Persoonlijke voornaamwoorden in het Deens
Personlige Pronominer
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.
In het kort
De Deense persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp zijn jeg, du, han, hun, den, det, vi, I en de. Anders dan Nederlandse werkwoorden krijgt een Deens werkwoord bij al deze personen dezelfde vorm: jeg taler, du taler, vi taler. Let vooral op I ‘jullie’ met een hoofdletter en op het verschil tussen den en det voor zaken.
Overzicht
Een persoonlijk voornaamwoord is een kort woord waarmee je naar een persoon, dier of zaak verwijst zonder telkens de naam of het zelfstandig naamwoord te herhalen. In deze les gaat het in de eerste plaats om de onderwerpvorm: het onderwerp is degene die iets doet, of de persoon of zaak waarover iets wordt gezegd. In Hun bor i København is hun dus het onderwerp: ‘zij woont in Kopenhagen’.
Dit is basisstof op A1-niveau. De woorden lijken grotendeels op Nederlandse woorden als ‘ik’, ‘jij’, ‘hij’ en ‘wij’, maar de combinatie met een werkwoord werkt eenvoudiger dan in het Nederlands. Waar wij zeggen ‘ik spreek’, ‘jij spreekt’ en ‘wij spreken’, gebruikt het Deens steeds taler. Je hoeft dus geen aparte werkwoordsvorm voor elke persoon te leren.
Toch zijn de voornaamwoorden zelf niet altijd één op één te vertalen. Voor een zaak kan het Deens den of det gebruiken, afhankelijk van het grammaticale geslacht van het zelfstandig naamwoord. Bovendien is I met hoofdletter het voornaamwoord ‘jullie’, terwijl i met kleine letter het voorzetsel ‘in’ is. Die twee punten verdienen vanaf het begin extra aandacht.
Hoe het werkt
De volledige basisrij
| Persoon | Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|---|
| eerste persoon | jeg — ik | vi — wij/we |
| tweede persoon | du — jij/je | I — jullie |
| derde persoon | han — hij; hun — zij; den/det — hij/zij/het, die/dat | de — zij/ze |
De eerste persoon is de spreker zelf: jeg of een groep met de spreker: vi. De tweede persoon is degene tot wie je spreekt: du of I. De derde persoon is degene of datgene waarover je spreekt: han, hun, den, det of de.
Jeg, du, vi en I
Jeg betekent ‘ik’ en du betekent ‘jij’ of ‘je’. Gewoon modern Deens gebruikt du in verreweg de meeste dagelijkse contacten: bij familie, vrienden, collega’s en doorgaans ook tegenover onbekenden. Het Nederlandse onderscheid tussen ‘jij’ en beleefd ‘u’ heeft dus geen gewone, directe tegenhanger die je steeds moet kiezen.
Vi betekent ‘wij’ of ‘we’. Het Deens heeft geen aparte onbeklemtoonde vorm zoals Nederlands ‘we’: vi doet beide taken.
I betekent ‘jullie’ en wordt altijd met een hoofdletter geschreven, ook midden in een zin:
- Hvor bor I? — Waar wonen jullie?
- Jeg møder I morgen is fout als je ‘ik ontmoet jullie morgen’ bedoelt; na møder is een voorwerpsvorm nodig. Voorlopig is vooral belangrijk dat I alleen de onderwerpvorm is.
Verwar I niet met i ‘in’:
- Bor I i Danmark? — Wonen jullie in Denemarken?
De twee woorden staan hier zelfs direct naast elkaar, maar hoofdletter en zinsfunctie maken het verschil duidelijk.
Han en hun voor personen
Gebruik han voor een man of jongen en hun voor een vrouw of meisje:
- Mikkel er lærer. Han arbejder i Aarhus. — Mikkel is leraar. Hij werkt in Aarhus.
- Sofie er studerende. Hun læser dansk. — Sofie is student. Zij studeert Deens.
Bij mensen volg je normaal de identiteit van de persoon, niet het grammaticale geslacht van een woord waarmee die persoon wordt aangeduid. Als iemands gender niet bekend of niet relevant is, kan modern Deens de naam, een omschrijving of soms de in het enkelvoud gebruiken. Dat laatste is nog niet in alle stijlen even vanzelfsprekend; meer daarover staat bij de gevorderde bijzonderheden.
Den en det voor zaken en dieren
Het Deens heeft twee grammaticale geslachten voor zelfstandige naamwoorden: het gemeenschappelijk geslacht, meestal herkenbaar aan het lidwoord en, en het onzijdig geslacht, herkenbaar aan et. Wanneer je naar één zaak terugverwijst, gebruik je doorgaans:
| Eerder genoemd zelfstandig naamwoord | Voornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| en-woord | den | en stol → den — een stoel → die/hij |
| et-woord | det | et bord → det — een tafel → die/zij/het |
| meervoud | de | stole → de — stoelen → die/ze |
Dit wijkt af van het Nederlands. Een Nederlands ‘het’-woord is niet automatisch een Deens et-woord, en een Nederlandse vertaling met ‘hij’, ‘zij’, ‘die’ of ‘het’ vertelt je niet betrouwbaar of je den of det nodig hebt. Leer daarom een Deens zelfstandig naamwoord samen met en of et: en bog, et hus. Dan volgt de verwijzing vanzelf: Bogen? Den er ny. en Huset? Det er gammelt.
Bij dieren kan grammaticaal geslacht de keuze bepalen wanneer het biologische geslacht onbekend of onbelangrijk is. Is het dier als individu bekend en weet je of het mannelijk of vrouwelijk is, dan kunnen han en hun worden gebruikt, ongeveer zoals Nederlands ‘hij’ en ‘zij’ bij een huisdier.
De voor personen en zaken in het meervoud
De betekent ‘zij’ of ‘ze’ als onderwerp in het meervoud, zowel voor mensen als voor zaken:
- Anna og Lars kommer. De er lidt forsinkede. — Anna en Lars komen. Ze zijn wat laat.
- Bøgerne er nye. De ligger på bordet. — De boeken zijn nieuw. Ze liggen op tafel.
Midden in een zin schrijf je het gewone meervoud de met een kleine letter. Aan het begin van een zin krijgt het natuurlijk een hoofdletter, net als ieder ander eerste woord.
Eén werkwoordsvorm voor alle personen
In de tegenwoordige tijd verandert het Deense werkwoord niet met het onderwerp. Vergelijk:
| Deens | Nederlands |
|---|---|
| jeg taler | ik spreek |
| du taler | jij spreekt |
| han/hun taler | hij/zij spreekt |
| vi taler | wij spreken |
| I taler | jullie spreken |
| de taler | zij spreken |
Dit geldt ook voor veelgebruikte werkwoorden: jeg er, du er, de er en jeg har, hun har, vi har. De keuze van het voornaamwoord bepaalt wie bedoeld wordt; de werkwoordsvorm geeft dat niet apart aan. Laat het onderwerp daarom in een gewone volledige zin niet weg. Nederlands laat ‘ik’ ook meestal staan, maar een Nederlandse leerder kan door lessen in andere talen gewend zijn geraakt aan zinnen zonder onderwerp. Dat patroon hoort niet bij neutraal Deens.
Plaats in de zin
In een eenvoudige mededelende zin staat het onderwerp vóór het vervoegde werkwoord:
onderwerp + werkwoord + rest
- Jeg arbejder her. — Ik werk hier.
- Hun bor i København. — Zij woont in Kopenhagen.
Begint de zin met bijvoorbeeld een tijdsbepaling, dan staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats en komt het onderwerp erna. Dit heet de V2-regel: het werkwoord staat als tweede zinsdeel.
- I dag arbejder jeg hjemme. — Vandaag werk ik thuis.
- Nu kommer de. — Nu komen ze.
In een ja-neevraag staat het werkwoord vóór het onderwerp:
- Taler du dansk? — Spreek je Deens?
- Kommer I i morgen? — Komen jullie morgen?
Het voornaamwoord verandert niet door die andere plaats; alleen de woordvolgorde verandert.
Voorbeelden in context
| Deens | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Jeg er dansk. | Ik ben Deens. | Eerste persoon enkelvoud |
| Du taler engelsk. | Jij spreekt Engels. | Informele, gewone aanspreekvorm |
| Han laver aftensmad. | Hij maakt het avondeten. | Verwijst naar een man of jongen |
| Hun bor i København. | Zij woont in Kopenhagen. | Verwijst naar een vrouw of meisje |
| Hvor er bogen? Den ligger i tasken. | Waar is het boek? Het ligt in de tas. | En bog krijgt bij terugverwijzing den |
| Er huset gammelt? Ja, det er fra 1920. | Is het huis oud? Ja, het dateert uit 1920. | Et hus krijgt bij terugverwijzing det |
| Vi arbejder her. | Wij werken hier. | Eerste persoon meervoud |
| Bor I i Odense? | Wonen jullie in Odense? | I is ‘jullie’; i is ‘in’ |
| De spiser frokost sammen. | Zij eten samen lunch. | Personen in het meervoud |
| Bilerne er dyre, men de er gode. | De auto’s zijn duur, maar ze zijn goed. | Zaken in het meervoud |
| I morgen rejser jeg til Sverige. | Morgen reis ik naar Zweden. | Onderwerp na het werkwoord door de V2-regel |
| Kommer hun senere? | Komt zij later? | Onderwerp na het werkwoord in een vraag |
| Maja og jeg arbejder sammen. Vi mødes hver mandag. | Maja en ik werken samen. Wij spreken elke maandag af. | Vi omvat de spreker |
| Katten hedder Luna. Hun sover altid her. | De kat heet Luna. Zij slaapt altijd hier. | Bekend vrouwelijk huisdier |
Veelgemaakte fouten
Het werkwoord aanpassen aan de persoon
- Fout: Du talerst dansk.
- Goed: Du taler dansk.
- Waarom: De tegenwoordige tijd heeft dezelfde vorm bij jeg, du, han, hun, vi, I en de. Voeg dus geen uitgang toe naar het voorbeeld van Nederlands ‘jij spreekt’.
I met een kleine letter schrijven
- Fout: Hvor bor i?
- Goed: Hvor bor I?
- Waarom: I ‘jullie’ krijgt altijd een hoofdletter. i met kleine letter betekent ‘in’.
Den en det kiezen op basis van het Nederlandse woord
- Fout: Huset er stort. Den er gammelt.
- Goed: Huset er stort. Det er gammelt.
- Waarom: Hus is een et-woord, dus je verwijst ernaar met det. Kijk naar het geslacht van het Deense zelfstandig naamwoord, niet naar de Nederlandse vertaling.
Een onderwerpvorm als voorwerp gebruiken
- Fout: Hun ser jeg. als je bedoelt ‘Zij ziet mij.’
- Goed: Hun ser mig.
- Waarom: Jeg is de onderwerpvorm ‘ik’. Na ser is ‘mij’ het lijdend voorwerp (wie de handeling ondergaat), en daarvoor gebruikt het Deens mig. De volledige voorwerpsvormen horen bij het aparte onderwerp objectvoornaamwoorden.
Het onderwerp weglaten
- Fout: Er træt i dag.
- Goed: Jeg er træt i dag.
- Waarom: Een gewone Deense mededelende zin heeft meestal een uitgesproken onderwerp nodig. De werkwoordsvorm er laat niet zien of ‘ik’, ‘jij’ of iemand anders bedoeld is.
Ieder Nederlands ‘het’ automatisch met det vertalen
- Fout denkpatroon: Nederlands ‘het’ = altijd Deens det.
- Goed: Bepaal eerst wat ‘het’ doet en waarnaar het verwijst.
- Waarom: Det kan naar een et-woord verwijzen, maar ook een hele situatie samenvatten of als formeel onderwerp optreden. Omgekeerd kan Nederlands ‘het’ in een natuurlijke Deense zin anders worden uitgedrukt. Vertaal dus de functie, niet alleen het losse woord.
Gebruiksnotities
Du is normaal, niet onbeleefd
Nederlandstaligen zoeken soms een Deense tegenhanger van ‘u’. In het hedendaagse Deens is du vrijwel overal de normale aanspreekvorm. Dat maakt een gesprek niet automatisch familiair of onbeleefd; beleefdheid blijkt ook uit toon, woordkeus en formuleringen zoals kan du…? en vil du være sød at…?
De historische beleefdheidsvorm De bestaat nog en neemt een werkwoord in dezelfde vorm als alle andere personen. Je kunt haar aantreffen in oudere teksten of in zeer formele, ouderwetse dienstverlening. Voor dagelijks taalgebruik hoef je haar als beginner niet actief te gebruiken. Verwar De bovendien niet met de ‘zij’: midden in een zin kan de hoofdletter een aanwijzing zijn voor de beleefdheidsvorm.
Den, det en de hebben meer dan één functie
Dezelfde vormen kunnen ook vóór een zelfstandig naamwoord staan, bijvoorbeeld den store bil, det gamle hus en de nye bøger. Dan maken ze deel uit van een woordgroep met ‘de/het’. In dit artikel staan ze centraal als zelfstandige verwijzing: Bilen? Den er ny. De precieze keuze hangt dus zowel van het grammaticale geslacht als van de functie in de zin af.
Uitspraak en geschreven vorm
In vlot gesproken Deens worden korte voornaamwoorden vaak minder nadrukkelijk uitgesproken dan wanneer er een tegenstelling is. De spelling blijft echter jeg, du, han, hun, vi, I, de. Leer eerst de volledige geschreven vormen en luister daarna naar natuurlijke opnamen; probeer informele uitspraak niet rechtstreeks uit losse letters af te leiden.
Verder dan de basis
De punten hieronder hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.
Det als formeel onderwerp en als verwijzing naar een situatie
Det verwijst niet altijd naar een eerder genoemd et-woord. Het kan een grammaticale plaats vullen zonder naar één concrete zaak te verwijzen:
- Det regner. — Het regent.
- Det er koldt. — Het is koud.
- Det er fredag. — Het is vrijdag.
Hier heet det een formeel onderwerp: een onderwerp dat de zin grammaticaal nodig heeft, zonder dat het één persoon of voorwerp benoemt. Det kan ook naar een hele mededeling of situatie verwijzen:
- Hun kommer ikke. Det er synd. — Ze komt niet. Dat is jammer.
- Det ved jeg ikke. — Dat weet ik niet.
Dat gebruik lijkt soms op Nederlands ‘het’ en soms op ‘dat’. Het is daarom nuttiger om de hele constructie te leren dan om det één vaste vertaling te geven.
Den en det als nadrukkelijke terugverwijzing
In spreektaal kan een zelfstandig naamwoord eerst als onderwerp van gesprek worden genoemd en daarna met een voornaamwoord worden hervat:
- Filmen? Den var virkelig god. — De film? Die was echt goed.
- Det nye museum? Det åbner på fredag. — Het nieuwe museum? Dat gaat vrijdag open.
De keuze den/det blijft gekoppeld aan het Deense grammaticale geslacht. Op B2-niveau wordt dit systeem uitgebreider behandeld, samen met de, formeel det en zinnen die een element extra benadrukken.
De als genderinclusief enkelvoud
Je kunt in hedendaags Deens de aantreffen voor één persoon van wie het gender onbekend is of die de als persoonlijk voornaamwoord gebruikt. Het werkwoord levert geen probleem op, want Deense werkwoorden veranderen toch niet per persoon: De kommer senere. De acceptatie en frequentie verschillen per tekstsoort en spreker. In formulieren en algemene teksten zijn herschrijven met een functienaam, personen of meervoud vaak eveneens natuurlijke oplossingen. Herken dit gebruik, maar houd het voor je A1-basis duidelijk apart van gewoon de ‘zij’ in het meervoud.
Man voor mensen in het algemeen
Voor algemene uitspraken gebruikt het Deens vaak man, vergelijkbaar met Nederlands ‘je’ of ‘men’:
- Man lærer af sine fejl. — Je leert van je fouten.
- I Danmark spiser man ofte rugbrød. — In Denemarken eet men vaak roggebrood.
Man behoort niet tot de basisrij waarmee je een specifieke persoon vervangt, maar het gedraagt zich wel als onderwerp. Vertaal het niet automatisch met Nederlands ‘man’.
Oefentips
- Maak twee vaste rijtjes. Zeg elke dag hardop: jeg, du, han/hun/den/det, vi, I, de. Combineer ze daarna met één werkwoord: jeg bor, du bor, hun bor, vi bor. Zo oefen je tegelijk dat het werkwoord gelijk blijft.
- Leer zelfstandige naamwoorden met hun lidwoord. Noteer niet alleen bog en hus, maar en bog — den en et hus — det. Maak vervolgens twee zinnen: Jeg har en bog. Den er ny.
- Oefen woordvolgorde in drietallen. Schrijf bij één mededeling ook een zin met een tijdsbepaling en een vraag: Du arbejder hjemme. I dag arbejder du hjemme. Arbejder du hjemme? Let erop waar het voornaamwoord terechtkomt.
Verwante onderwerpen
- Volgende stap: Het werkwoord være — combineer de voornaamwoorden met er en var.
- Volgende stap: Het werkwoord have — oefen bezit met har en havde.
- Volgende stap: De tegenwoordige tijd — zie waarom dezelfde werkwoordsvorm bij alle personen staat.
- Verdieping: Objectvoornaamwoorden — leer mig, dig, ham, hende, os, jer en dem wanneer iemand niet het onderwerp is.
- Verdieping: Verwijzen met den, det en de — behandelt terugverwijzing en de ruimere functies van deze vormen.
- Gevorderd: Deense spreektaal — herken verkorte uitspraak en andere kenmerken van informeel gesproken Deens.
Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Personlige Pronominer in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen