niet automatisch. De spreker bepaalt of een handeling als afgerond feit, achtergrond, gewoonte of voortgaande situatie wordt gezien. Voor achtergrond en herhaling in het verleden leer je later vaak de imperfetto: Da piccolo andavo al mare ogni estate (Als kind ging ik elke zomer naar zee).

In Noord- en Midden-Italië is de passato prossimo in de omgangstaal zeer ruim inzetbaar. In delen van Zuid-Italië hoor je voor afgesloten gebeurtenissen vaker de passato remoto. Als leerder kun je de passato prossimo in alledaagse gesprekken veilig als centrale verleden tijd gebruiken.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2-niveau nog niet allemaal actief te beheersen, maar je komt ze later vaak tegen.

Eén werkwoord, een ander hulpwerkwoord

Sommige werkwoorden kunnen van hulpwerkwoord wisselen wanneer hun gebruik verandert. Vergelijk:

  • La lezione è cominciata alle nove. — De les is om negen uur begonnen.
  • Il professore ha cominciato la lezione alle nove. — De docent is de les om negen uur begonnen.

In de eerste zin is la lezione zelf het onderwerp van de gebeurtenis. In de tweede begint de docent iets; la lezione is het lijdend voorwerp. Een vergelijkbaar verschil bestaat bij onder meer finire en cambiare. Leer zulke patronen via volledige voorbeeldzinnen.

Overeenkomst met een voorafgaand lijdend-voorwerpspronomen

Met avere blijft het deelwoord normaal onveranderd: Ho visto Maria. Staat een kort lijdend-voorwerpspronomen vóór de werkwoordsvorm, dan kan of moet er overeenkomst optreden, afhankelijk van het pronomen en de constructie:

  • Maria? L’ho vista ieri. — Maria? Ik heb haar gisteren gezien.
  • I libri? Li abbiamo comprati online. — De boeken? We hebben ze online gekocht.
  • Quante lettere hai scritto? Ne ho scritte tre. — Hoeveel brieven heb je geschreven? Ik heb er drie geschreven.

Dit is een eigen onderwerp binnen de overeenkomst van het voltooid deelwoord. Voor beginners is de hoofdregel voldoende: met essere altijd overeenkomst; met een gewoon zelfstandig naamwoord na avere geen overeenkomst.

Modale werkwoorden

Bij potere, dovere en volere plus een infinitief kan de keuze van het hulpwerkwoord samenhangen met het werkwoord dat erop volgt: Ho dovuto lavorare maar Sono dovuta partire. In hedendaags gebruik komt avere in bepaalde constructies eveneens voor. Volg eerst betrouwbare voorbeeldzinnen en behandel dit later als verdieping; het verandert de basis van de passato prossimo niet.

Verschil met imperfetto en trapassato prossimo

De passato prossimo zet een afgerond voorval op de voorgrond; de imperfetto geeft vaak een toestand, gewoonte of achtergrond weer. Ze staan geregeld samen: Mentre cenavamo, è arrivata Laura (Terwijl we aan het eten waren, kwam Laura aan). Voor iets dat al voltooid was vóór een ander moment in het verleden gebruik je de trapassato prossimo: Quando sono arrivato, Laura era già partita (Toen ik aankwam, was Laura al vertrokken).

Oefentips

  1. Leer werkwoorden in een pakketje. Noteer niet alleen partire, maar partire — essere — partito/a. Noteer bij fare meteen fare — avere — fatto. Zo oefen je hulpwerkwoord en deelwoord samen.
  2. Vertel elke dag drie afgeronde gebeurtenissen. Maak één zin met avere, één met essere en één wederkerende zin: Ho lavorato, Sono tornato/a a casa, Mi sono riposato/a.
  3. Controleer drie vragen bij elke zin. Is de gebeurtenis afgerond? Welk hulpwerkwoord hoort bij dit werkwoord? Moet het deelwoord overeenkomen? Markeer bij het nalezen -o, -a, -i en -e met verschillende kleuren.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Het werkwoord *avere* in het ItaliaansA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Passato Prossimo in Italiaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Italiaans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen