A1

Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden in het Roemeens

Verbe Neregulate Frecvente

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Roemeens op Settemila Lingue.

Kort gezegd

De werkwoorden a face (doen, maken), a merge (gaan), a veni (komen), a ști (weten), a da (geven) en a lua (nemen) komen voortdurend voor, maar volgen in de tegenwoordige tijd niet helemaal een voorspelbaar patroon. Leer daarom niet alleen de infinitief, maar ook de zes persoonsvormen als een vast rijtje. Het onderwerp staat er vaak niet bij: Merg acasă betekent al ‘Ik ga naar huis’.

Overzicht

Deze zes werkwoorden heb je al op A1-niveau nodig. Je gebruikt ze om te vragen wat iemand doet, te vertellen waar je heen gaat, kennis uit te drukken en alledaagse handelingen zoals geven en nemen te benoemen. Bovendien komen ze voor in veel vaste combinaties: a face curat is ‘schoonmaken’, a lua autobuzul is ‘de bus nemen’ en a da un telefon is ‘even bellen’.

Een Roemeens werkwoord heeft een infinitief (de onbepaalde vorm, vergelijkbaar met Nederlands doen of gaan). Die vorm staat meestal met het losse woordje a: a face, a merge. Bij het vervoegen verdwijnt dat a: fac, mergi, venim. De uitgangen laten doorgaans al zien wie iets doet. Daarom worden onderwerpsvoornaamwoorden (woorden als ik, jij en wij) veel vaker weggelaten dan in het Nederlands.

‘Onregelmatig’ betekent hier niet dat alles willekeurig is. Sommige vormen delen herkenbare uitgangen, vooral bij noi en voi, maar de stam kan veranderen: a veni wordt vin, vii, vine, terwijl a lua begint met iau, iei, ia. Juist doordat deze werkwoorden zo vaak voorkomen, loont het om hun vormen vroeg als complete patronen te leren.

Zo werkt het

De zes personen

Roemeense persoonsvormen onderscheiden enkelvoud en meervoud. Dumneavoastră, de beleefde aanspreekvorm voor één of meer personen, krijgt dezelfde vorm als voi.

Persoon Roemeens voornaamwoord Nederlandse betekenis
1e persoon enkelvoud eu ik
2e persoon enkelvoud tu jij, je
3e persoon enkelvoud el / ea hij / zij
1e persoon meervoud noi wij, we
2e persoon meervoud voi jullie
3e persoon meervoud ei / ele zij, ze

De tegenwoordige tijd kan zowel een gewoonte als iets van dit moment uitdrukken. Fac sport kan dus ‘Ik sport’ betekenen, en Ce faci? kan afhankelijk van de situatie ‘Wat doe je?’ of ‘Wat ben je aan het doen?’ betekenen. Het Roemeens heeft hier niet standaard een aparte vorm zoals het Nederlandse aan het + infinitief nodig.

Volledige vervoeging

Persoon a face a merge a veni a ști a da a lua
eu fac merg vin știu dau iau
tu faci mergi vii știi dai iei
el / ea face merge vine știe ia
noi facem mergem venim știm dăm luăm
voi faceți mergeți veniți știți dați luați
ei / ele fac merg vin știu dau iau

Let vooral op drie dingen:

  1. Bij eu en ei/ele is de vorm telkens gelijk: fac, merg, vin, știu, dau, iau. Alleen de context of een genoemd onderwerp maakt duidelijk of het om ‘ik’ of ‘zij’ gaat.
  2. De vormen vii en știi hebben twee keer i. Schrijf je maar één i, dan is de persoonsvorm fout: tu vii, tu știi.
  3. Diakritische tekens horen bij de spelling: ș in știu, ă in dă/dăm en ț in faceți. Ze zijn geen versiering en kunnen de uitspraak of betekenis onderscheiden.

a face: doen én maken

Het Nederlands verdeelt veel situaties over doen en maken. Het Roemeens gebruikt in beide gevallen vaak a face:

  • Fac tema. — Ik maak mijn huiswerk.
  • Fac o cafea. — Ik zet een koffie.
  • Fac curat. — Ik maak schoon.
  • Fac sport. — Ik sport.

Vertaal dus niet woord voor woord vanuit één Nederlands werkwoord. Leer de hele combinatie. Ce faci? is bovendien een zeer gewone vraag. Als begroeting kan Ce mai faci? ongeveer ‘Hoe gaat het met je?’ betekenen; het vraagt dan niet letterlijk om een lijst van activiteiten.

a merge en a veni: richting vanuit het gezichtspunt

A merge betekent meestal ‘gaan’ of ‘zich verplaatsen’: Merg la serviciu (‘Ik ga naar mijn werk’). A veni betekent ‘komen’: de beweging is gericht naar de spreker, gesprekspartner of afgesproken plek: Vii la mine? (‘Kom je naar mij toe?’).

Bij een bestemming staat vaak la: merg la bancă, vin la birou. Voor ‘naar huis’ gebruik je echter gewoon acasă, zonder la: Merg acasă. Voor vervoer is cu gebruikelijk: Merg cu trenul (‘Ik ga met de trein’). Als het vervoermiddel als gekozen middel centraal staat, hoor je ook Iau trenul (‘Ik neem de trein’).

a ști: weten en weten hoe

A ști gaat over feiten, informatie of een aangeleerde vaardigheid:

  • Știu răspunsul. — Ik weet het antwoord.
  • Știi unde este gara? — Weet je waar het station is?
  • Știu să gătesc. — Ik kan koken; letterlijk: ik weet hoe ik moet koken.

Voor bekendheid met een persoon of plek gebruikt het Roemeens doorgaans a cunoaște: O cunosc pe Ana (‘Ik ken Ana’). De Nederlandse tweedeling weten tegenover kennen helpt dus, maar is niet volledig één-op-één: bij een vaardigheid gebruikt het Nederlands vaak kunnen, terwijl het Roemeens heel natuurlijk a ști să gebruikt.

a da en a lua: geven en nemen

Bij a da wordt vaak ook de ontvanger genoemd. In Îți dau cartea betekent îți ‘aan jou’. Dat is een meewerkend voorwerp: de persoon voor of aan wie iets gebeurt. Zulke korte voornaamwoorden staan meestal vóór de persoonsvorm.

A lua betekent ‘nemen’, maar de natuurlijke Nederlandse vertaling wisselt per combinatie:

  • iau autobuzul — ik neem de bus;
  • iau medicamentul — ik neem het medicijn in;
  • iau o cafea — ik neem/bestel een koffie;
  • iau cartea de pe masă — ik pak het boek van tafel.

Ontkenningen en vragen

Een ontkenning maak je eenvoudig met nu vóór het werkwoord: Nu știu (‘Ik weet het niet’), Nu merg azi (‘Ik ga vandaag niet’). Anders dan in het Nederlands verschijnt er geen apart hulpwerkwoord zoals doen.

Ook een ja-neevraag heeft geen Nederlands-achtige omschrijving of verplichte omkering nodig. Vii mâine? betekent door intonatie en het vraagteken ‘Kom je morgen?’. Met een vraagwoord blijft het patroon eveneens compact: Unde mergi? (‘Waar ga je heen?’), Ce faci? (‘Wat doe je?’).

Voorbeelden in context

Roemeens Nederlands Toelichting
Ce faci? Fac curat. Wat ben je aan het doen? Ik maak schoon. Vaste combinatie met a face
Facem o cafea pentru musafiri. We zetten koffie voor de gasten. noi is niet nodig naast facem
Ea face tema după cină. Zij maakt haar huiswerk na het eten. Het onderwerp wordt genoemd voor duidelijkheid
Unde mergi? Merg acasă. Waar ga je heen? Ik ga naar huis. acasă krijgt hier geen la
Mergeți cu trenul sau cu mașina? Gaan jullie met de trein of met de auto? Kan ook beleefd ‘Gaat u …?’ betekenen
Autobuzul merge până în centru. De bus rijdt tot in het centrum. a merge kan ook ‘rijden/functioneren’ zijn
Vin la tine după serviciu. Ik kom na het werk naar je toe. Beweging naar de gesprekspartner
Prietenii mei vin din România. Mijn vrienden komen uit Roemenië. Meervoud: ei vin
Știi unde e banca? Weet je waar de bank is? tu blijkt al uit știi
Nu știu răspunsul. Ik weet het antwoord niet. nu staat vóór het werkwoord
Știm să vorbim puțin românește. We kunnen een beetje Roemeens spreken. a ști să drukt een vaardigheid uit
Îți dau cartea mâine. Ik geef je morgen het boek. îți noemt de ontvanger
Ei dau un telefon înainte. Ze bellen vooraf even. a da un telefon is een vaste uitdrukking
Iei autobuzul în fiecare dimineață? Neem je elke ochtend de bus? Vraag zonder apart hulpwerkwoord
Luăm prânzul la ora unu. We lunchen om één uur. a lua prânzul betekent ‘lunchen’

Veelgemaakte fouten

1. Een regelmatige stam gebruiken

  • Fout: Eu ven.
  • Goed: Eu vin.
  • Waarom: De infinitief a veni geeft de vorm vin niet betrouwbaar prijs. Leer vin–vii–vine als een vast blok.

2. De tweede i vergeten

  • Fout: Tu vi mâine? / Tu ști răspunsul?
  • Goed: Tu vii mâine? / Tu știi răspunsul?
  • Waarom: De tu-vormen van a veni en a ști eindigen op -ii. Beide letters horen in de standaardspelling.

3. Nederlandse voornaamwoorden overal invullen

  • Onnatuurlijk zonder nadruk: Eu merg acasă și eu fac o cafea.
  • Natuurlijk: Merg acasă și fac o cafea.
  • Waarom: In het Nederlands moet ik meestal worden uitgesproken. In het Roemeens laat de werkwoordsvorm de persoon al zien. Gebruik eu vooral bij contrast: Eu merg, dar el rămâne (‘Ik ga, maar hij blijft’).

4. la acasă zeggen

  • Fout: Merg la acasă.
  • Goed: Merg acasă.
  • Waarom: Hoewel la bij veel bestemmingen staat, is acasă zelfstandig ‘(naar) huis’. Vergelijk wel Merg la bancă (‘Ik ga naar de bank’).

5. a ști voor een persoon gebruiken

  • Fout: Știu pe Maria.
  • Goed: O cunosc pe Maria.
  • Waarom: Voor een feit gebruik je a ști; voor vertrouwdheid met een persoon meestal a cunoaște. Nederlands maakt ongeveer hetzelfde verschil met weten en kennen.

6. Het accentteken in dă weglaten

  • Fout: El da cartea Anei.
  • Goed: El dă cartea Anei.
  • Waarom: De tegenwoordige vorm voor el/ea is . Da zonder teken betekent meestal ‘ja’; in de infinitief staat a da eveneens zonder ă.

Gebruiksnotities

Voornaamwoorden: weglaten of juist noemen

Het onderwerp weglaten is neutraal wanneer de situatie duidelijk is: Vin mâine (‘Ik kom morgen’). Noem het voornaamwoord als je personen tegenover elkaar zet, een misverstand voorkomt of nadruk legt: Eu vin mâine; ei vin vineri (‘Ik kom morgen; zij komen vrijdag’). Omdat de 1e persoon enkelvoud en de 3e persoon meervoud bij alle zes werkwoorden gelijk zijn, kan de context soms extra hulp nodig hebben.

Beleefd aanspreken

Tu gebruik je voor één persoon in informele situaties. Voi is het gewone meervoud. Dumneavoastră is beleefd en kan zowel enkelvoud als meervoud zijn; het krijgt een voi-vorm: Dumneavoastră știți? (‘Weet u het?’), Luați autobuzul? (‘Neemt u de bus?’). Alleen de persoonsvorm vertelt dus niet altijd of mergeți ‘jullie gaan’ of ‘u gaat’ betekent.

Niet elk woordenboekequivalent past overal

A merge kan behalve ‘gaan’ ook betekenen dat iets werkt: Telefonul nu merge (‘De telefoon doet het niet’). A face zit in begroetingen en talloze activiteiten. A da en a lua vormen eveneens veel vaste uitdrukkingen. Probeer daarom combinaties te onthouden in plaats van één Nederlandse vertaling aan elk werkwoord vast te plakken.

Verder dan de basis

De onderstaande vormen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen. Ze zijn wel handig om te herkennen, omdat dezelfde zes werkwoorden ook in latere grammatica zeer vaak terugkomen.

Voltooid deelwoord en verleden tijd

Het voltooid deelwoord (de vorm die in het Nederlands bijvoorbeeld in ik heb gedaan staat) wordt in de veelgebruikte samengestelde verleden tijd gecombineerd met een vorm van a avea (‘hebben’).

Infinitief Voltooid deelwoord Voorbeeld Betekenis
a face făcut Am făcut cafea. Ik heb koffie gezet.
a merge mers Am mers pe jos. Ik ben te voet gegaan.
a veni venit A venit devreme. Hij/Zij is vroeg gekomen.
a ști știut Am știut răspunsul. Ik wist het antwoord.
a da dat I-am dat cartea. Ik heb hem/haar het boek gegeven.
a lua luat Am luat trenul. Ik heb de trein genomen.

Een belangrijk verschil met het Nederlands: ook bij beweging gebruikt deze Roemeense tijd het hulpwerkwoord dat overeenkomt met ‘hebben’: am mers, am venit. Vertaal dus niet mechanisch vanuit ik ben gegaan of ik ben gekomen.

Vormen na să

Na woorden als vreau (‘ik wil’) en trebuie (‘het moet’) volgt vaak met de aanvoegende wijs (een werkwoordsvorm die onder meer na wensen, noodzaak en doelen staat). Bij de derde persoon vallen enkele opvallende vormen op:

  • Vreau să facă asta. — Ik wil dat hij/zij dit doet.
  • Trebuie să meargă acasă. — Hij/Zij moet naar huis gaan.
  • Vreau să vină mâine. — Ik wil dat hij/zij morgen komt.
  • Sper să știe răspunsul. — Ik hoop dat hij/zij het antwoord weet.
  • Poate să dea un exemplu. — Hij/Zij kan een voorbeeld geven.
  • Vreau să ia trenul. — Ik wil dat hij/zij de trein neemt.

Let vooral op facă, meargă, vină en dea. Deze vormen horen bij een later onderwerp; maak er op A1 eerst alleen kennis mee.

Korte bevelen

In aanwijzingen en gesprekken kom je ook de gebiedende wijs (de vorm voor een bevel of verzoek) tegen: Fă! (‘Doe/maak!’), Mergi! (‘Ga!’), Vino! (‘Kom!’), Dă-mi! (‘Geef me!’) en Ia! (‘Neem!’). De beleefde of meervoudige vormen zijn faceți, mergeți, veniți, dați, luați. Vooral en vino moet je apart leren, omdat ze niet simpelweg gelijk zijn aan de gewone tu-vorm.

Oefentips

  1. Leer in drie korte blokken. Zeg eerst de drie enkelvoudsvormen hardop, bijvoorbeeld vin–vii–vine, en daarna venim–veniți–vin. Doe hetzelfde met elk werkwoord. Zo onthoud je zowel de stamwisseling als het ritme.
  2. Maak één persoonlijk voorbeeld per werkwoord. Schrijf bijvoorbeeld waar je vandaag heen gaat, wie er op bezoek komt, wat je weet, wat je geeft en welk vervoer je neemt. Een echte context blijft beter hangen dan een losse woordenlijst.
  3. Oefen paren zonder voornaamwoord. Wissel vraag en antwoord af: Unde mergi? — Merg la piață.; Ce faci? — Fac cina.; Știi adresa? — Nu știu. Controleer daarna bewust de dubbele i, de tekens ș/ț/ă en de plaats van nu.

Verwante onderwerpen

  • Eerst leren: Werkwoordvervoegingsgroepen — geeft de basis voor personen, infinitieven en de vier grote vervoegingsgroepen waarop deze onregelmatige vormen voortbouwen.

Vereiste kennis

Werkwoordgroepen in het RoemeensA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verbe Neregulate Frecvente in Roemeens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Roemeens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen