A2

Wederkerende werkwoorden in het Deens

Refleksive Verber

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Een Deens wederkerend werkwoord verwijst met mig, dig, sig, os of jer terug naar het onderwerp: Jeg vasker mig betekent ‘Ik was me’. Alleen bij de derde persoon gebruik je sig: zowel hun føler sig als de føler sig. Leer vaste combinaties zoals sætte sig en glæde sig til altijd met het wederkerend voornaamwoord en het bijbehorende voorzetsel.

Overzicht

Bij een wederkerende handeling doet iemand iets met zichzelf. In Jeg vasker mig is jeg het onderwerp (degene die de handeling uitvoert) en mig het wederkerend voornaamwoord dat naar diezelfde persoon terugverwijst. Het Nederlands werkt vaak vergelijkbaar: ‘ik was me’, ‘jij haast je’ en ‘zij schaamt zich’.

Toch kun je Nederlandse zinnen niet woord voor woord omzetten. Sommige werkwoorden zijn in beide talen wederkerend, zoals føle sig (‘zich voelen’), maar andere niet: sætte sig betekent meestal ‘gaan zitten’ en gifte sig ‘trouwen’. Omgekeerd hoeft een Deens werkwoord niet altijd wederkerend te zijn waar het Nederlands dat wel lijkt. Daarom is het verstandig om de hele combinatie te leren, niet alleen het werkwoord.

Dit onderwerp hoort bij A2. Voor de basis heb je vooral de tegenwoordige tijd en de juiste reeks voornaamwoorden nodig. Verderop komen ook de gebiedende wijs, voltooide tijden, woordvolgorde en het verschil tussen wederkerende en wederzijdse handelingen aan bod.

Hoe het werkt

De reeks mig, dig, sig, os en jer

Het wederkerend voornaamwoord moet bij het onderwerp passen. Het heeft dezelfde vorm als het gewone objectvoornaamwoord (een kort woord voor degene die de handeling ondergaat). Uit de context blijkt dat het naar het onderwerp terugverwijst.

Onderwerp Wederkerend voornaamwoord Voorbeeld Betekenis
jeg mig Jeg vasker mig. Ik was me.
du dig Du vasker dig. Jij wast je.
han / hun / den / det sig Hun vasker sig. Zij wast zich.
vi os Vi vasker os. Wij wassen ons.
I jer I vasker jer. Jullie wassen je.
de sig De vasker sig. Zij wassen zich.

Het belangrijkste verschil met het Nederlands zit in de derde persoon. Nederlands gebruikt ‘zich’ bij onder meer hij, zij en zij/meervoud; Deens gebruikt daar steeds sig. Bij de eerste en tweede persoon verandert het woord wel: mig, dig, os, jer. Zeg dus niet jeg vasker sig naar analogie van een woordenboekvorm.

De vorm Dem hoort niet in deze reeks. Bij beleefde aanspreking met De wordt traditioneel Dem gebruikt, maar die formele aanspreekvorm is in modern Deens veel minder alledaags dan Nederlands ‘u’. Voor de gewone omgang is du — dig de combinatie die je het vaakst nodig hebt.

De basisbouw

In een gewone hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats. Het wederkerend voornaamwoord staat doorgaans na het werkwoord en, als het onderwerp niet vooraan staat, na het onderwerp:

  • Jeg vasker mig om morgenen. — Ik was me ’s morgens.
  • I dag vasker jeg mig tidligt. — Vandaag was ik me vroeg.
  • Hun føler sig bedre nu. — Zij voelt zich nu beter.

Een tijdsbepaling vooraan verandert dus niet welke vorm je kiest. Het onderwerp jeg blijft horen bij mig.

Bij een ontkenning staat ikke in een gewone hoofdzin meestal na het korte wederkerende voornaamwoord:

  • Jeg skynder mig ikke. — Ik haast me niet.
  • Han føler sig ikke rask. — Hij voelt zich niet gezond.

In een bijzin (een zinsdeel dat niet zelfstandig als hoofdzin fungeert) staat ikke vóór het vervoegde werkwoord, terwijl het wederkerend voornaamwoord later volgt:

  • Jeg bliver hjemme, fordi jeg ikke føler mig rask. — Ik blijf thuis omdat ik me niet gezond voel.

Dat is een belangrijk verschil met de Nederlandse bijzin. Vertrouw niet alleen op Nederlandse woordvolgorde; leer het Deense patroon als geheel.

Infinitief, hulpwerkwoord en voltooide tijd

De infinitief (de onverbogen woordenboekvorm) wordt meestal met sig opgegeven: at vaske sig, at sætte sig, at glæde sig. In een echte zin past het voornaamwoord zich aan het onderwerp aan:

  • Jeg vil gerne sætte mig her. — Ik wil hier graag gaan zitten.
  • Kan I skynde jer? — Kunnen jullie opschieten?
  • Vi skal koncentrere os. — We moeten ons concentreren.

Bij een voltooide tijd staat het voornaamwoord na het voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm bij har):

  • Hun har vasket sig. — Zij heeft zich gewassen.
  • De har giftet sig. — Zij zijn getrouwd.
  • Jeg har glædet mig til besøget. — Ik heb naar het bezoek uitgekeken.

Let bij de Nederlandse vertaling op het hulpwerkwoord. Deens gebruikt in De har giftet sig letterlijk een vorm met har, terwijl natuurlijk Nederlands ‘zij zijn getrouwd’ zegt. Vertaal de betekenis, niet elk los woord.

Gebiedende wijs

In een bevel laat je het onderwerp meestal weg, maar het wederkerend voornaamwoord blijft staan. Kies dig voor één persoon en jer voor meer personen:

  • Sæt dig ned! — Ga zitten!
  • Skynd jer! — Schiet op!
  • Pas på dig selv! — Pas goed op jezelf!

De vorm Sæt sig ned! is geen gewoon bevel aan iemand die je met du aanspreekt. Dat is een veelgemaakte fout doordat woordenboeken sætte sig vermelden.

Drie soorten combinaties

Niet elk wederkerend werkwoord heeft precies dezelfde relatie met het Nederlands.

  1. Een echte handeling op jezelf: vaske sig, barbere sig, klæde sig på. Het voornaamwoord betekent duidelijk dat onderwerp en object dezelfde persoon zijn.
  2. Een vaste combinatie: føle sig, skynde sig, glæde sig til, koncentrere sig om. Laat je het voornaamwoord weg, dan wordt de zin ongrammaticaal of verandert de betekenis.
  3. Een Deense combinatie met een niet-wederkerende Nederlandse vertaling: sætte sig (‘gaan zitten’), gifte sig (‘trouwen’), opføre sig (‘zich gedragen’). Hier helpt een letterlijke vertaling minder.

Leer bij een voorzetsel altijd de complete eenheid: glæde sig til iets, koncentrere sig om iets en tage sig af iemand of iets.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Opmerking
Jeg vasker mig før morgenmaden. Ik was me voor het ontbijt. Een handeling op jezelf
Du skal huske at klæde dig varmt på. Je moet eraan denken je warm aan te kleden. klæde sig på is een vaste combinatie
Hun føler sig træt efter arbejdet. Zij voelt zich moe na het werk. sig verwijst naar hun
Han barberer sig hver morgen. Hij scheert zich elke ochtend. Dagelijkse routine
Vi glæder os til ferien. Wij verheugen ons op de vakantie. Deens til, Nederlands ‘op’
Kan I koncentrere jer om opgaven? Kunnen jullie je op de opdracht concentreren? Meervoud I — jer
Børnene skynder sig ud. De kinderen haasten zich naar buiten. Een zelfstandig naamwoord als onderwerp krijgt sig
Sæt dig ned, så laver jeg kaffe. Ga zitten, dan zet ik koffie. Bevel aan één persoon
De gifter sig på lørdag. Zij trouwen zaterdag. Nederlands is hier niet wederkerend
Jeg har ikke vænnet mig til kulden endnu. Ik ben nog niet aan de kou gewend. Voltooide tijd en til
Hvordan har du det? — Jeg føler mig meget bedre. Hoe gaat het met je? — Ik voel me veel beter. Veelgebruikte combinatie met een bijvoeglijk woord
Hun tager sig af sin gamle nabo. Zij zorgt voor haar oude buurman. tage sig af betekent ‘zorgen voor’
Når vi mødes, sætter vi os ved vinduet. Wanneer we elkaar ontmoeten, gaan we bij het raam zitten. os past bij vi
De vasker sig, før de går i seng. Ze wassen zich voordat ze naar bed gaan. Kan betekenen: ieder wast zichzelf

Veelgemaakte fouten

Altijd sig gebruiken

  • Onjuist: Jeg glæder sig til weekenden.
  • Juist: Jeg glæder mig til weekenden.
  • Waarom: sig hoort alleen bij een onderwerp in de derde persoon. Bij jeg hoort mig.

Het Nederlandse zich rechtstreeks kopiëren

  • Onjuist: Vi føler sig trætte.
  • Juist: Vi føler os trætte.
  • Waarom: Nederlands gebruikt ‘zich’ niet bij ‘wij’, maar de woordenboekvorm føle sig kan toch verleiden tot één vaste Deense vorm. Het voornaamwoord verandert mee: vi — os.

Het voornaamwoord weglaten

  • Onjuist: Hun føler træt.
  • Juist: Hun føler sig træt.
  • Waarom: Voor ‘zich moe voelen’ is føle sig de vaste Deense combinatie. Zonder sig heeft føle een andere bouw en betekent het eerder ‘voelen/betasten’ of ‘aanvoelen’ met een object.

Het verkeerde voorzetsel kiezen

  • Onjuist: Jeg glæder mig på ferien.
  • Juist: Jeg glæder mig til ferien.
  • Waarom: Nederlands zegt ‘zich verheugen op’, maar Deens gebruikt glæde sig til. Voorzetsels vertaal je hier niet los.

Sig gebruiken in een bevel aan du

  • Onjuist: Skynd sig!
  • Juist: Skynd dig!
  • Waarom: Het verzwegen onderwerp is du. Daarom hoort er dig te staan. Tegen meer personen zeg je Skynd jer!

Zichzelf en elkaar verwarren

  • Onduidelijk of onjuist bedoeld: De hjælper sig.
  • Juist bij wederzijdse hulp: De hjælper hinanden.
  • Waarom: sig verwijst terug naar ieder onderwerp; hinanden betekent ‘elkaar’. Als twee mensen elkaar helpen, heb je hinanden nodig.

Gebruiksnotities

Een versterkte vorm met selv legt nadruk op ‘zelf’: Jeg vasker mig selv betekent nadrukkelijk ‘Ik was mezelf’, bijvoorbeeld niet iemand anders. In een neutrale zin is Jeg vasker mig genoeg. Nederlands kan eveneens ‘mezelf’ gebruiken, maar zet die sterke vorm niet automatisch overal in het Deens.

Bij lichaamsverzorging kan het Deens soms een lichaamsdeel als gewoon object noemen: Jeg vasker hænder of vaker Jeg vasker hænderne (‘ik was mijn handen’). De wederkerende constructie Jeg vasker mig gaat over de persoon als geheel. Het Deens gebruikt bij lichaamsdelen bovendien vaak het bepaald lidwoord waar het Nederlands een bezittelijk woord gebruikt.

Sommige combinaties komen veel vaker voor dan hun letterlijke vertaling doet vermoeden. Sætte sig is de normale manier om ‘gaan zitten’ uit te drukken. Glæde sig til drukt positieve verwachting uit, terwijl være glad for meestal betekent dat je blij of tevreden bent met iets dat er al is. Dat onderscheid leer je het best via complete voorbeeldzinnen.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet volledig te beheersen, maar je komt ze later geregeld tegen.

Wederkerend of wederzijds

Bij een meervoudig onderwerp kan sig soms zonder context dubbelzinnig zijn:

  • De vasker sig. — Ze wassen zich; normaal gesproken wast ieder zichzelf.
  • De vasker hinanden. — Ze wassen elkaar.

Hinanden is het wederzijds voornaamwoord: de deelnemers doen iets met elkaar. Bij werkwoorden die van nature een gezamenlijke handeling noemen, kan het Deens ook een vorm op -s gebruiken, zoals De mødes (‘ze ontmoeten elkaar’). Zo’n -s-werkwoord is geen gewone combinatie van werkwoord plus sig en moet apart worden geleerd.

Sig verwijst normaal naar het onderwerp van dezelfde bijzin

In Anna siger, at hun vasker sig verwijst sig normaal naar hun, het onderwerp van de bijzin: Anna zegt dat zij zichzelf wast. Dit lokale verband wordt belangrijker in langere zinnen. Het Deens gebruikt sig en het bezittelijke sin/sit/sine volgens verwante, maar niet identieke regels; verwar sig (‘zich’) dus niet met sin (‘zijn/haar eigen’).

Betekenisverschil met en zonder voornaamwoord

Een wederkerende vorm kan een andere betekenis hebben dan het basiswerkwoord:

Zonder wederkerend voornaamwoord Met wederkerend voornaamwoord
Hun sætter koppen på bordet. — Zij zet de kop op tafel. Hun sætter sig ved bordet. — Zij gaat aan tafel zitten.
Jeg glæder barnet. — Ik maak het kind blij. Jeg glæder mig til festen. — Ik verheug me op het feest.
Han tager bogen. — Hij pakt het boek. Han tager sig af barnet. — Hij zorgt voor het kind.

Dit zijn geen vrije toevoegingen van sig: de hele constructie bepaalt de betekenis. Een goed woordenboek vermeldt daarom zowel het patroon als eventuele voorzetsels.

Geen lijdende vorm

Een vorm met sig is niet hetzelfde als de lijdende vorm (een constructie waarin de handelende persoon niet centraal staat). Vergelijk:

  • Hun vasker sig. — Zij wast zich.
  • Bilen vaskes hver fredag. — De auto wordt elke vrijdag gewassen.

In de tweede zin is vaskes een vorm op -s; er staat geen wederkerend voornaamwoord. De gelijkenis van de letter s en het woord sig maakt de constructies nog niet grammaticaal gelijk.

Oefentips

  1. Leer werkwoorden als pakketje. Schrijf niet alleen glæde, maar glæde sig til + iets. Maak daarna zes korte zinnen door sig te vervangen door mig, dig, sig, os, jer, sig.
  2. Oefen met twee woordvolgordes. Zet naast Jeg føler mig træt i dag ook I dag føler jeg mig træt. Voeg daarna ikke toe. Zo train je tegelijk de tweede zinsplaats en de positie van het voornaamwoord.
  3. Vertaal op betekenis. Maak kaartjes met Deens aan de ene en natuurlijk Nederlands aan de andere kant: sætte sig — gaan zitten, gifte sig — trouwen, tage sig af — zorgen voor. Daarmee voorkom je onnatuurlijke woord-voor-woordvertalingen.

Verwante onderwerpen

  • Vereiste basis: Tegenwoordige tijd — nodig om vormen als vasker, føler en sætter in gewone zinnen te gebruiken.

Vereiste kennis

Tegenwoordige tijd in het DeensA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Refleksive Verber in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen