A1

Het werkwoord *have* in het Deens

Verbet Have

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

In het kort

Het Deense have betekent meestal ‘hebben’. In de tegenwoordige tijd is de vorm voor alle personen har: jeg har, du har, vi har. De verleden tijd is havde en het voltooid deelwoord is haft: Jeg har haft travlt betekent ‘Ik heb het druk gehad’.

Overzicht

Have is een van de meest gebruikte Deense werkwoorden. Je gebruikt het om bezit, relaties, beschikbare tijd en lichamelijke klachten uit te drukken: Jeg har en cykel (ik heb een fiets), Hun har to børn (zij heeft twee kinderen) en Vi har tid (wij hebben tijd). Daarnaast komt het voor in alledaagse combinaties zoals have det sjovt (het leuk hebben) en have brug for (nodig hebben).

Dit is basisstof op A1-niveau. Het goede nieuws voor Nederlandstaligen is dat Deense werkwoorden niet naar persoon vervoegd worden. Waar het Nederlands onderscheid maakt tussen ik heb, jij hebt en hij heeft, gebruikt het Deens steeds har. Je hoeft dus maar één vorm per tijd te leren.

Later kom je have ook tegen als hulpwerkwoord (een werkwoord dat samen met een ander werkwoord een tijd vormt): Hun har læst bogen (zij heeft het boek gelezen). Dat gebruik hoort vooral bij de Deense voltooide tijd. In dit artikel staat eerst de eenvoudige beginnersregel; de fijnere bijzonderheden volgen onder Verder dan de basis.

Hoe het werkt

De belangrijkste vormen

Vorm Deens Nederlandse betekenis Voorbeeld
infinitief (de woordenboekvorm) at have hebben Det er rart at have tid. — Het is fijn om tijd te hebben.
tegenwoordige tijd har heb/hebt/heeft/hebben Vi har en aftale. — We hebben een afspraak.
verleden tijd havde had/hadden Hun havde hovedpine. — Ze had hoofdpijn.
voltooid deelwoord (de vorm na een hulpwerkwoord) haft gehad Jeg har haft ferie. — Ik heb vakantie gehad.
gebiedende wijs hav heb Hav en god dag! — Fijne dag!

Have is onregelmatig: je kunt har, havde en haft niet betrouwbaar afleiden door alleen een gewone uitgang aan de stam te zetten. Leer deze vormen daarom als één rijtje.

Eén vorm voor iedere persoon

Het onderwerp is degene over wie de zin iets zegt. Anders dan in het Nederlands verandert har niet wanneer het onderwerp verandert.

Persoon Deens Nederlands
ik jeg har ik heb
jij/u du har / De har jij hebt / u hebt
hij/zij/het han har / hun har / den har / det har hij/zij/het heeft
wij vi har wij hebben
jullie I har jullie hebben
zij de har zij hebben

Let op het verschil tussen I en i: de hoofdletter I betekent ‘jullie’, terwijl i met een kleine letter meestal ‘in’ betekent. Het beleefde De komt tegenwoordig veel minder vaak voor dan het Nederlandse u; in het moderne Deens is du in de meeste situaties normaal.

Voor havde geldt precies hetzelfde principe: jeg havde, du havde, hun havde, vi havde enzovoort.

Bezit en wat je tot je beschikking hebt

De eenvoudigste bouw is:

onderwerp + har/havde + zelfstandig naamwoord

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, dier, ding of begrip, zoals ven, hund of tid.

  • Jeg har en hund. — Ik heb een hond.
  • Maja har en ny telefon. — Maja heeft een nieuwe telefoon.
  • Vi havde ikke penge. — We hadden geen geld.

Bij telbare dingen staat er vaak een lidwoord of een ander bepalend woord: en bil (een auto), to søstre (twee zussen), min nøgle (mijn sleutel). Bij begrippen en stoffen kan een lidwoord ontbreken: tid (tijd), kaffe (koffie), hovedpine (hoofdpijn).

Ontkenningen

In een gewone hoofdzin staat ikke meestal na de persoonsvorm:

onderwerp + har/havde + ikke + rest

  • Jeg har ikke tid. — Ik heb geen tijd.
  • De havde ikke en bil. — Ze hadden geen auto.

Het Nederlands gebruikt in zulke vertalingen vaak geen, maar het Deens gebruikt bij een werkwoordelijke ontkenning gewoon ikke. Ook ingen/intet/ingen kan ‘geen’ betekenen, maar voor een beginner is har ikke vaak de veiligste en natuurlijkste bouw.

In een bijzin (een zinsdeel dat niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt) staat ikke vóór de persoonsvorm: fordi jeg ikke har tid (omdat ik geen tijd heb). Dat verschil in woordvolgorde is belangrijk, maar hoeft op A1 nog niet je eerste aandachtspunt te zijn.

Vragen en omkering

In een ja-neevraag komt het werkwoord vóór het onderwerp:

  • Har du tid? — Heb je tijd?
  • Havde de en hund? — Hadden ze een hond?

Bij een vraagwoord blijft die omkering staan:

  • Hvor mange søskende har du? — Hoeveel broers en zussen heb je?
  • Hvorfor havde hun travlt? — Waarom had ze het druk?

Ook wanneer een gewone mededelende zin met een ander zinsdeel begint, komen werkwoord en onderwerp in die volgorde: I dag har jeg fri (vandaag ben ik vrij). Dit lijkt op het Nederlands en voelt daardoor vaak vertrouwd.

Veelvoorkomende combinaties

Have gaat niet alleen over letterlijk bezit. Leer de volgende combinaties als vaste gehelen.

Deense combinatie Betekenis Voorbeeld
have tid tijd hebben Har du tid nu?
have travlt het druk hebben Vi har travlt i dag.
have fri vrij zijn Jeg har fri på fredag.
have ret gelijk hebben Du har ret.
have lyst til zin hebben in/om Hun har lyst til kaffe.
have brug for nodig hebben Jeg har brug for hjælp.
have det godt/dårligt het goed/slecht maken Hvordan har du det?
have det sjovt plezier hebben De havde det sjovt.
have ondt i ... pijn hebben aan/in ... Han har ondt i ryggen.
have hovedpine hoofdpijn hebben Hun har hovedpine.

Na lyst til kan een zelfstandig naamwoord staan (lyst til kaffe) of een infinitief: Jeg har lyst til at gå en tur (ik heb zin om te wandelen). Have brug for krijgt een eigen vervolgonderwerp, omdat die combinatie meer patronen heeft dan alleen have.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Toelichting
Jeg har en hund. Ik heb een hond. Gewoon bezit
Hun har hovedpine. Ze heeft hoofdpijn. Klacht zonder lidwoord
Vi har tid efter frokost. We hebben tijd na de lunch. Beschikbare tijd
Min bror har to børn. Mijn broer heeft twee kinderen. Familierelatie
Har I kaffe? Hebben jullie koffie? Vraag met har voor I
Jeg har ikke min nøgle. Ik heb mijn sleutel niet. Ontkenning met ikke
I dag har vi et møde. Vandaag hebben we een vergadering. Omkering na i dag
Hun havde en gammel cykel. Ze had een oude fiets. Bezit in het verleden
De havde det sjovt til festen. Ze hadden plezier op het feest. Vaste combinatie met det
Hvorfor har du så travlt? Waarom heb je het zo druk? have travlt
Jeg har ondt i ryggen. Ik heb pijn in mijn rug. Lichamelijke klacht
Hvordan har du det? Hoe gaat het met je? Letterlijk niet woord voor woord vertalen
Du har ret. Je hebt gelijk. Vaste combinatie
Vi har brug for mere tid. We hebben meer tijd nodig. Noodzaak of behoefte
Jeg har haft en lang dag. Ik heb een lange dag gehad. har + haft

Veelgemaakte fouten

De Nederlandse persoonsuitgangen overnemen

  • Onjuist: Hun haver en hund.
  • Juist: Hun har en hund.
  • Waarom: In de tegenwoordige tijd is har voor alle personen hetzelfde. De vorm verandert dus niet zoals heb, hebt en heeft.

Have gebruiken om leeftijd te noemen

  • Onjuist: Jeg har tyve år.
  • Juist: Jeg er tyve år.
  • Waarom: Het Nederlands zegt ‘ik ben twintig jaar’, en het Deens doet dat ook. Voor leeftijd gebruik je være (zijn), niet have.

Het onderwerp vóór het werkwoord laten staan in een vraag

  • Onjuist: Du har tid? als neutrale vraag
  • Juist: Har du tid?
  • Waarom: Een gewone ja-neevraag begint met de persoonsvorm. Du har tid? kan in een gesprek wel als verbaasde controlevraag klinken, maar is niet het basispatroon.

ikke op de Nederlandse plaats zetten

  • Onjuist: Jeg ikke har tid. in een hoofdzin
  • Juist: Jeg har ikke tid.
  • Waarom: In een Deense hoofdzin volgt ikke normaal op de persoonsvorm. In een bijzin is fordi jeg ikke har tid juist wél correct.

‘Moeten’ letterlijk als have til at vertalen

  • Onjuist: Jeg har til at arbejde i morgen.
  • Juist: Jeg skal arbejde i morgen. / Jeg er nødt til at arbejde i morgen.
  • Waarom: Nederlands hebben en Deens have lopen vaak parallel, maar een verplichting druk je uit met bijvoorbeeld skal of er nødt til. Een letterlijke constructie met have werkt hier niet.

det vergeten in vaste uitdrukkingen

  • Onjuist: Vi havde sjovt.
  • Juist: Vi havde det sjovt.
  • Waarom: In have det sjovt/godt/dårligt hoort det bij de vaste constructie. Vergelijk Nederlands ‘we hadden het leuk’.

Gebruiksnotities

In de spreektaal worden korte, veelgebruikte woorden vaak minder nadrukkelijk uitgesproken dan hun spelling doet vermoeden. Ook har en have kunnen daardoor snel en gereduceerd klinken. Probeer vooral de hele combinatie te herkennen, bijvoorbeeld har du, jeg har ikke en har brug for, in plaats van elk woord los te willen horen.

De vraag Hvordan har du det? betekent idiomatisch ‘Hoe gaat het met je?’ Een antwoord kan zijn Jeg har det godt (het gaat goed met me) of kortweg Godt, tak (goed, dank je). Voor tijdelijke lichamelijke pijn gebruikt het Deens vaak have ondt i: Jeg har ondt i halsen (ik heb keelpijn/pijn in mijn keel).

Bij bezit kan de keuze tussen have en een andere formulering van de situatie afhangen. Jeg har en lejlighed i Aarhus zegt dat je een appartement hebt; Jeg bor i en lejlighed i Aarhus zegt dat je er woont. Net als in het Nederlands is de eerste zin dus niet automatisch de beste wanneer je eigenlijk je woonsituatie wilt beschrijven.

Verder dan de basis

De volgende toepassingen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze al snel tegenkomen.

Have als hulpwerkwoord

De Deense førnutid, ongeveer de voltooide tegenwoordige tijd, wordt vaak gevormd met har plus een voltooid deelwoord:

  • Jeg har læst bogen. — Ik heb het boek gelezen.
  • Hun har arbejdet hele dagen. — Ze heeft de hele dag gewerkt.
  • Vi har boet her længe. — We wonen hier al lang / We hebben hier lang gewoond.

De laatste vertaling laat een belangrijk verschil zien. Bij een toestand die in het verleden begon en nog voortduurt, klinkt in het Nederlands vaak een tegenwoordige tijd met al: ‘we wonen hier al lang’. Het Deens gebruikt dan gemakkelijk har boet. Vertaal dus de betekenis, niet alleen de zichtbare werkwoordstijd.

Niet ieder Deens voltooid werkwoord krijgt automatisch har. Bepaalde werkwoorden van beweging of toestandsverandering kunnen er gebruiken, bijvoorbeeld De er gået (ze zijn weggegaan). Dit onderscheid hoort bij de aparte leerstof over de førnutid.

Omdat het voltooid deelwoord van have zelf haft is, kun je beide rollen naast elkaar zien:

  • Jeg har haft feber. — Ik heb koorts gehad.
  • De havde haft en travl uge. — Ze hadden een drukke week gehad.

In har haft is het eerste woord het hulpwerkwoord en betekent haft ‘gehad’. Havde haft vormt de voltooid verleden tijd.

Een toestand of resultaat met have

In gevorderder Deens kun je have combineren met een lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat) en een vorm die een voortdurende toestand beschrijft:

  • Hun har vinduet stående åbent. — Ze heeft het raam openstaan.
  • Jeg har bilen parkeret udenfor. — Ik heb de auto buiten geparkeerd staan.

De nadruk ligt hier op de toestand of het resultaat. Dit patroon is nuttig om te herkennen, maar maak eerst de basis met har + zelfstandig naamwoord en de gewone voltooide tijd stevig.

Have in wens- en verzoekformules

Jeg vil gerne have ... betekent ‘ik zou graag ... willen’ of, afhankelijk van de situatie, ‘ik wil graag ...’:

  • Jeg vil gerne have en kop kaffe. — Ik wil graag een kop koffie.
  • Må jeg have lov til at se den? — Mag ik die bekijken?

Hier vertaalt have niet altijd netjes met Nederlands hebben. De hele formule bepaalt de natuurlijke vertaling. Dat is typerend voor veel frequente werkwoorden: hoe gewoner het werkwoord, hoe meer vaste combinaties het krijgt.

Oefentips

  1. Leer vier vormen als ritme: zeg regelmatig have – har – havde – haft en maak met de laatste drie elk één zin. Wissel het onderwerp, maar houd de werkwoordsvorm gelijk: jeg har, hun har, vi har.
  2. Oefen in paren: zet een mededeling om in een vraag en een ontkenning: Du har tidHar du tid?Du har ikke tid. Zo train je tegelijk vorm en woordvolgorde.
  3. Verzamel vaste combinaties: noteer niet alleen have, maar hele brokken zoals have travlt, have det godt en have ondt i. Maak voorbeelden die echt bij je dagelijks leven passen.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Persoonlijke voornaamwoorden in het DeensA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Oefen Verbet Have in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen