A2

Betrekkelijke voornaamwoorden *qui* en *que* in het Frans

Pronoms Relatifs: qui, que

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

In het kort

Gebruik qui als het betrekkelijk voornaamwoord zelf het onderwerp is van de bijzin: la femme qui parle (de vrouw die praat). Gebruik que als het het lijdend voorwerp is: la femme que je vois (de vrouw die ik zie). Voor een klinker of stomme h wordt que verkort tot qu’, maar qui wordt nooit verkort.

Overzicht

Met een betrekkelijk voornaamwoord verbind je twee mededelingen zonder hetzelfde zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) te herhalen. Vergelijk J’ai un voisin. Ce voisin travaille à Paris met J’ai un voisin qui travaille à Paris: ‘Ik heb een buurman die in Parijs werkt.’ Het woord waarnaar het voornaamwoord terugverwijst — hier un voisin — heet het antecedent (het eerdere woord waar de bijzin iets over zegt).

Op A2-niveau zijn qui en que de twee belangrijkste Franse betrekkelijke voornaamwoorden. Ze kunnen allebei naar personen én zaken verwijzen. De keuze hangt dus niet af van de betekenis ‘wie’ of ‘dat’, en ook niet van mannelijk, vrouwelijk, enkelvoud of meervoud. Alleen de functie binnen de betrekkelijke bijzin telt.

Dat verschilt sterk van het Nederlands. In het Nederlands kies je vaak die bij een de-woord of meervoud en dat bij een enkelvoudig het-woord: de collega die komt, het boek dat ik lees. In het Frans kijk je niet naar de of het, maar stel je de vraag: voert het ontbrekende zinsdeel de handeling uit, of ondergaat het die?

Zo werkt het

De basisregel

Een betrekkelijke bijzin geeft extra informatie over een eerder genoemd woord. Binnen die bijzin neemt qui of que de plaats van dat woord in.

Functie in de bijzin Vorm Basismodel Nederlandse betekenis
onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) qui antecedent + qui + werkwoord die, dat
lijdend voorwerp (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat) que / qu’ antecedent + que + onderwerp + werkwoord die, dat, wie

Neem deze twee zinnen:

  • Le professeur explique la règle. — De docent legt de regel uit.
  • Le professeur est patient. — De docent is geduldig.

Als le professeur in de bijzin zelf uitlegt, is het onderwerp: Le professeur qui explique la règle est patient.

Neem nu:

  • Je connais ce professeur. — Ik ken deze docent.
  • Ce professeur est patient. — Deze docent is geduldig.

In je connais ce professeur is je het onderwerp en ondergaat ce professeur de handeling ‘kennen’. Daarom: Le professeur que je connais est patient.

De vervangingstest

Wie twijfelt, kan de betrekkelijke bijzin tijdelijk weer tot een gewone zin maken. Zet het antecedent terug op de lege plaats:

  1. la chanson ___ passe à la radioLa chanson passe à la radio.
    La chanson is onderwerp van passe: la chanson qui passe à la radio.
  2. la chanson ___ nous écoutonsNous écoutons la chanson.
    La chanson is lijdend voorwerp van écoutons: la chanson que nous écoutons.

Deze test is betrouwbaarder dan alleen kijken naar het woord direct na qui of que. Als beginnersregel werkt vaak: na qui komt een werkwoord en na que een onderwerp plus werkwoord. Maar kleine voornaamwoorden kunnen ertussen staan: l’homme qui me téléphone en le dossier que je lui envoie. De grammaticale functie blijft de beslissende test.

Que wordt qu’

Voor een woord dat met een klinker begint, wordt de e van que weggelaten. Dat gebeurt ook voor een stomme h, een h die in de uitspraak geen blokkade vormt:

  • le film qu’il regarde — de film die hij bekijkt
  • la robe qu’Anne choisit — de jurk die Anne kiest
  • l’histoire qu’on raconte — het verhaal dat men vertelt
  • la chambre qu’elle a réservée — de kamer die zij heeft geboekt

Qui behoudt altijd zijn vorm: l’homme qui arrive, niet l’homme qu’arrive.

Geen verbuiging naar geslacht of getal

De vormen veranderen niet mee met het antecedent:

  • le garçon qui court — de jongen die rent
  • la fille qui court — het meisje dat rent
  • les enfants que nous voyons — de kinderen die we zien
  • les maisons que tu préfères — de huizen waaraan jij de voorkeur geeft

Dat maakt het Franse systeem op één punt eenvoudiger dan het Nederlandse: je hoeft bij de keuze tussen qui en que niet te weten of het antecedent een de- of het-woord zou zijn.

De plaats van de betrekkelijke bijzin

De bijzin staat normaal direct na het woord dat hij bepaalt. Zo blijft duidelijk waarnaar qui of que verwijst:

  • J’ai rencontré la sœur de Paul qui habite à Lille kan dubbelzinnig zijn: woont Paul in Lille, of zijn zus?
  • Schrijf de zin zo mogelijk om als de context het niet duidelijk maakt: La sœur de Paul habite à Lille; je l’ai rencontrée hier.

In het Frans staat geen komma voor elke betrekkelijke bijzin. Een noodzakelijke bepaling beperkt over wie of wat je praat: Les étudiants qui ont fini peuvent partir (‘De studenten die klaar zijn, mogen vertrekken’). Een toelichtende bijzin kan door komma’s worden afgezonderd: Ma sœur, qui vit à Lyon, vient demain (‘Mijn zus, die in Lyon woont, komt morgen’).

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Toelichting
L’homme qui parle est mon père. De man die praat, is mijn vader. Qui is onderwerp van parle.
La fille qui chante a une belle voix. Het meisje dat zingt, heeft een mooie stem. Een persoon als antecedent; qui voert de handeling uit.
Le train qui part à huit heures est direct. De trein die om acht uur vertrekt, rijdt rechtstreeks. Ook een zaak kan met qui worden hervat.
J’aime les cafés qui restent ouverts tard. Ik houd van cafés die laat openblijven. Meervoud verandert qui niet.
Le livre que je lis est passionnant. Het boek dat ik lees, is boeiend. Je leest het boek: het boek is lijdend voorwerp.
Voilà la collègue que tu as rencontrée hier. Daar is de collega die je gisteren hebt ontmoet. Tu is onderwerp van de bijzin; que verwijst naar de collega.
Nous visitons l’appartement qu’ils veulent louer. We bekijken het appartement dat zij willen huren. Que wordt qu’ voor ils.
C’est le film qu’il a vu samedi. Dat is de film die hij zaterdag heeft gezien. Qu’ is lijdend voorwerp van a vu.
Elle cherche une application qui fonctionne hors ligne. Ze zoekt een toepassing die zonder internet werkt. De toepassing ‘werkt’ zelf, dus qui.
L’application que Marc recommande est gratuite. De toepassing die Marc aanbeveelt, is gratis. Marc beveelt de toepassing aan, dus que.
J’ai une voisine qui me prête souvent des livres. Ik heb een buurvrouw die me vaak boeken leent. Me staat tussen qui en het werkwoord.
C’est une question que personne ne comprend. Dat is een vraag die niemand begrijpt. Personne is hier het onderwerp van comprend.
Les photos que nous avons prises sont réussies. De foto’s die we hebben gemaakt, zijn goed gelukt. Gevorderd: prises stemt overeen met het voorafgaande lijdend voorwerp.
Le restaurant que nous avons choisi ferme le lundi. Het restaurant dat we hebben gekozen, is op maandag gesloten. De hele bijzin bepaalt le restaurant.

Veelgemaakte fouten

Kiezen op basis van ‘persoon’ of ‘ding’

  • Fout: Le livre que est sur la table est à moi.
  • Goed: Le livre qui est sur la table est à moi.
  • Waarom: Een boek is weliswaar een ding, maar het is het onderwerp van est. Zowel qui als que kan naar mensen en zaken verwijzen.

Que gebruiken omdat het Nederlands dat heeft

  • Fout: La voiture que roule trop vite est rouge.
  • Goed: La voiture qui roule trop vite est rouge.
  • Waarom: Het Nederlandse woord dat is geen veilige aanwijzing. In de Franse bijzin is de auto degene die rijdt, dus is qui nodig.

Het onderwerp na que vergeten

  • Fout: C’est le gâteau que est dans le frigo.
  • Goed: C’est le gâteau qui est dans le frigo.
  • Waarom: Na que moet de bijzin nog een eigen onderwerp hebben. Als het antecedent zelf het onderwerp is, kies je qui.

Qui verkorten voor een klinker

  • Fout: La personne qu’arrive est ma tante.
  • Goed: La personne qui arrive est ma tante.
  • Waarom: Alleen que wordt qu’. Qui verliest nooit zijn i.

Que gebruiken na elk werkwoord

  • Fout: La femme que je parle habite ici.
  • Goed: La femme à qui je parle habite ici.
  • Waarom: Je zegt parler à quelqu’un. De vrouw is daarom geen rechtstreeks lijdend voorwerp. Na het voorzetsel à gebruik je bij een persoon qui. Bij werkwoorden met de is vaak dont nodig; dat hoort bij een volgend leeronderwerp.

De betrekkelijke bijzin dubbel invullen

  • Fout: Le film que je le regarde est long.
  • Goed: Le film que je regarde est long.
  • Waarom: Que vervangt le film al als lijdend voorwerp. Het extra voornaamwoord le zou dezelfde plaats nogmaals vullen.

Gebruiksnotities

Qui en que zijn neutrale, zeer gebruikelijke vormen. Ze komen zowel in gesprekken als in formele teksten voor. Anders dan in sommige talen kun je ze in standaardfrans niet zomaar weglaten: le livre je lis is fout; het moet le livre que je lis zijn.

De Franse keuze kan soms anders uitvallen dan een Nederlandse vertaling doet vermoeden. In la personne qui me plaît betekent plaire à letterlijk ongeveer ‘bevallen aan’: de persoon bevalt mij. Daarom is la personne in het Frans onderwerp en staat er qui, hoewel een Nederlander spontaan kan denken aan ‘de persoon die ik leuk vind’. Analyseer dus de Franse constructie, niet alleen de Nederlandse vertaling.

Let vooral op de vaste combinatie van het Franse werkwoord en zijn voorzetsel. Zo vraagt penser à quelqu’un om la personne à qui je pense, ook als je in het Nederlands eenvoudig ‘de persoon aan wie ik denk’ of ‘degene die ik in gedachten heb’ zegt.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze al vrij snel tegenkomen.

Ce qui en ce que: zonder genoemd antecedent

Als er geen concreet woord vóór de betrekkelijke bijzin staat, gebruik je vaak ce qui of ce que. Ze betekenen ‘wat’ of ‘datgene wat’:

  • Je comprends ce qui se passe. — Ik begrijp wat er gebeurt.
    Ce qui is onderwerp van se passe.
  • Je comprends ce que tu veux. — Ik begrijp wat jij wilt.
    Ce que is lijdend voorwerp van veux.
  • Ce qui m’intéresse, c’est l’histoire. — Wat mij interesseert, is de geschiedenis.
  • Dis-moi ce que tu penses. — Zeg me wat je denkt.

Gebruik niet alleen qui of que als er niets is waarnaar die vorm kan terugverwijzen.

Na een voorzetsel

Qui kan na een voorzetsel naar een persoon verwijzen:

  • la collègue avec qui je travaille — de collega met wie ik werk
  • l’ami chez qui nous dînons — de vriend bij wie we eten
  • la personne à qui j’écris — de persoon aan wie ik schrijf

Voor zaken zijn na een voorzetsel vaak vormen van lequel nodig, en voor een relatie met de gebruik je dikwijls dont. Ook voor plaats en tijd hoort bij de volgende stap in het systeem van betrekkelijke voornaamwoorden.

Overeenkomst van het voltooid deelwoord

In samengestelde tijden met avoir kan een voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm zoals vu, écrit of pris) overeenkomen met een voorafgaand lijdend voorwerp. Omdat que vóór het werkwoord staat, kan het geslacht en getal van het antecedent zichtbaar worden in de spelling:

  • la lettre que j’ai écrite — de brief die ik heb geschreven
  • les lettres que j’ai écrites — de brieven die ik heb geschreven
  • les photos que nous avons prises — de foto’s die we hebben gemaakt

Deze overeenkomst verandert que zelf niet. In de uitspraak is het verschil bovendien vaak niet hoorbaar. Het is vooral belangrijk in verzorgd geschreven Frans en verdient later een aparte studie.

Betekenisverschil door interpunctie

Komma’s kunnen duidelijk maken of informatie beperkend of alleen aanvullend is:

  • Les employés qui travaillent dimanche recevront une prime. — Alleen de werknemers die zondag werken, krijgen een premie.
  • Les employés, qui travaillent dimanche, recevront une prime. — De zin presenteert het zondag werken als informatie over alle bedoelde werknemers.

In gesproken taal maken intonatie en context dit onderscheid mede duidelijk.

Oefentips

  1. Maak telkens een zinspaar. Schrijf bijvoorbeeld Le chien aboie en Je vois le chien. Verbind daarna beide varianten: le chien qui aboie en le chien que je vois. Zo oefen je de functie, niet een losse vertaling.
  2. Gebruik de lege-plek-test. Dek qui of que in een Franse zin af en vraag: staat vóór de lege plek al iemand die de handeling uitvoert? Zo ja, dan is de lege plek meestal het lijdend voorwerp en kies je que.
  3. Markeer tijdens het lezen twee kleuren. Geef het onderwerp van de bijzin één kleur en het lijdend voorwerp een andere. Let ook op qu’ en schrijf er voor jezelf que boven, zodat je de verkorte vorm onmiddellijk herkent.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het FransA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Pronoms Relatifs: qui, que in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen