A1

Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden in het Deens

Almindelige Uregelmæssige Verber

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

In het kort

Deense werkwoorden krijgen niet voor elke persoon een andere vorm: het is jeg går, du går én vi går. Bij onregelmatige werkwoorden leer je daarom vooral vier hoofdvormen, bijvoorbeeld gå → går → gik → gået en se → ser → så → set. Vooral de verleden tijd en het voltooid deelwoord moet je uit het hoofd kennen.

Overzicht

Onregelmatige werkwoorden volgen bij de vorming van de verleden tijd en het voltooid deelwoord niet volledig de gewone patronen met -ede, -te of -et. Vaak verandert de klinker in de stam: wordt gik, se wordt en komme wordt kom. Andere veelgebruikte werkwoorden hebben een afwijkende uitgang, zoals sige → sagde → sagt en gøre → gjorde → gjort.

Dit onderwerp begint al op A1, omdat deze werkwoorden voortdurend voorkomen in gesprekken over gaan, komen, zien, zeggen en doen. Je hoeft niet meteen alle mogelijke vormen te beheersen. Begin met de vijf kernwerkwoorden uit dit artikel en leer elke vorm in een korte zin.

Voor Nederlandstaligen is er goed nieuws: een Deens werkwoord verandert niet met de persoon of het getal. Waar het Nederlands ik ga, jij gaat en wij gaan heeft, gebruikt het Deens steeds går: jeg går, du går, vi går. De moeilijkheid zit dus niet in persoonsuitgangen, maar in het onthouden van de juiste tijdsvorm.

Hoe werkt het?

De vier hoofdvormen

Een praktisch rijtje voor een Deens werkwoord bestaat uit:

  1. de infinitief (de woordenboekvorm), meestal met at: at gå;
  2. de tegenwoordige tijd: går;
  3. de verleden tijd: gik;
  4. het voltooid deelwoord (de vorm na har of er): gået.
Vorm Deens Waarvoor gebruik je die?
Infinitief (at) gå Na at en vaak na een modaal werkwoord: Jeg vil gå
Tegenwoordige tijd går Wat nu of gewoonlijk gebeurt: Jeg går hjem
Verleden tijd gik Een afgeronde situatie in het verleden: Jeg gik hjem
Voltooid deelwoord gået Met een hulpwerkwoord: Jeg er gået hjem

Het pijltjesrijtje gå → gik → gået dat je vaak in woordenlijsten ziet, laat de infinitief, verleden tijd en het voltooid deelwoord zien. Voor actief gebruik is het verstandig ook de tegenwoordige tijd erbij te leren: gå → går → gik → gået.

De vijf kernwerkwoorden

Infinitief Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord Betekenis
går gik gået gaan, lopen
se ser set zien, kijken
komme kommer kom kommet komen
sige siger sagde sagt zeggen
gøre gør gjorde gjort doen, maken

Let op drie verschillende soorten onregelmatigheid:

  • Bij gå, se en komme verandert vooral de klinker of de hele stam: gik, så, kom.
  • Bij sige verschijnt in de verleden tijd -de aan een veranderde stam: sagde; het deelwoord is sagt.
  • Bij gøre zijn zowel gjorde als gjort afwijkend. De tegenwoordige tijd is bovendien kort: gør, niet gører.

Eén vorm voor alle personen

Onderwerp Tegenwoordige tijd Verleden tijd
jeg jeg ser jeg så
du du ser du så
han / hun / den / det han ser han så
vi vi ser vi så
I I ser I så
de de ser de så

Dit is een belangrijk verschil met het Nederlands. Voeg bij du of han/hun geen extra -t toe en maak voor het meervoud geen aparte vorm. Deense persoonsvormen blijven gelijk.

Verleden tijd of voltooide tijd?

De gewone verleden tijd staat zonder hulpwerkwoord: Hun kom i går (zij kwam gisteren). De voltooide tijd bestaat uit har of er plus een voltooid deelwoord: Hun er kommet (zij is gekomen). Het voltooid deelwoord draagt zelf geen informatie over de persoon: jeg har set, vi har set.

Bij se, sige en gøre gebruik je normaal har: har set, har sagt, har gjort. Bij beweging en verandering komen er gået, er kommet en er blevet veel voor wanneer het resultaat of de overgang centraal staat. Dat lijkt vaak op het Nederlands: is gegaan, is gekomen, is geworden.

Nog enkele zeer frequente rijtjes

Als de vijf kernwerkwoorden vertrouwd zijn, zijn deze vormen een nuttige volgende stap:

Infinitief Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord Betekenis
være er var været zijn
have har havde haft hebben
får fik fået krijgen
tage tager tog taget nemen
stå står stod stået staan
blive bliver blev blevet worden, blijven
vide ved vidste vidst weten

Leer deze niet als één lange woordenlijst. Koppel bijvoorbeeld fik aan Jeg fik en besked en tog aan Vi tog toget.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Opmerking
Jeg går på arbejde hver morgen. Ik ga elke ochtend naar mijn werk. Tegenwoordige tijd van
Vi gik hjem efter filmen. We gingen na de film naar huis. Verleden tijd van
Hun er gået ud. Ze is naar buiten gegaan. er + gået; het resultaat telt
Kan du se skiltet? Kun je het bord zien? Na kan staat de infinitief zonder at
Jeg så ham på stationen. Ik zag hem op het station. Verleden tijd van se
Har I set den nye film? Hebben jullie de nieuwe film gezien? har + set
Bussen kommer om fem minutter. De bus komt over vijf minuten. Tegenwoordige tijd van komme
De kom sent i går. Ze kwamen gisteren laat. kom is enkelvoud én meervoud
Maden er kommet. Het eten is aangekomen. Voltooide tijd met er
Hun siger altid godmorgen. Ze zegt altijd goedemorgen. Tegenwoordige tijd van sige
Hvad sagde du? Wat zei je? Vraag met sagde
Jeg har sagt det to gange. Ik heb het twee keer gezegd. har + sagt
Hvad gør vi nu? Wat doen we nu? Korte vorm gør
Han gjorde rent i går. Hij maakte gisteren schoon. gøre rent betekent schoonmaken
Du har gjort det godt. Je hebt het goed gedaan. har + gjort

In vragen blijft dezelfde persoonsvorm staan, maar onderwerp en werkwoord wisselen meestal van plaats: Du så filmen wordt Så du filmen? Ook hier komt dus geen Nederlandse uitgang bij.

Veelgemaakte fouten

Een regelmatige verleden tijd maken

  • Fout: I går gåede vi hjem.
  • Goed: I går gik vi hjem.
  • Waarom: heeft de onregelmatige verleden tijd gik. Een vorm als gåede bestaat hier niet.

De Nederlandse persoonsuitgang overnemen

  • Fout: Han gårt hjem nu.
  • Goed: Han går hjem nu.
  • Waarom: De tegenwoordige tijd is voor alle personen går. Het Nederlandse verschil tussen ik ga en hij gaat heeft geen Deense tegenhanger.

Infinitief en tegenwoordige tijd verwisselen

  • Fout: Jeg se bussen.
  • Goed: Jeg ser bussen.
  • Waarom: In een gewone mededelende hoofdzin heb je de persoonsvorm ser nodig. Na een modaal werkwoord gebruik je wel se: Jeg kan se bussen.

Het verkeerde voltooid deelwoord gebruiken

  • Fout: Jeg har så filmen.
  • Goed: Jeg har set filmen.
  • Waarom: is de gewone verleden tijd; na har hoort het voltooid deelwoord set. Vergelijk: Jeg så filmen i går tegenover Jeg har set filmen.

Sagde schrijven zoals het klinkt

  • Fout: Hun sa det ikke.
  • Goed: Hun sagde det ikke.
  • Waarom: In natuurlijke uitspraak worden klanken vaak gereduceerd, maar de standaardspelling is sagde. Leer uitspraak en spelling als twee kanten van dezelfde vorm.

Gøre regelmatig vervoegen

  • Fout: Hvad gører du? / Jeg har gøret det.
  • Goed: Hvad gør du? / Jeg har gjort det.
  • Waarom: De juiste hoofdvormen zijn gøre → gør → gjorde → gjort.

Gebruiksnotities

betekent niet altijd Nederlands gaan

Deens kan zowel ‘gaan’ als ‘lopen’ betekenen. Jeg går til stationen zegt meestal dat iemand naar het station loopt. Voor reizen met een vervoermiddel gebruikt het Deens vaak tage of køre: Jeg tager bussen (ik neem de bus) en Jeg kører til Aarhus (ik rijd naar Aarhus). Vertaal Nederlands gaan dus niet automatisch met .

komt ook in vaste verbindingen voor. Gå hjem is naar huis gaan, gå ud kan naar buiten gaan of uitgaan betekenen, en gå på arbejde betekent naar het werk gaan of werken. De precieze vertaling hangt af van de context.

Gøre en lave overlappen, maar zijn niet identiek

Het Nederlandse doen wordt vaak gøre: Hvad gør du? Het Nederlandse maken is dikwijls lave: Jeg laver mad (ik kook/maak eten). Toch staat gøre in vaste combinaties zoals gøre rent (schoonmaken), gøre noget (iets doen) en gøre en forskel (een verschil maken). Leer zulke verbindingen als geheel in plaats van elk woord los te vertalen.

Uitspraak en spelling lopen niet altijd gelijk

Bij veel frequente Deense vormen hoor je niet elke geschreven letter even duidelijk. Dat geldt onder meer voor sagde en gjorde. Probeer de spelling daarom niet alleen uit de uitspraak af te leiden. Lees de vorm, luister ernaar en spreek hem vervolgens in een volledige zin uit.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

Dit hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen, maar je zult het later vaak tegenkomen.

Har gået tegenover er gået

Zowel har gået als er gået kan voorkomen, maar het perspectief verschilt. Han er gået betekent doorgaans dat hij weg is of vertrokken is: het huidige resultaat is belangrijk. Han har gået ti kilometer beschrijft de activiteit of afgelegde afstand: hij heeft tien kilometer gelopen. Voor een Nederlandstalige voelt dit onderscheid redelijk vertrouwd, maar kies het hulpwerkwoord op basis van de Deense betekenis, niet alleen op basis van een woordelijke Nederlandse vertaling.

Het voltooid deelwoord als bijvoeglijke vorm

Een voltooid deelwoord kan later ook als een bijvoeglijk woord optreden en dan soms verbogen worden. Vergelijk Brevet er skrevet (de brief is geschreven) met de skrevne breve (de geschreven brieven). Dit is een apart, gevorderder onderwerp. Voor de voltooide tijd zelf blijft de korte vorm staan: har skrevet.

Werkwoorden met een partikel

Een kort woord na het werkwoord kan de betekenis sterk veranderen. Bij vind je bijvoorbeeld gå ud, gå ind, gå op en gå tilbage. Bij komme zijn komme ind en komme tilbage heel gewoon. De onregelmatige hoofdvorm blijft behouden: gik ud, er gået tilbage, kom ind, er kommet tilbage.

De gebiedende wijs

De gebiedende wijs (de vorm voor een opdracht of uitnodiging) is vaak kort: Gå!, Se!, Kom!, Sig det! en Gør det! Vooral sig en gør moet je apart herkennen. Een beleefde toon hangt niet alleen van de werkwoordsvorm af; woorden als venligst en een passende intonatie spelen ook een rol.

Onregelmatigheid moet je per hoofdvorm leren

Een veranderde klinker levert geen volledig betrouwbaar voorspelpatroon op. Se heeft , maar sige heeft sagde; heeft gik, terwijl stå stod heeft. Er bestaan historische groepen en overeenkomsten, maar voor praktisch modern Deens is een compleet rijtje met een voorbeeldzin veiliger dan zelf een vorm raden.

Oefentips

  1. Leer vier vormen tegelijk. Maak kaartjes als gå – går – gik – gået in plaats van alleen gå – gik. Zeg bij elke vorm een mini-zin: jeg går, jeg gik, jeg er gået.
  2. Oefen in contrastparen. Schrijf voor elk werkwoord één zin in de verleden tijd en één in de voltooide tijd: Jeg så filmen i går tegenover Jeg har set filmen. Zo voorkom je verwarring tussen en set.
  3. Gebruik je Nederlandse valkuil bewust. Wissel het onderwerp zonder het Deense werkwoord te veranderen: jeg siger, du siger, de siger. Oefen daarna dezelfde reeks met sagde.

Een haalbaar weekschema is één kernwerkwoord per dag. Herhaal aan het eind van de week alle vormen door een kort verhaal te vertellen met gik, så, kom, sagde en gjorde.

Verwante onderwerpen

  • Eerst leren: Tegenwoordige tijd — legt uit waarom dezelfde persoonsvorm bij jeg, du, vi en de staat.
  • Logische vervolgstap: Verleden tijd — plaatst onregelmatige vormen naast de regelmatige verleden tijd.
  • Logische vervolgstap: Voltooide tijd — behandelt har of er met het voltooid deelwoord uitgebreider.

Vereiste kennis

Tegenwoordige tijd in het DeensA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Almindelige Uregelmæssige Verber in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen