Tegenwoordige tijd in het Deens
Nutid
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.
In het kort
De Deense tegenwoordige tijd (nutid) heeft bij bijna alle werkwoorden één vorm voor alle personen. Meestal maak je die vorm door -r aan de infinitief toe te voegen: at tale → taler, at bo → bor. Je hoeft dus niet, zoals in het Nederlands, te kiezen tussen vormen als woon, woont en wonen.
Overzicht
De tegenwoordige tijd gebruik je voor wat nu gebeurt, voor gewoonten en voor algemene feiten. Jeg læser kan afhankelijk van de situatie zowel ‘ik lees’ als ‘ik ben aan het lezen’ betekenen. Het Deens heeft doorgaans geen aparte werkwoordsvorm nodig om het verschil tussen een gewone en een lopende handeling te laten zien; de context doet veel werk.
Dit is een van de eerste verbale onderwerpen op A1-niveau. De infinitief (de onbepaalde vorm, zoals lezen of wonen) wordt in woordenlijsten meestal met at gegeven: at læse, at bo. Voor de tegenwoordige tijd haal je at weg en voeg je meestal -r toe.
Voor Nederlandstaligen is vooral de eenvoud van de persoonsvorm prettig. Het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) verandert wel, maar het werkwoord niet: jeg taler, du taler, hun taler, vi taler. Let er wel op dat het Deens het onderwerp normaal gesproken uitdrukt. Alleen een werkwoord zeggen, zoals in talen die het onderwerp vaak weglaten, is meestal niet genoeg.
Hoe het werkt
De basisregel: infinitief + -r
Veel Deense infinitieven eindigen op een onbeklemtoonde -e. Voeg daar in de tegenwoordige tijd -r aan toe. Infinitieven zonder -e krijgen eveneens meestal -r.
| Infinitief | Betekenis | Tegenwoordige tijd | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| at tale | spreken | taler | Jeg taler dansk. |
| at læse | lezen | læser | Hun læser en bog. |
| at spise | eten | spiser | De spiser aftensmad. |
| at arbejde | werken | arbejder | Vi arbejder hjemme. |
| at bo | wonen | bor | Han bor i Aarhus. |
| at tro | geloven, denken | tror | Jeg tror på dig. |
Je kunt de regel praktisch onthouden als: neem de vorm na at en zet er een r achter. At zelf hoort niet bij de persoonsvorm: niet jeg at taler, maar jeg taler.
Eén vorm voor alle personen
Het werkwoord at tale laat het belangrijkste verschil met het Nederlands duidelijk zien.
| Persoon | Deens | Nederlands |
|---|---|---|
| ik | jeg taler | ik spreek |
| jij | du taler | jij spreekt |
| hij/zij | han/hun taler | hij/zij spreekt |
| wij | vi taler | wij spreken |
| jullie | I taler | jullie spreken |
| zij | de taler | zij spreken |
De vorm taler blijft dus altijd gelijk. Dat geldt ook als het onderwerp een naam of een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) is: Maja taler dansk en Børnene taler dansk.
Let op het verschil tussen I en i: het voornaamwoord I betekent ‘jullie’ en krijgt altijd een hoofdletter. Het voorzetsel i betekent onder meer ‘in’.
Veelvoorkomende korte werkwoorden
Een aantal korte infinitieven krijgt gewoon -r, maar de spelling oogt anders doordat er geen -e voor staat.
| Infinitief | Tegenwoordige tijd | Betekenis |
|---|---|---|
| at gå | går | gaan, lopen |
| at stå | står | staan |
| at få | får | krijgen, mogen |
| at se | ser | zien |
| at dø | dør | sterven |
| at nå | når | bereiken, halen |
Leer deze vormen met hun uitspraak. De Deense spelling geeft niet altijd precies weer wat je hoort, en vooral de uitgang -er kan in natuurlijke spraak zwak klinken. Schrijf de r ook als je haar nauwelijks hoort.
Belangrijke onregelmatige vormen
Niet ieder veelgebruikt werkwoord volgt zichtbaar de regel infinitief + -r. Deze vormen kun je het best als compleet paar leren.
| Infinitief | Tegenwoordige tijd | Betekenis |
|---|---|---|
| at være | er | zijn |
| at have | har | hebben |
| at gøre | gør | doen, maken |
| at vide | ved | weten |
| at komme | kommer | komen |
| at tage | tager | nemen |
Kommer en tager hebben wel de gewone geschreven uitgang, maar uitspraak en andere werkwoordstijden kunnen minder voorspelbaar zijn. Modale werkwoorden zoals kan, skal, vil en må vormen een eigen belangrijk patroon; die worden uitgebreider behandeld bij de modale werkwoorden.
Bevestigende zinnen, ontkenning en vragen
In een eenvoudige hoofdzin staat de persoonsvorm meestal direct na het onderwerp:
onderwerp + persoonsvorm + rest
- Jeg arbejder i København. — Ik werk in Kopenhagen.
- Sofie læser avisen. — Sofie leest de krant.
Bij een ontkenning staat ikke (‘niet’) in een gewone hoofdzin doorgaans na de persoonsvorm:
- Jeg arbejder ikke om søndagen. — Ik werk niet op zondag.
- Han bor ikke her. — Hij woont hier niet.
Een ja-neevraag begint meestal met de persoonsvorm. Er komt dus geen Deens equivalent van het Nederlandse hulpwerkwoord doen bij:
- Taler du dansk? — Spreek je Deens?
- Bor de i Odense? — Wonen zij in Odense?
Bij een vraagwoord staat eerst het vraagwoord, dan de persoonsvorm en daarna het onderwerp:
- Hvor bor du? — Waar woon je?
- Hvad læser hun? — Wat leest zij?
De persoonsvorm op de tweede plaats
Deens heeft in hoofdzinnen de zogenoemde V2-woordvolgorde: de persoonsvorm staat op de tweede zinsplaats. Een zinsplaats kan uit meer dan één woord bestaan. Als je met tijd of plaats begint, komt het onderwerp daarom ná het werkwoord.
| Neutrale volgorde | Tijd of plaats vooraan |
|---|---|
| Jeg arbejder hjemme i dag. | I dag arbejder jeg hjemme. |
| Vi spiser aftensmad klokken seks. | Klokken seks spiser vi aftensmad. |
| Hun bor i Odense nu. | Nu bor hun i Odense. |
Dit lijkt vaak op het Nederlands: ‘Vandaag werk ik thuis.’ De Nederlandse gewoonte helpt hier dus. Een veelgemaakte fout is echter om na het eerste zinsdeel opnieuw de gewone onderwerp-werkwoordvolgorde te gebruiken.
Voorbeelden in context
| Deens | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Jeg taler dansk med mine kolleger. | Ik spreek Deens met mijn collega’s. | Regelmatig werkwoord; eerste persoon. |
| Hun læser en bog i toget. | Zij leest een boek in de trein. | Dezelfde vorm bij de derde persoon. |
| Vi bor i Odense. | Wij wonen in Odense. | Infinitief zonder -e: bo → bor. |
| De spiser aftensmad klokken syv. | Zij eten om zeven uur avondeten. | Gewoonte of gepland moment. |
| Peter arbejder på et hospital. | Peter werkt in een ziekenhuis. | Een naam als onderwerp. |
| Børnene leger i haven. | De kinderen spelen in de tuin. | Ook bij een meervoudig onderwerp blijft de vorm gelijk. |
| Jeg ser en dansk serie lige nu. | Ik kijk op dit moment naar een Deense serie. | Een handeling die nu bezig is. |
| Hun går på arbejde hver morgen. | Zij gaat elke ochtend naar haar werk. | Korte vorm går. |
| Min søster har en lille lejlighed. | Mijn zus heeft een klein appartement. | Onregelmatig have → har. |
| Er du hjemme i dag? | Ben je vandaag thuis? | Ja-neevraag met de persoonsvorm vooraan. |
| Hvorfor kommer bussen ikke? | Waarom komt de bus niet? | Vraagwoord, persoonsvorm, onderwerp, ikke. |
| I morgen tager vi toget til Malmö. | Morgen nemen we de trein naar Malmö. | Na i morgen volgt door V2 eerst tager. |
| Vand koger ved 100 grader. | Water kookt bij 100 graden. | Algemeen feit. |
| Filmen begynder klokken otte. | De film begint om acht uur. | Tegenwoordige tijd voor een vast programma. |
Veelgemaakte fouten
Een Nederlandse persoonsuitgang gebruiken
- Fout: Han talert dansk.
- Goed: Han taler dansk.
- Waarom: Het Deens voegt geen extra -t toe bij ‘hij’ of ‘zij’. Jeg taler, han taler en de taler hebben allemaal exact dezelfde vorm.
De -r vergeten
- Fout: Vi bo i Odense.
- Goed: Vi bor i Odense.
- Waarom: Bo is de infinitief. In de tegenwoordige tijd komt daar -r bij. Ook als de uitgang in gesproken Deens zwak klinkt, blijft ze in de spelling staan.
At voor de persoonsvorm zetten
- Fout: Jeg at læser avisen.
- Goed: Jeg læser avisen.
- Waarom: At markeert de infinitief, bijvoorbeeld in Jeg kan lide at læse (‘Ik lees graag’). Een persoonsvorm na het onderwerp krijgt geen at.
Geen inversie na een eerste zinsdeel
- Fout: I dag jeg arbejder hjemme.
- Goed: I dag arbejder jeg hjemme.
- Waarom: In een Deense hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Als i dag vooraan staat, volgen dus eerst arbejder en daarna jeg.
Ikke vóór het werkwoord zetten in een gewone hoofdzin
- Fout: Jeg ikke bor her.
- Goed: Jeg bor ikke her.
- Waarom: In een eenvoudige hoofdzin komt ikke normaal na de persoonsvorm. In een bijzin is de volgorde anders; dat is een vervolgstap.
Een aparte vorm voor ‘bezig zijn’ eisen
- Onnatuurlijk als standaardoplossing: Jeg er læsende en bog.
- Goed: Jeg læser en bog.
- Waarom: Het Nederlands kan ‘ik ben een boek aan het lezen’ gebruiken, maar het Deens gebruikt meestal gewoon de tegenwoordige tijd. Woorden als lige nu maken zo nodig duidelijk dat de handeling nu bezig is.
Gebruiksnotities
De gewone tegenwoordige tijd dekt meerdere Nederlandse vertalingen. Hun arbejder kan ‘zij werkt’, ‘zij is aan het werk’ of in de juiste context ‘zij is aan het werken’ betekenen. Gebruik niet automatisch een letterlijke nabootsing van ‘aan het’. De eenvoudige Deense vorm is meestal natuurlijker.
Voor een toekomstig moment kan de tegenwoordige tijd worden gebruikt wanneer tijdstip of context duidelijk maakt dat het om een plan of rooster gaat: Toget kører klokken 9.12 (‘De trein vertrekt om 9.12 uur’) en Vi rejser på fredag (‘We vertrekken vrijdag’). Voor voorspellingen, intenties en andere betekenissen gebruikt het Deens ook onder meer vil en skal; dat is niet simpelweg hetzelfde onderscheid als het Nederlandse zullen.
Het onderwerp wordt normaal uitgedrukt: Jeg bor i Utrecht. In een opsomming kunnen woorden natuurlijk worden weggelaten als ze al duidelijk zijn, maar voor beginners is onderwerp + werkwoord de veilige basis.
In uitspraak kunnen geschreven vormen als taler, spiser en arbejder sterk gereduceerd klinken. Probeer daarom niet alleen op een duidelijk uitgesproken laatste r te wachten. Leer het hele klankbeeld van een vorm, terwijl je bij het schrijven steeds controleert of de tegenwoordige-tijdsuitgang aanwezig is.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later regelmatig tegenkomen.
Woordvolgorde in bijzinnen
Een bijzin is een zinsdeel dat niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt en vaak begint met een woord als fordi (‘omdat’) of at (‘dat’). Daar staat een zinsbijwoord als ikke doorgaans vóór de persoonsvorm:
- Jeg kommer ikke, fordi jeg ikke har tid. — Ik kom niet, omdat ik geen tijd heb.
Vergelijk jeg kommer ikke in de hoofdzin met jeg ikke har in de bijzin. De tegenwoordige vorm zelf verandert niet; alleen haar plaats ten opzichte van ikke verandert.
Vertellend en beschrijvend gebruik
Net als in het Nederlands kan de tegenwoordige tijd een verhaal levendiger maken: Så åbner han døren og ser en stor hund (‘Dan opent hij de deur en ziet hij een grote hond’). Dit heet soms het historisch presens: gebeurtenissen uit het verleden worden verteld alsof ze nu gebeuren.
Ook in instructies, demonstraties en commentaar is de vorm gebruikelijk: Først skærer du løget (‘Eerst snijd je de ui’). Het onderwerp du verwijst hier niet per se naar één specifieke persoon, maar naar degene die de instructie volgt.
Werkwoorden op -s
Vormen als synes (‘vinden, van mening zijn’) en mødes (‘elkaar ontmoeten’) eindigen op -s en passen niet netjes in het beginnersschema ‘infinitief + -r’. Sommige hebben dezelfde zichtbare vorm in infinitief en tegenwoordige tijd. Ze horen bij de aparte groep s-werkwoorden en moeten niet worden “verbeterd” tot vormen als synesr.
Betekenis hangt soms van het werkwoord af
Bij toestandswerkwoorden zoals vide (‘weten’), kende (‘kennen’) en tro (‘denken, geloven’) beschrijft de tegenwoordige tijd meestal een toestand, geen zichtbare activiteit. Bij handelingswerkwoorden kan dezelfde tijd juist iets aangeven dat nu plaatsvindt. De grammaticale vorm is gelijk; werkwoord, tijdsbepaling en context bepalen de precieze lezing.
Oefentips
- Maak reeksen met wisselende onderwerpen. Neem vijf werkwoorden, bijvoorbeeld tale, læse, bo, spise en arbejde, en zeg bij elk werkwoord een zin met jeg, du, hun en vi. Houd de werkwoordsvorm bewust gelijk.
- Oefen drie zinstypen naast elkaar. Schrijf van één mededeling ook een ontkenning en een vraag: Du bor her. Du bor ikke her. Bor du her? Zo leer je vorm en woordvolgorde samen.
- Luister en controleer daarna de spelling. Noteer werkwoorden uit een kort Deens fragment. Zoek vervolgens de infinitief op en markeer de -r van de tegenwoordige tijd. Dit helpt juist bij uitgangen die in de uitspraak weinig opvallen.
Verwante onderwerpen
- Eerst handig: Persoonlijke voornaamwoorden — hiermee geef je aan wie de handeling uitvoert.
- Logische vervolgstap: Modale werkwoorden — leer vormen als kan, skal, vil en må combineren met een infinitief.
- Logische vervolgstap: Infinitief met at — zie wanneer at wel en niet voor een werkwoord staat.
- Meer over vervoeging: Regelmatige werkwoordklassen — bouw verder op de patronen van Deense werkwoorden.
- Meer over uitzonderingen: Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden — oefen onder meer er, har, gør en ved.
- Speciale vormgroep: S-werkwoorden — vormen zoals synes en mødes.
- Vergelijk met het verleden: Onvoltooid verleden tijd — leer hoe je afgeronde gebeurtenissen in het verleden uitdrukt.
- Later combineren: Wederkerende werkwoorden — werkwoorden met een verwijzing terug naar het onderwerp.
Vereiste kennis
Persoonlijke voornaamwoorden in het DeensA1Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Nutid in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen