B2

Verwijzen met *den*, *det* en *de* in het Deens

Pronomenreferencer

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

In het kort

Gebruik den voor één eerder genoemd en-woord, det voor één eerder genoemd et-woord en de voor een meervoud: filmen — den, huset — det, børnene — de. Det kan daarnaast naar een hele mededeling of situatie verwijzen en heeft een grammaticale functie in zinnen als Det regner en Det er Anna, der ringer.

Overzicht

De Deense woorden den, det en de kunnen zelfstandig terugverwijzen naar iets dat al genoemd is. Zo'n terugverwijzing heet een anaforische verwijzing: een kort woord neemt de plaats in van een eerder genoemd zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip). In Filmen? Den var god verwijst den naar filmen; de luisteraar hoeft dat zelfstandig naamwoord niet nog eens te horen.

Op B2-niveau gaat het niet alleen om de eenvoudige reeks den–det–de. Vooral det heeft meerdere taken. Het kan naar een feit, uitspraak of complete situatie verwijzen, als formeel onderwerp optreden wanneer er geen concrete handelende persoon of zaak is, en een zinsdeel extra nadruk geven. De vorm blijft steeds det, maar de verwijzing en de zinsbouw verschillen.

Voor Nederlandstaligen voelt een deel vertrouwd: den/det/de kan vaak met die/dat/ze worden vertaald. Toch werkt die vergelijking niet altijd. Het Deens kiest bij concrete zaken op basis van het grammaticale geslacht en getal van het Deense woord, niet op basis van het Nederlandse lidwoord. Bovendien gebruikt het Deens det in diverse zinnen waarin het Nederlands het, dat, er of helemaal geen apart woord heeft.

Hoe het werkt

Terugverwijzen naar één zelfstandig naamwoord

Bij een concrete zaak volgt het voornaamwoord het geslacht en het getal van het Deense zelfstandig naamwoord. Gemeenschappelijk geslacht betekent hier de woorden met het onbepaalde lidwoord en; onzijdig zijn de woorden met et.

Eerder genoemd woord Kenmerk Voornaamwoord Voorbeeld
en film enkelvoud, en-woord den Filmen? Den var god.
et hus enkelvoud, et-woord det Huset? Det er gammelt.
bøger meervoud de Bøgerne? De ligger her.

Het bepaalde lidwoord achter aan het zelfstandig naamwoord verandert de keuze niet: en film → filmen → den en et hus → huset → det. In het meervoud verdwijnt het geslachtsverschil: zowel filmene als husene wordt hervat met de.

Dit is een belangrijk verschil met het Nederlands. Deens et problem geeft bijvoorbeeld problemet — det, ook al is het Nederlandse woord het probleem toevallig eveneens onzijdig. Maar zulke overeenkomsten zijn niet betrouwbaar: leer bij elk Deens zelfstandig naamwoord altijd en of et mee.

Personen, dieren en zaken

Voor personen gebruikt het Deens normaal han en hun wanneer hun identiteit en geslacht centraal staan: Hvor er Sofie? Hun er på arbejde. Voor meerdere personen gebruik je de: Hvor er Sofie og Mads? De er på arbejde.

Bij voorwerpen, begrippen en vaak ook dieren zijn den en det gewoon: Jeg kan ikke finde nøglen. Den lå her før. Bij een huisdier kan han of hun natuurlijker zijn als de spreker het dier als individu kent. De keuze vertelt dan iets over het perspectief van de spreker, niet over een andere grammaticale regel.

Er is een nuttige uitzondering bij identificatie. In vragen en antwoorden als Hvem er det? Det er Mette blijft det gebruikelijk, ook al gaat het om een persoon. Det wijst hier niet terug naar een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; het identificeert wie iemand is.

Det als verwijzing naar een feit of situatie

Det kan meer omvatten dan één et-woord. Het kan verwijzen naar een complete zin, een gebeurtenis, een gedachte of de situatie die beide gesprekspartners begrijpen:

  • De har aflyst mødet. Det er ærgerligt. — Ze hebben de vergadering afgelast. Dat is jammer.
  • Kommer hun i morgen? Det ved jeg ikke. — Komt ze morgen? Dat weet ik niet.
  • Du skal tale langsommere. Det hjælper. — Je moet langzamer praten. Dat helpt.

In deze zinnen heeft det geen enkel zelfstandig naamwoord als grammaticale bron. Daarom hoef je niet naar en of et te zoeken. In het Nederlands past vaak dat, maar soms klinkt het natuurlijker. De betekenis is bepalend: det vat de voorafgaande inhoud samen.

Det kan ook vooruitwijzen naar informatie die pas later komt:

  • Det er vigtigt, at alle kommer til tiden. — Het is belangrijk dat iedereen op tijd komt.
  • Det overraskede mig, at hun sagde nej. — Het verbaasde me dat ze nee zei.

De bijzin met at bevat de echte inhoud. Det bezet alvast de plaats van het onderwerp, zodat de lange bijzin later kan staan.

Det als formeel of loos onderwerp

Een Deense hoofdzin heeft normaal een onderwerp nodig. Bij weer, tijd, afstand en algemene omstandigheden vervult det die grammaticale plaats zonder naar een concreet ding te verwijzen. Dit heet een loos onderwerp: een onderwerp dat vooral nodig is voor de zinsbouw.

Patroon Deens Nederlands
weer Det regner. Het regent.
tijd Det er sent. Het is laat.
afstand Det er langt til stationen. Het is ver naar het station.
algemene toestand Det bliver svært. Het wordt moeilijk.

Bij weer en tijd lijkt het gebruik sterk op Nederlands het. Toch is letterlijk vertalen geen veilige methode, omdat het Deens det ook gebruikt in constructies waarin het Nederlands bijvoorbeeld er kiest.

Voorlopig onderwerp bij een onbepaalde naamwoordgroep

In Der står en cykel udenfor betekent der ongeveer Nederlands er: buiten staat een fiets. Maar met een naamwoordelijk gezegde komt vaak det voor:

  • Det er en god idé. — Het is een goed idee.
  • Det var min nabo. — Het was mijn buurman/buurvrouw.

Houd der en det dus uit elkaar. Der introduceert vaak het bestaan of de plaats van iets; det identificeert, beoordeelt of beschrijft vaak iets in een constructie met være.

Nadruk met een gekloofde zin

Een gekloofde zin is een zin waarin één onderdeel apart wordt gezet om contrast of nadruk te krijgen. Het basispatroon is:

Det er/var + nadrukdeel + bijzin

  • Det er Anna, der ringer. — Het is Anna die belt.
  • Det var i går, vi mødtes. — Het was gisteren dat we elkaar ontmoetten.
  • Det er denne bog, jeg leder efter. — Het is dit boek dat ik zoek.

In de eerste zin is Anna het onderwerp van de bijzin; daarom staat vaak der. Wanneer het benadrukte deel geen onderwerp is, kan de verbindende vorm som zijn of in bepaalde gevallen worden weggelaten: Det er den bog, (som) jeg leder efter. De constructie klinkt heel gewoon in gesproken en geschreven Deens en is niet per se zwaar of plechtig.

Det er det, ...: vorm en inhoud naast elkaar

In Det er det, jeg mener staan twee vormen van det, maar ze hebben niet exact dezelfde taak. Het eerste det opent de identificerende constructie; het tweede verwijst naar de bedoelde zaak of inhoud: “Dat is wat ik bedoel.” Hetzelfde patroon verschijnt in:

  • Det er det, vi skal diskutere. — Dat is wat we moeten bespreken.
  • Er det det, du ønsker? — Is dat wat je wilt?

Laat je niet misleiden door de herhaling. De zin is natuurlijk Deens, en elk det heeft zijn eigen plaats in de structuur.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Toelichting
Filmen? Den var god. De film? Die was goed. Film is een en-woord.
Jeg har købt en lampe. Den står i stuen. Ik heb een lamp gekocht. Die staat in de woonkamer. Den verwijst naar en lampe.
Hvor er passet? Det ligger i tasken. Waar is het paspoort? Het ligt in de tas. Pas is een et-woord.
Huset er gammelt, men det er smukt. Het huis is oud, maar het is mooi. Det verwijst naar et hus.
Børnene? De leger ude. De kinderen? Ze spelen buiten. In het meervoud gebruik je de.
Jeg har læst begge bøger. De var interessante. Ik heb beide boeken gelezen. Ze waren interessant. Meervoud; geslacht speelt geen rol.
Hvem er det? Det er vores nye lærer. Wie is dat? Dat is onze nieuwe docent. Det bij identificatie van een persoon.
Mødet er blevet aflyst. Det havde jeg ikke forventet. De vergadering is afgelast. Dat had ik niet verwacht. Det vat het hele feit samen.
Kommer de senere? Det ved jeg ikke. Komen ze later? Dat weet ik niet. Verwijzing naar de voorafgaande vraag.
Det er svært at forklare forskellen. Het is moeilijk het verschil uit te leggen. Vooruitwijzend det; de infinitiefgroep bevat de inhoud.
Det regnede hele natten. Het regende de hele nacht. Loos onderwerp bij het weer.
Det er langt herfra til stranden. Het is van hier ver naar het strand. Afstand zonder concrete referent.
Det er Maria, der har lavet kagen. Het is Maria die de taart heeft gemaakt. Nadruk op de maker.
Det var på stationen, jeg så ham. Het was op het station dat ik hem zag. Nadruk op de plaats.
Det er det, jeg prøver at sige. Dat is wat ik probeer te zeggen. Twee functies van det in één zin.

Veelgemaakte fouten

Den kiezen op basis van het Nederlandse woord

  • Onjuist: Bordet? Den står i køkkenet.
  • Juist: Bordet? Det står i køkkenet.
  • Waarom: Bord is in het Deens een et-woord: et bord. Het Nederlandse geslacht of lidwoord bepaalt de Deense vorm niet.

In het meervoud den of det blijven gebruiken

  • Onjuist: Bilerne er nye. Den er dyre.
  • Juist: Bilerne er nye. De er dyre.
  • Waarom: Alle meervouden worden hervat met de. Ook het bijvoeglijk naamwoord krijgt hier de meervoudsvorm dyre.

Det naar een specifiek en-woord laten verwijzen

  • Onjuist: Jeg så filmen. Det var spændende.
  • Juist: Jeg så filmen. Den var spændende.
  • Waarom: Als alleen de film wordt beschreven, vraagt en film om den. Det var spændende kan wel betekenen dat de hele ervaring of gebeurtenis spannend was. De keuze verandert dus de verwijzing.

Bij elke persoon den of det gebruiken

  • Onjuist: Hvor er Jakob? Det arbejder hjemme.
  • Juist: Hvor er Jakob? Han arbejder hjemme.
  • Waarom: Voor een bekende individuele persoon gebruik je normaal han of hun. Det er Jakob is wel correct wanneer je iemand identificeert.

Een Nederlandse er-zin letterlijk met det bouwen

  • Onjuist: Det står en bil foran huset.
  • Juist: Der står en bil foran huset.
  • Waarom: Bij het introduceren van het bestaan of de plaats van een onbepaalde zaak gebruikt het Deens doorgaans der. Det heeft andere functies, zoals in Det er en dyr bil.

Een gekloofde zin dubbel opbouwen

  • Onjuist: Det er Anna, hun ringer.
  • Juist: Det er Anna, der ringer.
  • Waarom: In de bijzin is der hier de verbindende onderwerpvorm. Een extra hun herhaalt het onderwerp op een manier die in deze standaardconstructie niet past.

Gebruiksnotities

In gewone uitspraak is de als voornaamwoord doorgaans te horen als ongeveer die, terwijl het bepaalde lidwoord de vaak zwakker klinkt. De spelling blijft in beide gevallen de. Let bij luisteren daarom vooral op de functie in de zin. Aan het begin van een zin krijgt het woord vanzelf een hoofdletter: De kommer senere; dat maakt het niet tot een ander voornaamwoord.

Den en det kunnen ook aanwijzend zijn, ongeveer “die/dat” of “diegene/datgene”, vooral wanneer ze nadruk dragen of met een bepaling voorkomen: den der bog (“dat boek daar”), det her hus (“dit huis”). Dat gebruik ligt dicht bij terugverwijzing, maar is niet identiek: een aanwijzende vorm wijst iets aan, terwijl een anaforische vorm informatie uit de voorafgaande tekst oppakt.

In informele spreektaal komen onderwerploze fragmenten voor, maar in een volledige neutrale zin blijft det meestal nodig: Det er fint en Det regner. Laat det daarom niet weg alleen omdat een Nederlandse vertaling soms zonder duidelijk “het” kan worden geformuleerd.

Bij zinnen met een hele mededeling als referent kan zowel den als det grammaticaal lijken als er vlak ervoor een en-woord staat. Vraag jezelf dan af wat je bedoelt. Planen er dyr, men den er realistisk beschrijft de plan als zelfstandig naamwoord; Planen koster for meget, og det er et problem beoordeelt het volledige feit.

Verder dan de basis

Terugwijzen, vooruitwijzen en tekst samenhang geven

Det kan zowel terugwijzend als vooruitwijzend zijn. Terugwijzend vat het eerdere informatie samen: Han sagde nej. Det overraskede mig. Vooruitwijzend kondigt het een bijzin of infinitiefgroep aan: Det overraskede mig, at han sagde nej; Det er rart at være hjemme. Dit maakt det een belangrijk middel om lange informatie-eenheden op een natuurlijke plaats aan het einde van de zin te zetten.

Verwijzing kan de interpretatie sturen

Vergelijk:

  • Hun viste mig en stol. Den var gammel. — De stoel was oud.
  • Hun viste mig en stol. Det var mærkeligt. — Het feit dat ze me een stoel liet zien, was vreemd.

De eerste vervolgzin kiest één zelfstandig naamwoord als referent. De tweede maakt van de hele voorafgaande gebeurtenis het onderwerp van een oordeel. Deze keuze is nuttig in verhalen en zakelijke teksten, omdat je er precies mee aangeeft welk deel van de vorige zin relevant blijft.

Nadrukconstructies en neutrale woordvolgorde

Een gekloofde zin is vooral zinvol bij contrast. Anna har lavet kagen deelt neutraal mee dat Anna de taart heeft gemaakt. Det er Anna, der har lavet kagen corrigeert of contrasteert: Anna, niet iemand anders. Op dezelfde manier contrasteert Det var i går, vi mødtes de dag met andere mogelijke momenten.

Gebruik de constructie dus niet automatisch in iedere zin die in het Nederlands met “het is ... die/dat” kán worden vertaald. Ze is natuurlijk, maar draagt meestal informatieve nadruk. In formele tekst kan een eenvoudige zin soms bondiger zijn.

Det in vaste gespreksreacties

Veel korte Deense reacties gebruiken det zonder dat één zelfstandig naamwoord de referent is:

  • Det tror jeg. — Dat denk ik.
  • Det håber jeg. — Dat hoop ik.
  • Det gør ikke noget. — Dat geeft niet.
  • Det kommer an på vejret. — Dat hangt van het weer af.

Leer zulke reacties als complete patronen. Het Nederlands helpt bij de globale betekenis, maar niet altijd bij elk afzonderlijk woord of bij de Deense woordvolgorde.

Oefentips

  1. Maak ketens met drie vormen. Kies vijf en-woorden, vijf et-woorden en vijf meervouden. Schrijf telkens twee zinnen: Jeg har købt et kort. Det ligger på bordet. Zo koppel je het lidwoord direct aan het juiste voornaamwoord.
  2. Markeer de omvang van de verwijzing. Onderstreep in een Deense tekst waar den, det of de naar verwijst. Is het één zelfstandig naamwoord, een hele zin, een nog volgende bijzin of helemaal geen concrete zaak? Vooral die vraag maakt het verschil op B2-niveau.
  3. Oefen contrast hardop. Zeg eerst een neutrale zin en daarna een gekloofde variant: Maja ringedeDet var Maja, der ringede. Leg nadruk op het apart gezette deel en bedenk welk misverstand je ermee corrigeert.

Verwante onderwerpen

  • Voorafgaande basis: Persoonlijke voornaamwoorden — herhaal jeg, du, han, hun, den, det, vi, I en de voordat je complexere verwijzingen oefent.

Vereiste kennis

Persoonlijke voornaamwoorden in het DeensA1

Meer B2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Pronomenreferencer in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · B2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen