A1

Het Werkwoord Hebben in het Nederlands

Het Werkwoord Hebben

Overzicht

Hebben is samen met zijn het meest gebruikte werkwoord in het Nederlands. Je gebruikt het voor bezit, gevoelens en lichamelijke toestanden, maar ook als hulpwerkwoord bij de voltooid tegenwoordige tijd. Het is onregelmatig, maar de vormen zijn snel te leren.

Net als bij zijn geldt de inversieregel: wanneer jij of je na het werkwoord staat, verdwijnt de -t van hebt.

Hoe het werkt

Vervoeging tegenwoordige tijd

Persoon Vorm Voorbeeld
ik heb Ik heb een vraag.
jij / je hebt Jij hebt geluk.
u heeft U heeft een afspraak.
hij / zij / het heeft Hij heeft honger.
wij / we hebben Wij hebben tijd.
jullie hebben Jullie hebben gelijk.
zij / ze hebben Ze hebben kinderen.

Inversieregel

  • Jij hebt een fiets. → Heb jij een fiets?
  • Je hebt het. → Heb je het?

Gebruiken van hebben

Gebruik Voorbeeld Vertaling
Bezit Ik heb een auto. I have a car.
Lichamelijke toestand Hij heeft pijn. He has pain / He is in pain.
Emotie Ze heeft angst. She is afraid.
Hulpwerkwoord Ik heb gegeten. I have eaten.
Vaste uitdrukkingen We hebben haast. We are in a hurry.

Voorbeelden in context

Nederlands Vertaling Opmerking
Ik heb een fiets en een scooter. I have a bicycle and a scooter. Bezit
Jij hebt altijd geluk. You are always lucky. 2e persoon informeel
U heeft een bericht ontvangen. You have received a message. Formeel
Hij heeft hoofdpijn. He has a headache. Lichamelijke toestand
Zij heeft een jongere zus. She has a younger sister. Familie
Wij hebben geen tijd vandaag. We don't have time today. Ontkenning
Jullie hebben gelijk. You are right. Vaste uitdrukking
Ze hebben al gegeten. They have already eaten. Hulpwerkwoord (vtt)
Heb jij een pen voor me? Do you have a pen for me? Inversievraag — geen -t

Veelgemaakte fouten

Fout Correct Waarom
Hebt jij een auto? Heb jij een auto? Inversie met jij/je → -t verdwijnt.
Ik hebt honger. Ik heb honger. 1e persoon enkelvoud = heb.
Hij hebben een huis. Hij heeft een huis. 3e persoon enkelvoud = heeft.
Ik heb zijn. Ik ben. Toestand/identiteit → zijn, bezit/gevoel → hebben.

Oefentips

  1. Bezitszinnen. Schrijf vijf dingen die je hebt en vijf die je niet hebt: Ik heb een fiets. Ik heb geen auto.
  2. Hebben vs. zijn. Oefen het verschil: gevoel/bezit = hebben; toestand/identiteit = zijn. Maak minimale paren.
  3. Hulpwerkwoord-oefening. Neem vijf werkwoorden en maak een voltooid tegenwoordige tijd: Ik heb gewerkt, gegeten, gelezen...

Verwante concepten

Vereiste kennis

Persoonlijke Voornaamwoorden (Onderwerp) in het NederlandsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Wil je Het Werkwoord Hebben in het Nederlands en meer Nederlands-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen