Voltooid verleden tijd (førdatid) in het Deens
Førdatid
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.
In het kort
De Deense førdatid beschrijft iets dat al gebeurd of afgerond was vóór een ander moment in het verleden. Je vormt deze tijd meestal met havde + voltooid deelwoord: Jeg havde spist, da hun ringede — ‘Ik had gegeten toen zij belde.’ Bij bepaalde werkwoorden van beweging of verandering staat var: De var gået, da vi kom — ‘Ze waren vertrokken toen wij kwamen.’
Overzicht
De førdatid is de Deense tegenhanger van de Nederlandse voltooid verleden tijd: ik had gelezen, zij was vertrokken. De naam betekent letterlijk ongeveer ‘voor-verleden tijd’. Je kijkt vanuit een moment in het verleden nog verder terug. Daarom zijn er vaak twee punten op de tijdlijn: eerst gebeurde A, daarna gebeurde B.
Dit onderwerp wordt op B1-niveau belangrijk zodra je langere verhalen vertelt, oorzaken in het verleden uitlegt of duidelijk wilt maken welke gebeurtenis eerder plaatsvond. Vergelijk Da jeg kom, spiste de (‘Toen ik kwam, waren ze aan het eten/aten ze’) met Da jeg kom, havde de spist (‘Toen ik kwam, hadden ze gegeten’). Alleen in de tweede zin was het eten al klaar vóór mijn aankomst.
Voor Nederlandstaligen voelt het basisidee vertrouwd. Toch gaat het niet helemaal vanzelf. Het Deens kiest soms anders tussen have en være, gebruikt één onveranderlijke vorm van het voltooid deelwoord en heeft bijwoorden zoals ikke, aldrig en allerede op vaste plaatsen in de zin.
Hoe het werkt
De basisvorm
De kern bestaat uit:
onderwerp + havde/var + voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord is de werkwoordsvorm die in het Nederlands bijvoorbeeld in gegeten of gelezen staat. Het hulpwerkwoord (het werkwoord dat samen met het deelwoord de tijd vormt) staat in de verleden tijd:
| Hulpwerkwoord | Førdatid | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|---|
| have (‘hebben’) | havde | Hun havde læst. | Zij had gelezen. |
| være (‘zijn’) | var | Hun var kommet. | Zij was gekomen. |
Havde en var zijn voor alle personen hetzelfde. Er komen dus geen aparte uitgangen voor jeg, du, han/hun, vi, I of de.
| Persoon | Met have | Met være |
|---|---|---|
| jeg | jeg havde spist | jeg var kommet |
| du | du havde spist | du var kommet |
| han/hun | han/hun havde spist | han/hun var kommet |
| vi | vi havde spist | vi var kommet |
| I | I havde spist | I var kommet |
| de | de havde spist | de var kommet |
Het voltooid deelwoord
De vorm van het deelwoord is dezelfde als in de førnutid (de Deense voltooide tijd met har/er). Bij veel regelmatige werkwoorden eindigt het op -et of -t. Veelgebruikte werkwoorden kunnen onregelmatig zijn.
| Infinitief | Voltooid deelwoord | Førdatid | Nederlands |
|---|---|---|---|
| arbejde | arbejdet | havde arbejdet | had gewerkt |
| købe | købt | havde købt | had gekocht |
| læse | læst | havde læst | had gelezen |
| spise | spist | havde spist | had gegeten |
| skrive | skrevet | havde skrevet | had geschreven |
| se | set | havde set | had gezien |
| gå | gået | var gået | was vertrokken/gegaan |
| komme | kommet | var kommet | was gekomen |
Anders dan een Nederlands bijvoeglijk gebruikt deelwoord verandert het deelwoord in deze werkwoordstijd niet. Het blijft bijvoorbeeld skrevet: Brevet var skrevet kan afhankelijk van de context ‘De brief was geschreven’ betekenen, maar in Hun havde skrevet brevet blijft de vorm eveneens skrevet.
Wanneer gebruik je havde en wanneer var?
Havde is de gewone keuze bij de meeste werkwoorden, zowel met als zonder lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat): havde læst bogen, havde sovet, havde arbejdet.
Var komt voor bij een beperktere groep onovergankelijke werkwoorden, vooral wanneer beweging of een verandering tot een nieuw resultaat centraal staat: var kommet, var gået, var rejst, var blevet. Dit sluit vaak aan bij Nederlands was gekomen, was vertrokken en was geworden.
Bij sommige bewegingswerkwoorden kan de keuze afhangen van betekenis en perspectief. Være legt doorgaans nadruk op aankomst, vertrek of het bereikte resultaat; have kan eerder de activiteit of ervaring benadrukken. Leer daarom veelvoorkomende combinaties als geheel. Voor het kerngebruik zijn er/var kommet, er/var gået en er/var blevet veilige patronen.
De tijdlijn zichtbaar maken
Een bijzin met da (‘toen’) geeft vaak het latere referentiepunt:
- De havde spist. — Zij hadden gegeten.
- Vi kom. — Wij kwamen.
- De havde spist, da vi kom. — Zij hadden gegeten toen wij kwamen.
De førdatid markeert gebeurtenis 1 als eerder. De gewone verleden tijd, de datid, markeert gebeurtenis 2. Signaalwoorden zoals allerede (‘al’), aldrig (‘nooit’), endnu ikke (‘nog niet’), før (‘voordat/eerder’) en efter (‘nadat’) helpen de volgorde duidelijk te maken, maar zijn niet verplicht.
Ontkenning en bijwoorden
In een gewone hoofdzin staat een zinsbijwoord zoals ikke of aldrig na het vervoegde hulpwerkwoord:
- Jeg havde ikke set beskeden. — Ik had het bericht niet gezien.
- Hun havde aldrig været i Danmark. — Zij was nog nooit in Denemarken geweest.
- Vi var allerede gået. — Wij waren al vertrokken.
In een bijzin staat zo’n bijwoord normaal vóór het vervoegde werkwoord:
- … fordi jeg ikke havde set beskeden. — … omdat ik het bericht niet had gezien.
- … selv om hun aldrig havde mødt ham. — … hoewel zij hem nooit had ontmoet.
Dat verschil verdient extra aandacht: het Nederlands laat niet in beide gevallen gemakkelijk na had staan, terwijl het Deens in de bijzin ikke havde gebruikt.
Vragen en inversie
In een ja-neevraag komt het hulpwerkwoord vóór het onderwerp:
- Havde du læst bogen? — Had je het boek gelezen?
- Var de allerede gået? — Waren ze al vertrokken?
Na een ander zinsdeel op de eerste plaats volgt in een hoofdzin eveneens inversie (omkering van werkwoord en onderwerp):
- Før mødet havde jeg læst rapporten. — Voor de vergadering had ik het rapport gelezen.
- Da vi kom hjem, var børnene faldet i søvn. — Toen we thuiskwamen, waren de kinderen in slaap gevallen.
Voorbeelden in context
| Deens | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Jeg havde allerede spist, da hun ringede. | Ik had al gegeten toen zij belde. | Het eten kwam vóór het telefoontje. |
| Hun havde aldrig set havet før den dag. | Zij had vóór die dag nog nooit de zee gezien. | Aldrig staat na havde. |
| De var gået, da vi kom. | Ze waren vertrokken toen wij kwamen. | Var benadrukt het voltooide vertrek. |
| Havde du læst bogen, før du så filmen? | Had je het boek gelezen voordat je de film zag? | Ja-neevraag met inversie. |
| Vi havde boet i Odense i fem år, før vi flyttede. | We hadden vijf jaar in Odense gewoond voordat we verhuisden. | Een duur die aan een later verleden moment voorafgaat. |
| Jeg kunne ikke betale, fordi jeg havde glemt min pung. | Ik kon niet betalen omdat ik mijn portemonnee vergeten was. | De eerdere gebeurtenis verklaart de oorzaak. |
| Da mødet begyndte, havde alle fundet deres pladser. | Toen de vergadering begon, had iedereen zijn plaats gevonden. | De handeling was al afgerond. |
| Hun sagde, at hun ikke havde fået min besked. | Ze zei dat ze mijn bericht niet had ontvangen. | In de bijzin staat ikke vóór havde. |
| Toget var allerede kørt, da vi nåede stationen. | De trein was al vertrokken toen we het station bereikten. | Resultaat van beweging. |
| Efter at de havde underskrevet kontrakten, fejrede de det. | Nadat ze het contract hadden ondertekend, vierden ze het. | Efter at maakt de volgorde expliciet. |
| Han opdagede, at nogen havde åbnet vinduet. | Hij ontdekte dat iemand het raam had geopend. | De ontdekking kwam later. |
| Vi havde endnu ikke besluttet os. | We hadden nog geen besluit genomen. | Endnu ikke betekent ‘nog niet’. |
| Da vi kom hjem, var barnet faldet i søvn. | Toen we thuiskwamen, was het kind in slaap gevallen. | Verandering naar een nieuwe toestand. |
| Før rejsen havde jeg aldrig fløjet. | Vóór de reis had ik nog nooit gevlogen. | Een levenservaring bekeken vanuit het verleden. |
Veelgemaakte fouten
1. De tegenwoordige hulpwerkwoordsvorm gebruiken
- Onjuist: Jeg har spist, før hun ringede.
- Juist: Jeg havde spist, før hun ringede.
- Waarom: Har spist is førnutid en kijkt meestal vanuit het heden terug. Het referentiepunt hun ringede ligt in het verleden, dus hier past havde spist.
2. Voor elk werkwoord havde kiezen
- Onjuist: De havde gået, da vi kom. (bedoeld: ze waren al weg)
- Juist: De var gået, da vi kom.
- Waarom: Bij het bereikte resultaat van vertrekken gebruikt het Deens hier være. Dit lijkt op Nederlands zijn vertrokken, maar leer de Deense combinatie afzonderlijk: de verdeling is niet in elke context exact gelijk.
3. Het deelwoord opnieuw vervoegen
- Onjuist: Hun havde skrev brevet.
- Juist: Hun havde skrevet brevet.
- Waarom: Na havde staat het voltooid deelwoord skrevet, niet de verleden tijd skrev.
4. Nederlandse woordvolgorde in een bijzin overnemen
- Onjuist: Han sagde, at han havde ikke set det.
- Juist: Han sagde, at han ikke havde set det.
- Waarom: In een Deense bijzin komt ikke normaal vóór het vervoegde werkwoord: at han ikke havde ….
5. Førdatid gebruiken voor elke opeenvolging in een verhaal
- Minder natuurlijk zonder reden: Jeg havde åbnet døren, havde taget min jakke og var gået ud.
- Natuurlijk voor een gewone reeks: Jeg åbnede døren, tog min jakke og gik ud.
- Waarom: Voor gebeurtenissen die het verhaal stap voor stap vooruitbrengen, gebruikt het Deens meestal de gewone verleden tijd. Førdatid dient vooral om vanuit dat verhaal terug te kijken.
Gebruiksnotities
In geschreven verhalen is førdatid belangrijk om een terugblik te openen. Zodra de eerdere tijdslaag duidelijk is, kan een schrijver soms weer gewone verleden tijd gebruiken, vooral in een langere passage. Voor de leerder is het veiliger om de førdatid te behouden waar anders onduidelijkheid ontstaat.
De tijd hoeft niet altijd samen met een expliciete tweede gebeurtenis te staan. Het eerdere referentiepunt kan al uit de context bekend zijn: Jeg var sulten, for jeg havde ikke spist (‘Ik had honger, want ik had niet gegeten’). De situatie van honger vormt dan het latere verleden moment.
Let ook op het verschil tussen toestand en eerdere verandering. Døren var åben betekent ‘De deur was open’ en beschrijft een toestand. Nogen havde åbnet døren betekent ‘Iemand had de deur geopend’ en noemt de eerdere handeling. De vorm var blevet åbnet (‘was geopend geworden/was opengemaakt’) is een passieve constructie en legt eveneens een verandering vast.
Verder dan de basis
Modaliteit en onwerkelijkheid
Førdatid verschijnt ook in zinnen over een gemiste mogelijkheid of een onwerkelijke situatie in het verleden. Dan gaat het niet alleen om tijd, maar ook om iets wat niet werkelijk gebeurde:
- Hvis jeg havde vidst det, var jeg blevet hjemme. — Als ik dat had geweten, was ik thuisgebleven.
- Hun ville have hjulpet, hvis hun havde haft tid. — Zij zou hebben geholpen als ze tijd had gehad.
Hier staat in de hvis-bijzin de førdatid (havde vidst, havde haft). De andere zinshelft kan een samengestelde vorm met ville bevatten. Dit patroon hoort bij een verdere studie van voorwaardelijke zinnen; je hoeft het niet als een nieuwe basisbetekenis van førdatid te zien.
Indirecte rede
Na een werkwoord van zeggen, denken of ontdekken in het verleden komt førdatid vaak voor om een nog eerdere gebeurtenis aan te geven:
- Hun fortalte, at hun havde mistet sine nøgler. — Ze vertelde dat ze haar sleutels kwijtgeraakt was.
- Jeg troede, at de var rejst. — Ik dacht dat ze vertrokken waren.
Kies de tijd op grond van de bedoelde tijdlijn, niet automatisch alleen omdat de hoofdzin verleden tijd bevat. Als twee situaties tegelijk golden, kan gewone verleden tijd passend blijven.
Før, først en for…siden
Deze woorden lijken voor een Nederlandstalige soms verwarrend. Før betekent ‘vóór/eerder’, først betekent onder meer ‘eerst/pas’, en een duur met for … siden betekent ‘… geleden’. Ze dwingen niet zelfstandig de førdatid af. Het perspectief bepaalt de tijd:
- Jeg havde set hende før. — Ik had haar eerder gezien.
- Jeg så hende for to dage siden. — Ik zag haar twee dagen geleden.
Oefentips
- Teken twee punten op een tijdlijn. Schrijf bij het eerste punt een vorm met havde/var + deelwoord en bij het tweede een gewone verleden tijd: Jeg havde lavet mad → gæsterne kom.
- Bouw voort op de førnutid. Zet paren naast elkaar: har læst → havde læst, er kommet → var kommet. Zo oefen je vooral het veranderende hulpwerkwoord en hoef je het deelwoord niet opnieuw te leren.
- Oefen woordvolgorde in drietallen. Maak van één gedachte een hoofdzin, vraag en bijzin: Du havde ikke set den; Havde du set den?; fordi du ikke havde set den.
Verwante onderwerpen
- Voorwaarde: Voltooide tijd (førnutid) — gebruikt dezelfde voltooide deelwoorden en helpt bij de keuze tussen have en være.
- Vervolg: Voorwaardelijke zinnen in het verleden — combineer hvis + førdatid met vormen zoals ville have om gemiste of onwerkelijke mogelijkheden uit te drukken.
Vereiste kennis
De førnutid in het DeensA2Meer B1-concepten
Oefen Førdatid in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen