A1

Het Werkwoord Kunnen in het Nederlands

Het Werkwoord Kunnen

Overzicht

Kunnen is het Nederlandse modale werkwoord voor "kunnen" (can/to be able to). Je gebruikt het om aan te geven dat iemand in staat is iets te doen, of om een mogelijkheid of toestemming uit te drukken. Het is een van de vijf basismodale werkwoorden in het Nederlands.

Net als alle modale werkwoorden wordt kunnen gevolgd door een infinitief aan het einde van de zin. In de tegenwoordige tijd heeft het een onregelmatige vervoeging.

Hoe het werkt

Vervoeging tegenwoordige tijd

Persoon Vorm Voorbeeld
ik kan Ik kan zwemmen.
jij / je kunt / kan Jij kunt Nederlands.
u kunt U kunt hier parkeren.
hij / zij / het kan Hij kan niet komen.
wij / we kunnen Wij kunnen helpen.
jullie kunnen Jullie kunnen gaan.
zij / ze kunnen Ze kunnen goed koken.

Kan en kunt zijn beide correct voor de 2e persoon enkelvoud; kan is informeler.

Betekenissen van kunnen

Betekenis Voorbeeld Vertaling
Vaardigheid Ik kan pianospelen. I can play piano.
Mogelijkheid Het kan regenen. It might rain.
Toestemming Je kunt gaan. You may go.
Aanbod Ik kan je helpen. I can help you.

Woordvolgorde

In een hoofdzin staat de infinitief aan het einde:

  • Ik kan goed zwemmen.
  • Hij kan morgen komen.

Voorbeelden in context

Nederlands Vertaling Opmerking
Ik kan goed autorijden. I can drive well. Vaardigheid
Jij kunt heel goed zingen. You can sing very well. Vaardigheid
Hij kan niet komen vanavond. He can't come tonight. Onmogelijkheid
Kun jij me helpen? Can you help me? Verzoek — inversie
We kunnen morgen afspreken. We can meet up tomorrow. Mogelijkheid
Het kan zijn dat het regent. It might be that it rains. Speculatie
Je kunt hier gratis parkeren. You can park here for free. Toestemming
Ze kunnen heel goed samenwerken. They can work together very well. Meervoud

Veelgemaakte fouten

Fout Correct Waarom
Ik kan zwemmen niet. Ik kan niet zwemmen. Niet staat vóór de infinitief.
Kan jij? (in neutrale vraag) Kun jij? Kun is de standaardvorm bij inversie.
Hij kunnen. Hij kan. 3e persoon enkelvoud = kan.
Ik kan het doen kan. Ik kan het doen. De infinitief staat één keer, aan het einde.

Oefentips

  1. Vaardigheidszinnen. Schrijf vijf dingen die je kunt en vijf die je niet kunt: Ik kan [sport]. Ik kan niet [instrument].
  2. Verzoeken oefenen. Oefen beleefd vragen: Kun jij...? Kunnen jullie...?
  3. Mogelijkheid vs. vaardigheid. Let op het verschil: Ik kan zwemmen (vaardigheid) vs. Het kan morgen regenen (mogelijkheid).

Verwante concepten

Vereiste kennis

Regelmatige Werkwoorden (Tegenwoordige Tijd) in het NederlandsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Wil je Het Werkwoord Kunnen in het Nederlands en meer Nederlands-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen