Het werkwoord kunnen in het Nederlands
Het Werkwoord Kunnen
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Kunnen is een modaal werkwoord: het verandert de betekenis van een ander werkwoord en drukt meestal vermogen, mogelijkheid of toestemming uit. In de tegenwoordige tijd gebruik je ik kan, jij kunt/kan, hij kan en wij/jullie/zij kunnen. Het andere werkwoord staat als infinitief (de hele vorm, zoals zwemmen of komen) meestal achteraan: Wij kunnen morgen komen.
Overzicht
Met kunnen zeg je dat iemand de vaardigheid of de gelegenheid heeft om iets te doen: Ik kan zwemmen of We kunnen vanavond afspreken. Je gebruikt het ook om toestemming te vragen of te geven: Kan ik hier zitten? Daarnaast kan kunnen aangeven dat iets mogelijk is: Het kan morgen regenen.
Dit werkwoord hoort bij de eerste basisgrammatica op A1-niveau. Het is een modaal werkwoord (een werkwoord dat aangeeft hoe mogelijk, nodig of gewenst een handeling is). Andere modale werkwoorden zijn bijvoorbeeld mogen, moeten en willen. Kunnen is onregelmatig: de enkelvoudsvormen volgen niet gewoon het patroon van een regelmatig werkwoord.
Voor een beginner zijn twee regels het belangrijkst: leer de vormen kan, kunt en kunnen, en zet het werkwoord dat de handeling noemt zonder te achteraan. Met die twee regels kun je al veel alledaagse zinnen en vragen maken. De preciezere verschillen tussen kan, mag en beleefde vormen komen later in dit artikel.
Hoe het werkt
De tegenwoordige tijd
| Persoon | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | kan | Ik kan blijven. |
| jij/je | kunt of kan | Jij kunt blijven. / Jij kan blijven. |
| u | kunt of kan | U kunt blijven. / U kan blijven. |
| hij/zij/ze/het | kan | Zij kan blijven. |
| wij/we | kunnen | Wij kunnen blijven. |
| jullie | kunnen | Jullie kunnen blijven. |
| zij/ze | kunnen | Zij kunnen blijven. |
Zowel jij kunt als jij kan is correct. Jij kunt is een veilige, neutrale keuze in verzorgde taal; jij kan komt ook veel voor. Bij u zijn eveneens u kunt en u kan correct, maar u kunt klinkt voor veel sprekers formeler of traditioneler.
Bij een vraag komt de persoonsvorm vóór het onderwerp (wie of wat iets doet):
- Kun jij me helpen?
- Kan jij me helpen?
- Kunt u dit herhalen?
- Kan u dit herhalen?
Deze varianten zijn correct. Voor een eenvoudig leerpatroon kun je jij kunt → kun jij? en u kunt → kunt u? onthouden.
De basiswoordvolgorde
In een gewone hoofdzin staat de vervoegde vorm van kunnen op de tweede zinsplaats. Het andere werkwoord staat als infinitief aan het einde.
Onderwerp + kan/kunt/kunnen + overige informatie + infinitief
- Ik kan goed zwemmen.
- Zij kan vanavond niet komen.
- We kunnen de trein van acht uur nemen.
De infinitief krijgt na kunnen geen te. Zeg dus Ik kan rijden, niet Ik kan te rijden. Een scheidbaar werkwoord blijft in de infinitief bij elkaar: Ik kan je vanavond opbellen, niet Ik kan je vanavond bel op.
Als een ander zinsdeel vooraan staat, blijft de persoonsvorm op de tweede plaats en volgt het onderwerp direct daarna:
- Morgen kan ik niet komen.
- Met deze kaart kunnen we gratis reizen.
- Misschien kan zij het probleem oplossen.
In een ja-neevraag staat kunnen helemaal vooraan:
- Kan hij goed koken?
- Kunnen jullie morgen komen?
Bij een vraagwoord staat het vraagwoord eerst en daarna de persoonsvorm:
- Wanneer kunnen jullie komen?
- Hoe kan ik hier betalen?
- Waar kan zij haar fiets neerzetten?
Drie belangrijke betekenissen
1. Vermogen of vaardigheid
Hier betekent kunnen dat iemand iets heeft geleerd of lichamelijk of praktisch in staat is om iets te doen.
- Mijn dochter kan al lezen.
- Ik kan niet autorijden.
- Kun jij deze doos tillen?
2. Gelegenheid of mogelijkheid
Hier gaat het niet om een aangeleerde vaardigheid, maar om omstandigheden die iets wel of niet mogelijk maken.
- We kunnen na het werk afspreken.
- De deur kan niet open; er staat een kast voor.
- Je kunt hier met de bus komen.
Ook een gebeurtenis kan mogelijk zijn zonder dat een persoon iets doet: Het kan vannacht vriezen.
3. Toestemming
In alledaagse gesprekken wordt kunnen vaak gebruikt om toestemming te vragen:
- Kan ik hier zitten?
- Kunnen we iets later vertrekken?
Letterlijk vraagt zo'n zin naar de mogelijkheid, maar in de situatie begrijpt iedereen hem als een verzoek om toestemming. Mogen is preciezer wanneer toestemming centraal staat: Mag ik hier zitten? Bij regels en verboden is dat verschil extra nuttig: Je mag hier niet parkeren betekent dat parkeren verboden is; Je kunt hier niet parkeren kan ook betekenen dat er geen plaats is.
Ontkenning met niet en geen
Gebruik niet om de mogelijkheid, vaardigheid of handeling te ontkennen:
- Ik kan niet zwemmen.
- Wij kunnen vandaag niet komen.
- Hij kan de sleutel niet vinden.
Gebruik geen vóór een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) dat zonder bepaald lidwoord staat:
- Zij kan geen zware dozen tillen.
- Ik kan geen antwoord geven.
De plaats van niet kan de nadruk veranderen. Ik kan morgen niet komen zegt dat komen morgen onmogelijk is. Ik kan niet mórgen komen, maar wel vrijdag contrasteert morgen met een andere dag.
Als kunnen zonder tweede werkwoord staat
Soms wordt de handeling niet herhaald omdat die al duidelijk is:
- Kun je schaatsen? — Ja, dat kan ik.
- Kom je vanavond? — Nee, ik kan niet.
- Wie kan deze computer repareren? — Sam kan dat.
In Dat kan betekent kan vaak eenvoudig ‘dat is mogelijk’ of ‘dat is toegestaan’. De precieze betekenis komt uit de situatie.
Voorbeelden in context
| Nederlands voorbeeld | Betekenis in gewone woorden | Opmerking |
|---|---|---|
| Ik kan zwemmen. | Ik heb geleerd om te zwemmen. | vaardigheid |
| Kun jij me helpen? | Ben je in staat en bereid mij te helpen? | gewone vraag |
| Zij kan goed koken. | Zij heeft veel kookvaardigheid. | goed staat vóór de infinitief |
| Wij kunnen morgen komen. | Morgen is voor ons mogelijk. | gelegenheid |
| Mijn oma kan zonder bril de krant niet lezen. | Lezen lukt haar alleen met een bril. | lichamelijk vermogen |
| Kan ik hier met een kaart betalen? | Is betalen met een kaart hier mogelijk? | praktische mogelijkheid |
| U kunt uw jas daar ophangen. | Daar is een plek voor uw jas. | beleefde aanwijzing |
| Kunnen jullie om halfnegen beginnen? | Past halfnegen voor jullie? | afspraak maken |
| Je kan deze soep ook invriezen. | Invriezen is een mogelijke keuze. | je kan is correct |
| Het kan vanmiddag hard gaan waaien. | Harde wind is vanmiddag mogelijk. | mogelijkheid zonder persoon als onderwerp |
| We kunnen de buren even opbellen. | Het is mogelijk de buren kort te bellen. | scheidbaar werkwoord blijft bijeen |
| Waarom kan Noor vandaag niet meedoen? | Wat maakt deelname vandaag onmogelijk? | vraag met waarom |
| Met dit wachtwoord kun je inloggen. | Dit wachtwoord maakt inloggen mogelijk. | omkering na een vooraan geplaatst zinsdeel |
| Kan ik het raam opendoen? | Vraag om toestemming het raam te openen. | in een formele regel kan mag preciezer zijn |
| Nee, vrijdag kan ik niet, maar zaterdag wel. | Vrijdag ben ik niet beschikbaar. | het tweede werkwoord is uit de context bekend |
Veelgemaakte fouten
Een gewone uitgang aan kan toevoegen
- Niet: Ik kant morgen komen.
- Wel: Ik kan morgen komen.
- Waarom: Kunnen is onregelmatig. Bij ik is de vorm altijd kan, zonder -t.
De meervoudsvorm verkorten
- Niet: Wij kan samen reizen.
- Wel: Wij kunnen samen reizen.
- Waarom: Bij wij/we, jullie en zij/ze gebruik je de volledige vorm kunnen.
Te vóór de infinitief zetten
- Niet: Zij kan goed te koken.
- Wel: Zij kan goed koken.
- Waarom: Na het modale werkwoord kunnen staat de infinitief zonder te.
De infinitief op de verkeerde plaats zetten
- Niet: Ik kan spreken een beetje Nederlands.
- Wel: Ik kan een beetje Nederlands spreken.
- Waarom: In een gewone hoofdzin staat de infinitief meestal achteraan. De informatie over hoeveelheid of manier komt ervoor.
Een scheidbaar werkwoord uit elkaar halen
- Niet: We kunnen morgen bellen op.
- Wel: We kunnen morgen opbellen.
- Waarom: Zonder modaal werkwoord zeg je We bellen morgen op, maar na kunnen gebruik je de hele infinitief opbellen aan het einde.
Kunnen en mogen altijd als hetzelfde behandelen
- Onduidelijk: Je kunt hier niet naar binnen.
- Duidelijk bij een verbod: Je mag hier niet naar binnen.
- Waarom: De eerste zin kan betekenen dat naar binnen gaan praktisch onmogelijk is. Mogen zegt ondubbelzinnig dat er geen toestemming is.
Gebruiksnotities
Kan, kunt, kun jij en kan jij
De variatie is groter dan één eenvoudig schoolrijtje doet vermoeden. Jij kunt en jij kan behoren allebei tot de standaardtaal. Ook kun jij? en kan jij? zijn mogelijk. Hetzelfde geldt in grote lijnen voor u kunt/u kan en kunt u?/kan u?. In formele brieven en zakelijke gesprekken is u kunt vaak een passende keuze.
In delen van België en in regionale spreektaal hoor je ook gij/ge kunt. Die vorm is nuttig om te herkennen, maar een beginnende leerder kan in algemene standaardtaal gewoon jij/je en u gebruiken.
Een verzoek klinkt vaak zachter dan een vraag naar vermogen
Kun je de deur sluiten? is grammaticaal een vraag naar wat iemand kan, maar functioneert meestal als een verzoek. De intonatie en de situatie maken dat duidelijk. Voor een beleefder verzoek kun je zeggen:
- Kun je de deur even sluiten?
- Zou je de deur kunnen sluiten?
- Zou u mij misschien kunnen helpen?
Woorden als even en misschien maken een verzoek minder direct. De vorm met zou is nog voorzichtiger en hoort bij een later leerstadium.
Niet kunnen kan verschillende oorzaken hebben
Ik kan vanavond niet komen vertelt niet waarom. Misschien moet de spreker werken, is er geen vervoer of voelt die persoon zich ziek. Als de oorzaak belangrijk is, voeg je die toe: Ik kan vanavond niet komen, omdat ik moet werken. Gebruik mag niet als iemand anders of een regel de handeling verbiedt.
Verder dan de basis
De volgende patronen hoef je op A1-niveau nog niet actief te beheersen. Ze zijn wel belangrijk om kunnen in langere teksten en natuurlijke gesprekken te herkennen.
Kunnen in een bijzin
Een bijzin (een zinsdeel dat niet zelfstandig de hoofdboodschap vormt) begint vaak met omdat, dat, als of hoewel. De werkwoorden komen dan aan het einde:
- Ik blijf thuis, omdat ik niet kan lopen.
- Ze zegt dat ze morgen kan komen.
- Als jullie kunnen blijven, eten we samen.
Je kunt soms ook een volgorde als omdat ik niet lopen kan tegenkomen. Die is grammaticaal mogelijk, maar kan afhankelijk van de zin en de stijl nadrukkelijker, formeler of minder alledaags klinken. Voor dagelijks gebruik is omdat ik niet kan lopen een goed uitgangspunt.
Verleden tijd en voltooide tijd
De verleden tijd is kon in het enkelvoud en konden in het meervoud:
- Toen ik zes was, kon ik al lezen.
- We konden gisteren niet komen.
In de voltooide tijd verschijnt bij een tweede infinitief meestal kunnen in plaats van het voltooid deelwoord gekund:
- Ik heb haar kunnen helpen.
- We hebben niet kunnen slapen.
Dit heet een vervangende infinitief: de infinitief kunnen neemt de plaats in waar je misschien gekund verwacht. Staat kunnen zelfstandig, dan is gekund wel normaal: Ik heb alles gedaan wat ik heb gekund. Dit patroon wordt uitgebreider behandeld bij modale werkwoorden in de verleden tijd.
Mogelijkheid als inschatting
Op een hoger niveau kan kunnen een inschatting uitdrukken, niet alleen een praktische mogelijkheid:
- Hij kan al thuis zijn.
- Dat kan waar zijn.
- Zo'n reparatie kan duur worden.
De spreker zegt dan dat iets mogelijk is, zonder te beweren dat het zeker zo is. Met zou kunnen wordt de inschatting vaak nog voorzichtiger: Het zou een technisch probleem kunnen zijn.
Meerdere infinitieven
Na kunnen kunnen meer werkwoorden volgen:
- We kunnen morgen gaan zwemmen.
- Zij kan haar broer leren autorijden.
- Je zou hem kunnen laten wachten.
De werkwoorden vormen samen een werkwoordgroep aan het einde. Zulke groepen vragen meer gevoel voor woordvolgorde; begin daarom met korte zinnen met één infinitief en breid die later uit.
Oefentips
- Maak een rijtje met drie betekenissen. Kies één persoon en schrijf een zin over vaardigheid, een over gelegenheid en een over toestemming: Sara kan goed tekenen, Sara kan vrijdag komen, Kan Sara hier parkeren?
- Verplaats één zinsdeel. Begin met Wij kunnen morgen thuis werken en maak daarna Morgen kunnen wij thuis werken en Thuis kunnen wij morgen werken. Zo oefen je tegelijk de tweede plaats van kunnen en de infinitief achteraan.
- Luister naar echte vragen. Let in gesprekken op kun je, kan je, kunt u en zou u kunnen. Noteer niet alleen de vorm, maar ook of de spreker naar vermogen, mogelijkheid of toestemming vraagt.
Verwante onderwerpen
- Eerst: Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd — helpt je de gewone persoonsvormen en woordvolgorde te herkennen, zodat de onregelmatige vormen van kunnen duidelijker worden.
- Hierna: Modale werkwoorden in de verleden tijd — behandelt onder meer kon, konden en voltooide werkwoordgroepen.
- Voor gevorderden: Modale nuances — verdiept verschillen in zekerheid, beleefdheid, toestemming en stijl.