A2

Reflexieve werkwoorden in de Italiaanse verleden tijd

Verbi Riflessivi al Passato

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Een reflexief werkwoord krijgt in de passato prossimo altijd een vorm van essere: mi sono svegliato, si è vestita, ci siamo divertiti. Het wederkerend voornaamwoord staat vóór essere en het voltooid deelwoord past zich aan het geslacht en getal van het onderwerp aan.

Overzicht

Reflexieve of wederkerende werkwoorden beschrijven vaak een handeling die terugwerkt op degene die haar uitvoert: lavarsi is ‘zich wassen’ en vestirsi is ‘zich aankleden’. Ook werkwoorden als divertirsi (‘zich vermaken’) en accorgersi (‘merken’) hebben in het Italiaans een wederkerend voornaamwoord, al is er niet altijd letterlijk sprake van een handeling op jezelf. De infinitief (de hele werkwoordsvorm) eindigt dan op -si.

Op A2-niveau leer je zulke werkwoorden in de passato prossimo, de veelgebruikte tijd voor een afgeronde gebeurtenis in het verleden. Denk aan wat je vanochtend hebt gedaan, hoe iemand zich op een feest heeft vermaakt of wanneer twee mensen elkaar hebben ontmoet. De kern is overzichtelijk: kies het juiste wederkerende voornaamwoord, vervoeg essere en laat het voltooid deelwoord (de vorm zoals gekleed in ‘heeft zich gekleed’) bij het onderwerp passen.

Voor Nederlandstaligen zijn vooral twee verschillen belangrijk. In het Nederlands zeg je ik heb me gewassen, maar in het Italiaans staat juist essere: mi sono lavato/a. Bovendien verandert een Nederlands voltooid deelwoord niet met de persoon, terwijl het Italiaanse deelwoord wel eindigt op -o, -a, -i of -e.

Hoe het werkt

De basisformule

De gewone volgorde is:

onderwerp + wederkerend voornaamwoord + tegenwoordige tijd van essere + voltooid deelwoord

Het onderwerp (wie de handeling uitvoert) wordt in het Italiaans meestal weggelaten, omdat sono, sei, è, siamo, siete of sono al veel informatie geeft:

  • (Io) mi sono alzata. — Ik ben opgestaan.
  • (Marco) si è preparato. — Marco heeft zich klaargemaakt.
  • (Noi) ci siamo riposati. — We hebben uitgerust.

De Nederlandse vertaling gebruikt geregeld hebben, maar dat bepaalt de Italiaanse keuze niet. Zodra het Italiaanse werkwoord reflexief is, gebruik je in deze tijd essere.

Voornaamwoord en hulpwerkwoord

Persoon Wederkerend voornaamwoord Essere Voorbeeld met svegliarsi
io mi sono mi sono svegliato/a
tu ti sei ti sei svegliato/a
lui, lei, Lei si è si è svegliato/a
noi ci siamo ci siamo svegliati/e
voi vi siete vi siete svegliati/e
loro si sono si sono svegliati/e

Let op de plaats: mi, ti, si, ci, vi, si staan vóór het vervoegde hulpwerkwoord. Dat verschilt van het Nederlands, waar ‘me’ of ‘zich’ vaak na de persoonsvorm komt: ‘ik heb me aangekleed’ tegenover mi sono vestito.

De vorm si è kan zowel ‘hij heeft zich’, ‘zij heeft zich’ als het beleefde ‘u hebt zich’ betekenen. De uitgang van het deelwoord en de context maken vaak duidelijk over wie het gaat: si è alzato voor een man en si è alzata voor een vrouw.

Het voltooid deelwoord maken

Haal eerst -si van de infinitief. Maak daarna het voltooid deelwoord van het overblijvende werkwoord:

Reflexief werkwoord Basiswerkwoord Voltooid deelwoord Voorbeeld
svegliarsi svegliare svegliato Mi sono svegliato.
alzarsi alzare alzato Ti sei alzata.
vestirsi vestire vestito Si è vestito.
divertirsi divertire divertito Ci siamo divertite.
mettersi mettere messo Vi siete messi a tavola.
accorgersi accorgere accorto Si sono accorti dell'errore.

Bij regelmatige werkwoorden wordt -are meestal -ato, -ere meestal -uto en -ire meestal -ito. Sommige veelvoorkomende deelwoorden zijn onregelmatig, zoals messo bij mettersi, fatto bij farsi en accorto bij accorgersi. Het reflexieve voornaamwoord verandert die deelwoordsvorm niet.

Overeenkomst met het onderwerp

Omdat het hulpwerkwoord essere is, past het voltooid deelwoord zich aan het onderwerp aan. Dat heet overeenkomst: de uitgang laat zien of het om mannelijk of vrouwelijk, enkelvoud of meervoud gaat.

Onderwerp Uitgang Voorbeeld
één man/jongen -o Luca si è svegliato.
één vrouw/meisje -a Anna si è svegliata.
meerdere mannen of een gemengde groep -i Luca e Anna si sono svegliati.
meerdere vrouwen -e Anna e Giulia si sono svegliate.

Wie over zichzelf spreekt, kiest dus een uitgang die bij zichzelf past: een vrouw zegt mi sono alzata en een man mi sono alzato. Bij noi en voi geldt dezelfde keuze in het meervoud. Voor een gemengde groep wordt in de standaardtaal de mannelijke meervoudsvorm op -i gebruikt.

Reflexief of wederkerig in het meervoud

Dezelfde meervoudsvormen kunnen een wederkerige betekenis hebben: mensen doen iets met elkaar in plaats van ieder met zichzelf. Het Nederlands gebruikt dan vaak ‘elkaar’, maar het Italiaans gebruikt gewoon ci, vi of si:

  • Ci siamo conosciuti a Roma. — We hebben elkaar in Rome ontmoet.
  • Si sono abbracciate. — Ze hebben elkaar omhelsd.
  • Vi siete scritti ieri? — Hebben jullie elkaar gisteren geschreven?

De context bepaalt de betekenis. Ci siamo lavati betekent normaal dat ieder zichzelf heeft gewassen; ci siamo incontrati betekent dat we elkaar hebben ontmoet.

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Toelichting
Mi sono svegliata alle sette. Ik ben om zeven uur wakker geworden. De spreker is een vrouw.
Mi sono lavato e mi sono vestito in fretta. Ik heb me gewassen en snel aangekleed. De spreker is een man; beide werkwoorden krijgen essere.
Ti sei ricordata di chiamare tua madre? Heb je eraan gedacht je moeder te bellen? Gericht tot een vrouw.
Paolo si è addormentato sul divano. Paolo is op de bank in slaap gevallen. Mannelijk enkelvoud op -o.
Elena si è preparata per il colloquio. Elena heeft zich op het gesprek voorbereid. Vrouwelijk enkelvoud op -a.
Si è divertito molto. Hij heeft zich erg vermaakt. Voor een vrouw wordt dit divertita.
Ci siamo conosciuti a Roma. We hebben elkaar in Rome leren kennen. Wederkerige betekenis; gemengde of mannelijke groep.
Ci siamo fermate in un piccolo bar. We zijn bij een klein café gestopt. De groep bestaat uit vrouwen.
Vi siete alzati presto stamattina? Zijn jullie vanochtend vroeg opgestaan? Gericht tot mannen of een gemengde groep.
I bambini si sono messi il pigiama. De kinderen hebben hun pyjama aangetrokken. Onregelmatig deelwoord messo, hier meervoud messi.
Le ragazze si sono truccate per la festa. De meisjes hebben zich voor het feest opgemaakt. Vrouwelijk meervoud op -e.
Si sono sposati l'anno scorso. Ze zijn vorig jaar getrouwd. Mannelijke of gemengde groep, dus -i.
Si sono accorti troppo tardi dell'errore. Ze merkten de fout te laat op. Accorgersi heeft het onregelmatige deelwoord accorto.
Non mi sono mai pentita della mia scelta. Ik heb nooit spijt gehad van mijn keuze. Vrouwelijke spreker; non staat vóór mi.

Veelgemaakte fouten

1. Avere gebruiken naar Nederlands voorbeeld

  • Fout: Mi ho lavato.
  • Goed: Mi sono lavato/a.
  • Waarom: Het Nederlandse ‘ik heb me gewassen’ lokt avere uit. Een reflexief werkwoord gebruikt in de passato prossimo echter essere.

2. Het voornaamwoord achter het hulpwerkwoord zetten

  • Fout: Sono mi svegliato alle otto.
  • Goed: Mi sono svegliato alle otto.
  • Waarom: Bij een gewone vervoegde vorm staat het wederkerende voornaamwoord vóór essere.

3. De uitgang niet aan het onderwerp aanpassen

  • Fout: Giulia si è vestito.
  • Goed: Giulia si è vestita.
  • Waarom: Giulia is vrouwelijk enkelvoud, dus eindigt het deelwoord op -a. Anders dan in het Nederlands verandert de vorm hier wel.

4. De infinitief met -si als deelwoord behandelen

  • Fout: Ci siamo divertarsi.
  • Goed: Ci siamo divertiti/divertite.
  • Waarom: Haal eerst -si weg: divertirsi → divertire. Het voltooid deelwoord is divertito en krijgt daarna de passende meervoudsuitgang.

5. Essere wel vervoegen, maar het verkeerde voornaamwoord kiezen

  • Fout: Noi si siamo incontrati.
  • Goed: Noi ci siamo incontrati.
  • Waarom: Bij noi hoort ci. Het rijtje is mi, ti, si, ci, vi, si.

6. Non tussen het voornaamwoord en essere plaatsen

  • Fout: Mi non sono riposato.
  • Goed: Non mi sono riposato.
  • Waarom: De ontkenning non staat vóór de combinatie van voornaamwoord en werkwoord: non + mi + sono + riposato.

Gebruik

De passato prossimo wordt in hedendaags Italiaans veel gebruikt voor afgeronde gebeurtenissen, ook waar een Nederlandse vertaling een gewone verleden tijd heeft: Ieri mi sono svegliato tardi kan zowel ‘Gisteren ben ik laat wakker geworden’ als natuurlijker ‘Gisteren werd ik laat wakker’ opleveren. Vertaal dus op betekenis en kies de Italiaanse tijd niet alleen op basis van het Nederlandse hulpwerkwoord.

Niet elk werkwoord op -si is letterlijk wederkerend. Bij pentirsi (‘spijt hebben’), accorgersi (‘merken’) en vergognarsi (‘zich schamen’) hoort het voornaamwoord bij het werkwoord zelf. Voor de vorming van de verleden tijd maakt dat geen verschil: mi sono pentito/a, si è accorto/a, ci siamo vergognati/e.

Bij dagelijkse verzorging noemt het Italiaans vaak een lichaamsdeel of kledingstuk als afzonderlijk object: Mi sono lavata le mani (‘Ik heb mijn handen gewassen’) en Si è messo il cappotto (‘Hij heeft zijn jas aangetrokken’). Gebruik daar niet automatisch een bezittelijk woord als mie of suo; het wederkerende voornaamwoord maakt meestal al duidelijk van wie de handen of jas zijn.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later wel tegenkomen.

Modale werkwoorden: twee mogelijke plaatsen

Bij dovere, potere en volere kan het wederkerende voornaamwoord vóór het vervoegde werkwoord staan of aan de infinitief worden vastgemaakt. Die keuze kan ook het hulpwerkwoord beïnvloeden:

  • Mi sono dovuta alzare presto. — Ik moest vroeg opstaan. (vrouwelijke spreker)
  • Ho dovuto alzarmi presto. — Ik moest vroeg opstaan.

De eerste vorm houdt het reflexieve patroon duidelijk zichtbaar: mi sono en overeenkomst in dovuta. In de tweede vorm zit -mi vast aan alzare en verschijnt vaak avere. Voor beginners is het veilig om eerst het eerste patroon goed te leren.

Voltooide infinitief en gerundium

Na een voorzetsel of in een bijzin kan het voornaamwoord aan een niet-vervoegde vorm vastzitten:

  • Dopo essermi svegliato, ho fatto colazione. — Nadat ik wakker was geworden, heb ik ontbeten.
  • Essendosi preparata bene, era tranquilla. — Omdat ze zich goed had voorbereid, was ze rustig.

In essermi en essendosi staat het voornaamwoord dus niet los vóór essere. Dit zijn gevorderde constructies; ze veranderen niets aan de basisregel voor mi sono svegliato/a.

Een extra voornaamwoord vóór het deelwoord

In Me le sono lavate (‘Ik heb ze gewassen’, bijvoorbeeld de handen) verwijst le naar een vrouwelijk meervoudig lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). Het deelwoord lavate komt dan overeen met dat voorafgaande directe voornaamwoord. Dit is een latere uitbreiding van de regels voor voornaamwoorden en deelwoordsovereenkomst, niet het gewone A2-patroon.

Verwar reflexief si ten slotte niet met onpersoonlijk of passief si. In In Italia si è parlato molto della notizia betekent si ongeveer ‘men’; niemand doet daar iets met zichzelf. De vorm lijkt op een reflexieve constructie, maar de grammaticale functie is anders.

Oefentips

  1. Bouw zinnen in vier stappen. Neem bijvoorbeeld alzarsi: kies noi, voeg ci toe, kies siamo en maak het deelwoord meervoud: ci siamo alzati/alzate.
  2. Vertel je ochtend twee keer. Schrijf eerst vijf zinnen in de tegenwoordige tijd (mi sveglio, mi lavo) en zet ze daarna in de passato prossimo (mi sono svegliato/a, mi sono lavato/a). Zo oefen je tegelijk de plaats van het voornaamwoord en de overeenkomst.
  3. Markeer drie onderdelen tijdens het lezen. Onderstreep in elke gevonden vorm het voornaamwoord, essere en de uitgang van het deelwoord. Vraag daarna: wie is het onderwerp, en waarom staat er -o, -a, -i of -e?

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Wederkerende werkwoorden in het ItaliaansA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verbi Riflessivi al Passato in Italiaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Italiaans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen