B2

Indirecte rede in het Italiaans

Discorso Indiretto

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Met de indirecte rede geef je iemands woorden weer zonder ze letterlijk te citeren: Giulia dice: «Sono stanca» wordt Giulia dice che è stanca. Staat het werkwoord van zeggen in het verleden, dan bekijk je de gemelde handeling meestal vanuit dat verleden: gelijktijdigheid krijgt vaak de imperfetto, een eerdere handeling de trapassato prossimo en een latere handeling de condizionale passato.

Overzicht

De Italiaanse term discorso indiretto betekent dat je vertelt wat iemand heeft gezegd, gevraagd, gedacht of bevolen. Je gebruikt dus geen letterlijke aanhalingstekens, maar neemt de boodschap op in een bijzin. Zo wordt Paolo ha detto: «Non ho tempo» (Paolo zei: ‘Ik heb geen tijd’) in de indirecte rede Paolo ha detto che non aveva tempo (Paolo zei dat hij geen tijd had).

Dit onderwerp hoort bij B2 omdat er verschillende grammaticale onderdelen samenkomen. Je moet niet alleen een passende verbinding kiezen, zoals che (dat), se (of) of di + infinitief, maar soms ook de werkwoordstijd, voornaamwoorden en woorden als oggi, qui en domani aanpassen. Een infinitief is de onverbogen vorm van een werkwoord, zoals venire of aspettare.

Voor Nederlandstaligen voelt de basis vertrouwd: Nederlands gebruikt eveneens ‘dat’ bij mededelingen en ‘of’ bij ja-neevragen. Toch zijn er twee belangrijke verschillen. In een Nederlandse bijzin komt de persoonsvorm vaak achteraan; in het Italiaans blijft de gewone woordvolgorde doorgaans behouden. Bovendien wordt de verhouding tot een verleden vertelstandpunt in verzorgd Italiaans duidelijk in de werkwoordstijden uitgedrukt.

Hoe het werkt

Mededelingen met che

Na werkwoorden als dire (zeggen), rispondere (antwoorden), spiegare (uitleggen), raccontare (vertellen), pensare (denken) en sapere (weten) leidt che meestal een volledige bijzin in:

zeg-/denkwerkwoord + che + onderwerp + persoonsvorm

  • Laura dice: «Sono pronta».Laura dice che è pronta.
  • Marco ha spiegato: «Il negozio era chiuso».Marco ha spiegato che il negozio era chiuso.

Che mag hier niet worden weggelaten. Dat is extra belangrijk voor wie aan andere talen gewend is waarin het voegwoord soms kan verdwijnen. Let ook op de Italiaanse woordvolgorde: Ha detto che Luca lavorava a Roma, niet een constructie met alle werkwoorden aan het einde zoals in het Nederlands.

De tijd van het inleidende werkwoord

Het inleidende werkwoord is het werkwoord waarmee je de woorden weergeeft, bijvoorbeeld dice, ha detto of disse. Staat dat werkwoord in het heden of de toekomst, dan blijven de oorspronkelijke tijden meestal behouden:

  • Anna dice: «Lavoro da casa».Anna dice che lavora da casa.
  • Anna dirà: «Ho finito».Anna dirà che ha finito.

Staat het inleidende werkwoord in een verleden tijd, dan kies je de tijd in de bijzin op grond van de tijdverhouding tot dat voorbije moment. Dat principe heet de consecutio temporum (de samenhang van werkwoordstijden).

Verhouding tot het moment van spreken Vaak in de directe rede Gewoonlijk in de indirecte rede na een verleden tijd Voorbeeld
Gelijktijdig presente imperfetto «Sono stanco»Ha detto che era stanco.
Al eerder gebeurd passato prossimo trapassato prossimo «Ho già mangiato»Ha detto che aveva già mangiato.
Nog later te gebeuren futuro semplice condizionale passato «Tornerò»Ha detto che sarebbe tornato.
Al aan de gang of gewoonte in het verleden imperfetto vaak nog steeds imperfetto «Da piccolo abitavo qui»Disse che da piccolo abitava lì.
Al voltooid vóór een verleden moment trapassato prossimo blijft meestal trapassato prossimo «Avevo già telefonato»Disse che aveva già telefonato.

De trapassato prossimo is de voltooid verleden tijd: aveva fatto, era partito. De condizionale passato is de voltooid voorwaardelijke wijs: avrebbe fatto, sarebbe partito. In de indirecte rede drukt die laatste vorm vaak geen voorwaarde uit, maar een toekomst gezien vanuit het verleden.

Vergelijk:

  • Ha detto che lavorava. — Het werken was gelijktijdig met het zeggen.
  • Ha detto che aveva lavorato. — Het werken vond vóór het zeggen plaats.
  • Ha detto che avrebbe lavorato. — Het werken moest na het zeggen nog gebeuren.

Het Nederlands maakt hetzelfde verschil vaak met ‘werkte’, ‘had gewerkt’ en ‘zou werken’. De Italiaanse vorm sarebbe tornato lijkt letterlijk zwaarder dan Nederlands ‘zou terugkomen’, maar is juist de normale manier om zo’n toekomstige handeling vanuit het verleden te bekijken.

Indirecte ja-neevragen met se

Een vraag waarop ja of nee mogelijk is, krijgt se (of):

  • Mi ha chiesto: «Hai fame?»Mi ha chiesto se avevo fame.
  • Ha domandato: «Verrete domani?»Ha domandato se saremmo venuti il giorno dopo.

De bijzin heeft geen vraagvolgorde nodig en eindigt normaal niet met een vraagteken wanneer de hele zin een mededeling is. Mi ha chiesto se ero pronto. is dus een mededelende zin over een vraag.

Verwar se niet met che. Nederlands helpt hier goed: bij ‘dat’ hoort meestal che, bij het vragende ‘of’ hoort se. Het Nederlandse ‘of’ in de betekenis ‘ofwel’ is echter o of oppure, niet se.

Indirecte vragen met een vraagwoord

Staat er al een vraagwoord, dan blijft dat staan:

  • «Dove abiti?»Mi ha chiesto dove abitavo.
  • «Perché sei partito?»Voleva sapere perché ero partito.
  • «Quando tornerai?»Mi chiese quando sarei tornato.

Veelgebruikte woorden zijn chi (wie), che cosa/cosa (wat), dove (waar), quando (wanneer), come (hoe), quanto (hoeveel) en perché (waarom). Voeg naast zo’n vraagwoord geen se toe.

In neutrale dagelijkse taal is de aantonende wijs, zoals dove abitavo, heel gebruikelijk. De aanvoegende wijs — de congiuntivo, een werkwoordsvorm die onder meer afstand, onzekerheid of een persoonlijke beoordeling kan uitdrukken — komt ook voor in indirecte vragen, vooral in verzorgde, formele of nadrukkelijk onzekere formuleringen: Si chiedeva dove fosse Marco (Hij vroeg zich af waar Marco was).

Bevelen, verzoeken en adviezen met di + infinitief

Een gebiedende wijs wordt vaak weergegeven met di + infinitief. Het handelende onderwerp moet dan duidelijk zijn uit de context, vaak door een voornaamwoord bij het inleidende werkwoord:

  • Mi ha detto: «Aspetta qui».Mi ha detto di aspettare lì.
  • Il medico mi ha consigliato: «Riposi».Il medico mi ha consigliato di riposare.
  • Ci ha chiesto: «Non fate rumore».Ci ha chiesto di non fare rumore.

Bij een ontkenning staat non vóór de infinitief: di non entrare. Geschikte inleidende werkwoorden zijn onder andere dire, chiedere, ordinare, consigliare, pregare en vietare.

Wanneer de infinitiefconstructie niet duidelijk of niet passend is, kan een volledige bijzin met che en een congiuntivo worden gebruikt, vooral in formelere taal: Ordinò che tutti uscissero (Hij beval dat iedereen naar buiten ging). Uscissero is hier een congiuntivo imperfetto, de verleden vorm van de aanvoegende wijs.

Voornaamwoorden en bezitswoorden aanpassen

De woorden worden verteld vanuit een nieuw gezichtspunt. Daarom kunnen persoon en bezit veranderen:

  • Elena ha detto: «Io porto la mia macchina».Elena ha detto che lei portava la sua macchina.
  • Mi hai detto: «Ti telefonerò».Mi hai detto che mi avresti telefonato.

Het Italiaanse onderwerp lei kan vaak worden weggelaten als duidelijk is dat Elena bedoeld wordt: Elena ha detto che portava la sua macchina. Let bij suo/sua/suoi/sue op mogelijke dubbelzinnigheid: deze woorden kunnen ‘zijn’ of ‘haar’ betekenen. Voeg zo nodig een naam toe of formuleer de zin anders.

Tijd en plaats vanuit het nieuwe standpunt

Deixis is het geheel van woorden waarvan de betekenis afhangt van wie spreekt, waar en wanneer. In gewone taal gaat het bijvoorbeeld om ‘hier’, ‘vandaag’ en ‘morgen’. Bij indirecte rede veranderen zulke woorden alleen als het nieuwe vertelstandpunt dat nodig maakt.

Direct woord Mogelijke vorm in een verhaal vanuit het verleden Betekenis in het Nederlands
oggi quel giorno die dag
ieri il giorno prima / precedente de dag ervoor
domani il giorno dopo / seguente de volgende dag
ora / adesso allora / in quel momento toen / op dat moment
qui / qua lì / là daar
questo quello dat
la settimana scorsa la settimana precedente de week ervoor
la settimana prossima la settimana successiva de week erna
due giorni fa due giorni prima twee dagen daarvoor

Dit zijn geen blinde vervangregels. Als je nog op dezelfde plek en dezelfde dag rapporteert, kan qui of oggi gewoon blijven staan: Ha detto stamattina che viene qui oggi. Ook venire en andare hangen van het standpunt af: Verrò da te kan bijvoorbeeld Ha detto che sarebbe venuto da me worden.

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Toelichting
Ha detto che era stanco. Hij zei dat hij moe was. Gelijktijdig met een moment in het verleden.
Disse che l'aveva già fatto. Hij zei dat hij het al had gedaan. De handeling was eerder voltooid.
Ha risposto che sarebbe tornato. Hij antwoordde dat hij zou terugkomen. Toekomst gezien vanuit het verleden.
Marta dice che non ha tempo. Marta zegt dat ze geen tijd heeft. Na een inleidend werkwoord in het heden blijft de tegenwoordige tijd staan.
Mi ha chiesto se volevo venire. Hij vroeg me of ik mee wilde komen. Indirecte ja-neevraag met se.
Ci hanno domandato dove abitavamo. Ze vroegen ons waar we woonden. Het vraagwoord dove blijft behouden.
Voleva sapere perché fossimo partiti così presto. Hij wilde weten waarom we zo vroeg vertrokken waren. Aanvoegende wijs in een verzorgde indirecte vraag.
La guida ci ha detto di aspettare fuori. De gids zei dat we buiten moesten wachten. Verzoek of instructie met di + infinitief.
Mia madre mi aveva raccomandato di non guidare di notte. Mijn moeder had me aangeraden niet 's nachts te rijden. Non staat vóór de infinitief.
Luca ha spiegato che il giorno prima aveva perso il treno. Luca legde uit dat hij de dag ervoor de trein had gemist. Zowel tijdsaanduiding als werkwoordstijd verandert.
Sara promise che ci avrebbe chiamati la settimana successiva. Sara beloofde dat ze ons de week erna zou bellen. Futuro semplice wordt toekomst-in-het-verleden.
Galileo sostenne che la Terra gira intorno al Sole. Galileo stelde dat de aarde om de zon draait. De tegenwoordige tijd kan blijven bij een nog geldige algemene waarheid.

Veelgemaakte fouten

Che weglaten

  • Onjuist: Ha detto era occupato.
  • Juist: Ha detto che era occupato.
  • Waarom: Een indirect weergegeven mededeling heeft normaal che nodig. De twee persoonsvormen kunnen niet zonder verbinding naast elkaar staan.

De oorspronkelijke tegenwoordige tijd automatisch behouden

  • Onhandig in een gewoon verleden verhaal: Ieri Paolo ha detto che è stanco.
  • Gebruikelijk: Ieri Paolo ha detto che era stanco.
  • Waarom: Als Paolo op het moment van spreken moe was, is er gelijktijdigheid met een verleden moment. Daarom ligt de imperfetto voor de hand. È stanco kan wel als de spreker bewust benadrukt dat Paolo nu nog moe is.

De gewone toekomst gebruiken na een verleden tijd

  • Onjuist in de bedoelde tijdsverhouding: Ha promesso che tornerà il giorno dopo.
  • Juist: Ha promesso che sarebbe tornato il giorno dopo.
  • Waarom: De terugkeer lag nog in de toekomst toen de belofte werd gedaan. Daarvoor gebruikt het Italiaans gewoonlijk de condizionale passato.

Se en che verwisselen

  • Onjuist: Mi ha chiesto che avevo fame.
  • Juist: Mi ha chiesto se avevo fame.
  • Waarom: Het gaat om de vraag ‘Heb je honger?’, waarop ja of nee mogelijk is. Gebruik daarom se. Bij een mededeling gebruik je che: Ha detto che aveva fame.

Nederlandse bijzinvolgorde overnemen

  • Onjuist: Ha detto che a Roma lavorava suo fratello als neutrale vertaling van ‘Hij zei dat zijn broer in Rome werkte’.
  • Neutraal: Ha detto che suo fratello lavorava a Roma.
  • Waarom: Italiaans zet het werkwoord niet automatisch achteraan zoals Nederlands. Een afwijkende volgorde kan wel bestaan, maar legt nadruk op andere informatie.

Tijd- en plaatswoorden mechanisch laten staan

  • Verwarrend: Lunedì ha detto che sarebbe partito domani wanneer je dit pas op vrijdag vertelt.
  • Duidelijk: Lunedì ha detto che sarebbe partito il giorno dopo.
  • Waarom: Domani wordt vanuit de huidige spreekdag begrepen. Gebruik il giorno dopo als je de dag na zijn uitspraak bedoelt.

Gebruiksnotities

In spontane gesprekken passen Italianen niet altijd elk onderdeel volgens een schools schema aan. Een spreker kan een tegenwoordige tijd behouden om te laten merken dat de inhoud nog geldig is: Mi ha detto che vive a Milano suggereert vaak dat de persoon daar nog woont. Mi ha detto che viveva a Milano plaatst het wonen vooral bij het moment van de eerdere mededeling en laat open of dat nu nog zo is.

Ook algemene feiten en blijvende waarheden kunnen in de tegenwoordige tijd blijven: L'insegnante ha spiegato che l'acqua bolle a cento gradi. Een automatische omzetting naar bolliva zou het feit onnodig tot het verleden beperken. De keuze is dus niet alleen grammaticaal; ze laat ook zien of de verteller de informatie als actueel presenteert.

Het passato prossimo (ha detto) is in hedendaagse gesprekken de gewone keuze voor een recente of relevante mededeling. Het passato remoto (disse) verschijnt veel in verhalen, geschiedschrijving en in sommige regionale spreekgewoonten. Voor de tijdsverhoudingen in de bijzin maakt dat basisverschil weinig uit: zowel ha detto che era als disse che era kan gelijktijdigheid uitdrukken.

Bij het werkwoord chiedere is de bedoeling belangrijk. Chiedere se... en chiedere dove... geven een vraag weer; chiedere di fare qualcosa geeft een verzoek weer. Vergelijk Mi ha chiesto se aprivo la finestra (Hij vroeg of ik het raam opende; contextafhankelijk en wat ongewoon) met Mi ha chiesto di aprire la finestra (Hij vroeg me het raam te openen). De tweede zin is de normale formulering voor een verzoek.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

Tijdskeuze als betekenisverschil

De klassieke tijdsverschuiving is geen puur mechanische omzetting. De verteller kiest een perspectief:

  • Carla ha detto che era malata. — Carla was ziek toen ze dat zei; haar huidige toestand blijft buiten beeld.
  • Carla ha detto che è malata. — De verteller presenteert haar ziekte als nog actueel.
  • Carla ha detto che era stata malata. — Haar ziekte lag al vóór haar mededeling.

Juist dit perspectief verklaart waarom je in echte teksten vormen aantreft die van een eenvoudige omzettingstabel afwijken.

De aanvoegende wijs binnen langere zinnen

Indirecte rede schakelt de normale regels voor de congiuntivo niet uit. Als een werkwoord in de gemelde boodschap twijfel, wens, oordeel of noodzaak oproept, blijft de keuze voor de aanvoegende wijs relevant. Na een verleden vertelstandpunt verschuift een congiuntivo presente vaak naar een congiuntivo imperfetto en een congiuntivo passato naar een congiuntivo trapassato:

  • Direct: Ha detto: «Penso che Maria sia pronta».
  • Indirect: Ha detto che pensava che Maria fosse pronta.

Hier leidt che na ha detto een mededeling in; het tweede che hoort bij pensava en krijgt fosse door de regels van pensare en de verleden tijd.

Vrije indirecte rede

In literaire teksten kan de stem van een personage in die van de verteller overvloeien zonder disse che of aanhalingstekens. Dat heet discorso indiretto libero (vrije indirecte rede): Era tardissimo. Come avrebbe fatto a tornare a casa? De verleden tijden passen bij de verteller, maar de vraag en emotie horen bij het personage. Dit gevorderde stijlmiddel bouwt voort op de gewone indirecte rede en is vooral belangrijk om te herkennen tijdens het lezen.

Oefentips

  1. Werk met drie tijdlijnen. Neem één directe zin en maak drie versies: gelijktijdig (era), eerder (era stato of aveva fatto) en later (sarebbe stato of avrebbe fatto). Zo leer je betekenis kiezen in plaats van alleen een tabel uit het hoofd te leren.
  2. Zet korte dialogen om. Noteer dagelijks drie zinnen uit een gesprek en vertel ze later na met che, se of di. Controleer daarna ook io/tu, bezitswoorden, oggi/domani en qui/lì.
  3. Luister naar inleidende werkwoorden. Zoek in nieuwsberichten of gesprekken naar ha detto che, ha spiegato che, ha chiesto se en ha promesso che. Voorspel vóór de bijzin of je een imperfetto, trapassato prossimo of condizionale passato verwacht.

Verwante onderwerpen

  • Voorkennis: Passato prossimo — nodig om eerdere gebeurtenissen te herkennen en de stap naar de trapassato prossimo te begrijpen.
  • Verdieping: Citaten en discours — behandelt onder meer vrije indirecte rede, vertelperspectief en gevorderde citeerstrategieën.

Vereiste kennis

Passato prossimo in het ItaliaansA2

Concepten die hierop voortbouwen

Meer B2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Discorso Indiretto in Italiaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Italiaans · B2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen