A2

De førnutid in het Deens

Førnutid

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

Kort gezegd

De Deense førnutid vormt men meestal met har + voltooid deelwoord: Jeg har læst bogen betekent ‘Ik heb het boek gelezen’. Bij sommige werkwoorden van beweging of verandering staat er als het huidige resultaat centraal: De er gået (‘Ze zijn vertrokken’). De vorm lijkt sterk op de Nederlandse voltooide tijd, maar het Deens en het Nederlands kiezen niet altijd dezelfde tijd of hetzelfde hulpwerkwoord.

Overzicht

De førnutid is de Deense voltooide tegenwoordige tijd. Je gebruikt hem voor iets dat vóór het spreekmoment is gebeurd, maar nog verband houdt met het heden. Dat verband kan een zichtbaar resultaat zijn, een ervaring tot nu toe of een situatie die in het verleden begon en nog voortduurt. Op A2-niveau is de bruikbare hoofdregel eenvoudig: zet har en daarna het voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm die in het Nederlands vaak met ge- begint).

De naam helpt om de tijd te plaatsen: før betekent ‘vóór’ en nutid ‘tegenwoordige tijd’. De persoonsvorm is har of er, dus staat grammaticaal in de tegenwoordige tijd; de hele constructie kijkt terug. Vergelijk Jeg læser bogen (‘Ik lees het boek’) met Jeg har læst bogen (‘Ik heb het boek gelezen’).

Voor Nederlandstaligen voelt deze tijd vertrouwd aan. Toch is letterlijk omzetten riskant. Deens heeft geen ge- voor het deelwoord, gebruikt bij veel werkwoorden har waar het Nederlands zijn kiest, en kan bij een duur tot nu toe een voltooide vorm gebruiken waar natuurlijk Nederlands juist de tegenwoordige tijd heeft: Vi har boet her længe is meestal ‘Wij wonen hier al lang’.

Hoe het werkt

De basisconstructie

Een bevestigende hoofdzin heeft doorgaans dit patroon:

Onderdeel Voorbeeld Functie
Onderwerp jeg wie de handeling uitvoert
Hulpwerkwoord har de persoonsvorm
Voltooid deelwoord læst de voltooide handeling
Overige informatie bogen wat gelezen is

Samen: Jeg har læst bogen.

Het hulpwerkwoord verandert niet naar persoon of getal:

Persoon have als hulpwerkwoord Voorbeeld
jeg har Jeg har spist.
du har Du har spist.
han/hun/den/det har Hun har spist.
vi har Vi har spist.
I har I har spist.
de har De har spist.

Het voltooid deelwoord vormen

De Deense term is datids tillægsform. Bij veel regelmatige werkwoorden eindigt deze vorm op -et of -t. Je leert het deelwoord het veiligst samen met de infinitief (de woordenboekvorm met at) en de verleden tijd.

Infinitief Verleden tijd Voltooid deelwoord Voorbeeld
at tale (praten) talte talt har talt
at købe (kopen) købte købt har købt
at bo (wonen) boede boet har boet
at arbejde (werken) arbejdede arbejdet har arbejdet
at åbne (openen) åbnede åbnet har åbnet

Veel frequente werkwoorden zijn onregelmatig. Daar is de vorm niet betrouwbaar uit de infinitief af te leiden:

Infinitief Voltooid deelwoord Betekenis
at være været zijn — geweest
at have haft hebben — gehad
at gøre gjort doen/maken — gedaan/gemaakt
at se set zien — gezien
at skrive skrevet schrijven — geschreven
at læse læst lezen — gelezen
at spise spist eten — gegeten
at drikke drukket drinken — gedronken
at komme kommet komen — gekomen
at gå gået gaan/lopen — gegaan/gelopen

In de førnutid verandert het deelwoord niet mee met het onderwerp: hun har læst, de har læst. Dat is eenvoudiger dan het gebruik van een deelwoord als bijvoeglijk naamwoord, waar verbuiging wel een rol kan spelen.

Wanneer staat er har en wanneer er?

Har is verreweg de veiligste basiskeuze. Het staat bij transitieve werkwoorden (werkwoorden met een lijdend voorwerp: wie of wat de handeling ondergaat), maar ook bij veel andere werkwoorden:

  • Jeg har købt en cykel. — Ik heb een fiets gekocht.
  • Hun har sovet godt. — Zij heeft goed geslapen.
  • Vi har været i Danmark. — Wij zijn in Denemarken geweest.

Let vooral op het laatste voorbeeld: Deens zegt har været, niet letterlijk het Nederlandse zijn geweest met er.

Er komt voor bij bepaalde onovergankelijke werkwoorden van beweging of verandering wanneer de nieuwe toestand of bestemming nu centraal staat:

  • Han er kommet. — Hij is gekomen.
  • De er gået. — Ze zijn vertrokken.
  • Hun er blevet syg. — Zij is ziek geworden.

Bij sommige bewegingswerkwoorden verandert de keuze met de betekenis. Er belicht het bereikte resultaat; har kan de activiteit of afgelegde afstand belichten:

  • Hun er gået hjem. — Ze is naar huis gegaan; ze is nu weg/huiswaarts.
  • Hun har gået ti kilometer. — Ze heeft tien kilometer gelopen.

Leer veelgebruikte combinaties als geheel. Het Nederlandse hulpwerkwoord geeft een aanwijzing, maar geen waterdichte regel.

Woordvolgorde in mededelingen, vragen en ontkenningen

In een gewone hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Als een ander zinsdeel vooraan staat, wisselen onderwerp en hulpwerkwoord van plaats:

  • Jeg har allerede spist. — Ik heb al gegeten.
  • I dag har jeg arbejdet hjemme. — Vandaag heb ik thuisgewerkt.

In een ja-neevraag komt het hulpwerkwoord vóór het onderwerp:

  • Har du set filmen? — Heb je de film gezien?
  • Er de kommet hjem? — Zijn ze thuisgekomen?

Het bijwoord ikke (‘niet’) staat in een gewone hoofdzin na de persoonsvorm:

  • Jeg har ikke læst bogen. — Ik heb het boek niet gelezen.

In een bijzin staat ikke vóór de persoonsvorm. Een bijzin is een zinsdeel dat met bijvoorbeeld fordi (‘omdat’) of at (‘dat’) begint en niet zelfstandig als dezelfde mededeling functioneert:

  • Hun siger, at hun ikke har læst bogen. — Ze zegt dat ze het boek niet heeft gelezen.
  • Vi bliver hjemme, fordi de ikke er kommet. — We blijven thuis omdat ze niet zijn gekomen.

Hier verschilt het Deens duidelijk van het Nederlands. Nederlands zet het deelwoord vaak aan het einde; Deens houdt hulpwerkwoord en deelwoord doorgaans dichter bij elkaar: I dag har jeg læst bogen, niet een Deense kopie van ‘Vandaag heb ik het boek gelezen’ met læst helemaal achteraan.

De belangrijkste betekenissen

  1. Een voltooid resultaat dat nu relevant is
    Jeg har mistet mine nøgler. — Ik ben mijn sleutels kwijtgeraakt; ik heb ze nu niet.

  2. Een ervaring ergens vóór nu
    Har du nogensinde været i Aarhus? — Ben je ooit in Aarhus geweest?

  3. Een periode die nog niet voorbij is
    Jeg har drukket tre kopper kaffe i dag. — Ik heb vandaag drie koppen koffie gedronken. De dag loopt nog.

  4. Een toestand of activiteit die vroeger begon en nog duurt
    Vi har boet her siden 2022. — Wij wonen hier sinds 2022.

Bij die vierde betekenis gebruikt natuurlijk Nederlands vaak de tegenwoordige tijd. De Deense voltooide vorm betekent dus niet automatisch dat de situatie beëindigd is.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Toelichting
Jeg har talt med hende. Ik heb met haar gesproken. Afgerond gesprek met huidige relevantie.
Hun har læst bogen. Zij heeft het boek gelezen. Gewoon gebruik van har.
Vi har boet her længe. Wij wonen hier al lang. Begonnen in het verleden en nog steeds waar.
De er gået. Ze zijn vertrokken. Er legt nadruk op het huidige resultaat.
Jeg har lige sendt beskeden. Ik heb het bericht net verstuurd. Lige betekent hier ‘net’.
Har du nogensinde smagt dansk rugbrød? Heb je ooit Deens roggebrood geproefd? Vraag naar een ervaring tot nu toe.
Hun har aldrig set sne. Zij heeft nog nooit sneeuw gezien. Aldrig drukt afwezigheid van ervaring uit.
I dag har vi haft travlt. Vandaag hebben we het druk gehad. De genoemde dag is nog relevant.
Han er blevet far. Hij is vader geworden. Verandering naar een nieuwe toestand.
Børnene er kommet hjem. De kinderen zijn thuisgekomen. Bereikte bestemming.
Jeg har ikke gjort det endnu. Ik heb het nog niet gedaan. Ikke … endnu is ‘nog niet’.
Hvor længe har du arbejdet her? Hoelang werk je hier al? Het werk duurt nog voort.
Siden mandag har hun været syg. Sinds maandag is ze ziek. Deens gebruikt har været bij een duur tot nu toe.
Hun har gået fem kilometer i dag. Ze heeft vandaag vijf kilometer gelopen. Har belicht de activiteit en afstand.

Veelgemaakte fouten

Een Nederlands ge- toevoegen

  • Fout: Jeg har gelæst bogen.
  • Goed: Jeg har læst bogen.
  • Waarom: Deens vormt het voltooid deelwoord niet met het Nederlandse voorvoegsel ge-. Leer læse – læste – læst als vormenreeks.

Altijd er gebruiken waar Nederlands zijn heeft

  • Fout: Jeg er været i København.
  • Goed: Jeg har været i København.
  • Waarom: Het vaste Deense perfectum van være is har været, hoewel het Nederlands ‘ben geweest’ zegt.

Het deelwoord achteraan zetten volgens Nederlands patroon

  • Fout: I dag har jeg bogen læst.
  • Goed: I dag har jeg læst bogen.
  • Waarom: In het Deens volgt het deelwoord normaal na het hulpwerkwoord; het lijdend voorwerp komt daarna.

De tegenwoordige tijd gebruiken na siden

  • Fout: Jeg bor her siden 2022.
  • Goed: Jeg har boet her siden 2022.
  • Waarom: Voor een situatie die in het verleden begon en voortduurt, gebruikt het Deens vaak de førnutid. Nederlands zegt juist ‘Ik woon hier sinds 2022’.

Ikke op de verkeerde plaats zetten

  • Fout: Jeg ikke har set filmen.
  • Goed: Jeg har ikke set filmen.
  • Waarom: In een hoofdzin staat ikke na de persoonsvorm. Alleen in een bijzin krijg je bijvoorbeeld fordi jeg ikke har set filmen.

Førnutid gebruiken bij elk duidelijk afgesloten verleden

  • Minder natuurlijk: Jeg har besøgt Odense sidste år.
  • Natuurlijk: Jeg besøgte Odense sidste år.
  • Waarom: Sidste år verwijst naar een afgesloten periode. Dan ligt de gewone verleden tijd (datid) meestal voor de hand.

Gebruiksnuances

Førnutid tegenover datid

Het verschil is niet simpelweg ‘voltooid’ tegenover ‘onvoltooid’. De keuze gaat vooral om het gezichtspunt.

Situatie Førnutid Datid
Ervaring tot nu toe Jeg har set filmen. — Ik heb de film gezien.
Gebeurtenis op een bepaald, afgesloten moment Jeg så filmen i går. — Ik zag de film gisteren.
Periode loopt nog Jeg har læst meget i dag. — Ik heb vandaag veel gelezen.
Vertelling met opeenvolgende gebeurtenissen Han åbnede døren og gik ind. — Hij opende de deur en ging naar binnen.

Tijdsaanduidingen zoals i går (‘gisteren’), sidste uge (‘vorige week’) en i 2020 sturen meestal naar de datid, omdat ze een afgesloten tijdvak noemen. Woorden als allerede (‘al’), lige (‘net’), endnu (‘nog’) en nogensinde (‘ooit’) komen vaak met de førnutid voor, maar zijn geen automatische formule: de bedoelde tijdsrelatie blijft beslissend.

I en siden bij duur

Gebruik siden voor het beginpunt en vaak i voor de lengte van de periode:

  • Jeg har kendt hende siden skolen. — Ik ken haar sinds school.
  • Jeg har kendt hende i ti år. — Ik ken haar al tien jaar.

Het Nederlandse woord al wordt in zulke vertalingen vaak toegevoegd, maar hoeft in het Deens niet altijd een apart equivalent te hebben. De constructie zelf maakt duidelijk dat de periode doorloopt.

Spreektaal en uitspraak

In spontane spreektaal worden onbeklemtoonde woorden zoals har vaak zwak uitgesproken. Laat de vorm in geschreven Deens echter altijd staan. Ook wanneer je hem nauwelijks hoort, blijft hij grammaticaal nodig in jeg har set det.

Verder dan de basis

De volgende patronen hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.

Perfectum na een modaal werkwoord

Na modale werkwoorden zoals (‘moeten/mogen; vermoedelijk’), kan (‘kunnen’) en skulle (‘zullen/moeten’) kan have + deelwoord een eerdere handeling uitdrukken:

  • Hun må have glemt aftalen. — Ze moet de afspraak vergeten zijn.
  • Det kan have været svært. — Het kan moeilijk zijn geweest.

Hier staat have in de infinitief omdat het modale werkwoord de persoonsvorm is.

Passief en perfectum lijken soms op elkaar

Een constructie met er + deelwoord kan ook een toestand of passieve betekenis hebben:

  • Døren er lukket. — De deur is gesloten/dicht.
  • Hun er respekteret af sine kolleger. — Zij wordt/is gerespecteerd door haar collega’s.

Dat is niet automatisch dezelfde førnutid als Hun er kommet. De context en de betekenis van het werkwoord laten zien of het om een voltooide beweging, een toestand of een passieve constructie gaat. Als het deelwoord als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt, kan het bovendien verbogen worden: et lukket vindue, lukkede vinduer.

Resultaat tegenover activiteit bij beweging

De afwisseling tussen er en har is vooral bij bewegingswerkwoorden betekenisvol. Vergelijk:

  • Peter er kørt hjem. — Peter is naar huis gereden en is vertrokken/aangekomen.
  • Peter har kørt hele natten. — Peter heeft de hele nacht gereden.

De eerste zin presenteert een overgang met een actueel resultaat; de tweede beschrijft de activiteit. In werkelijk taalgebruik spelen werkwoord, aanvulling en context samen. Behandel dit dus niet als een lijst waarin ieder bewegingswerkwoord altijd maar één hulpwerkwoord heeft.

Van førnutid naar førdatid

Als het referentiepunt niet nu maar een moment in het verleden is, verandert har in havde en er in var:

  • Jeg har spist. — Ik heb gegeten.
  • Jeg havde spist, før hun kom. — Ik had gegeten voordat zij kwam.
  • De er gået. — Ze zijn vertrokken.
  • De var gået, da vi kom. — Ze waren vertrokken toen wij kwamen.

Het deelwoord blijft hetzelfde. Daardoor vormt een goede beheersing van de førnutid meteen de basis voor de førdatid.

Oefentips

  1. Leer drie vormen tegelijk. Noteer bij elk nieuw werkwoord bijvoorbeeld læse – læste – læst en maak meteen een zin met har læst. Zo voorkom je dat je Nederlandse ge- of een zelfbedachte uitgang gebruikt.
  2. Oefen contrasten met tijdsaanduidingen. Maak paren als Jeg har set filmen en Jeg så filmen i går. Vraag jezelf af: is de periode afgesloten, of kijk ik vanuit het heden terug?
  3. Train de Deense woordvolgorde hardop. Wissel Jeg har ikke spist af met fordi jeg ikke har spist, en zet daarna een tijdsbepaling voorop: I dag har jeg ikke spist. Zo oefen je tijd en zinsbouw tegelijk.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Het werkwoord *have* in het DeensA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Oefen Førnutid in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen