A1

Aanwijzende woorden in het Baskisch

Erakusleak

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Baskisch op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Het Baskisch onderscheidt drie afstanden: hau / hauek voor iets bij de spreker, hori / horiek voor iets bij de aangesprokene en hura / haiek voor iets verder van beiden. Als ze bij een zelfstandig naamwoord staan, komen ze erachter: liburu hau ‘dit boek’, liburu horiek ‘die boeken’.

Overzicht

Aanwijzende woorden, in het Baskisch erakusleak, wijzen een persoon, ding of plaats aan. Het Nederlands heeft in de praktijk vooral een tegenstelling tussen dichtbij (dit/deze) en verder weg (dat/die). Het Baskisch verdeelt de ruimte in drie zones. Daardoor kan een spreker niet alleen aangeven dat iets niet bij hemzelf is, maar ook dat het juist bij de luisteraar staat.

Dit systeem leer je al op A1-niveau, omdat de vormen vaak voorkomen in vragen, aankopen en alledaagse gesprekken: Hau zer da? ‘Wat is dit?’, Zenbat da liburu hori? ‘Hoeveel kost dat boek?’ Dezelfde woorden kunnen zelfstandig als voornaamwoord worden gebruikt — dus zonder genoemd zelfstandig naamwoord — of achter een zelfstandig naamwoord als aanwijzende bepaler.

Voor Nederlandstaligen zijn er twee belangrijke nieuwe gewoonten. Ten eerste kies je niet op basis van het Nederlandse woordgeslacht: hau betekent zowel ‘dit’ als ‘deze’, zolang het enkelvoud is en dichtbij staat. Ten tweede komt het aanwijzende woord na de hele naamwoordgroep, niet ervoor.

Hoe het werkt

De zes basisvormen

Afstand Enkelvoud Meervoud Gebruikelijke Nederlandse weergave
bij de spreker hau hauek dit/deze, deze hier
bij de luisteraar hori horiek dat/die, die bij jou
ver van beiden hura haiek dat/die daar(ginds)

De Nederlandse vertaling is slechts een hulpmiddel. Nederlands die kan zowel hori als hura zijn. Kijk in het Baskisch naar de situatie:

  • Je houdt een sleutel vast: giltza hau — deze sleutel hier.
  • De sleutel ligt naast je gesprekspartner: giltza hori — die sleutel bij jou.
  • De sleutel ligt aan de overkant van de kamer: giltza hura — die sleutel daar.

Bij abstracte zaken is de afstand niet altijd letterlijk meetbaar. Iets wat zojuist door de ander is gezegd, kan met hori worden aangewezen: Hori egia da ‘Dat is waar.’

Achter het zelfstandig naamwoord

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, dier, ding of begrip, zoals lagun ‘vriend’ of etxe ‘huis’. Het basisschema is:

zelfstandig naamwoord + eventueel bijvoeglijk naamwoord + aanwijzend woord

Opbouw Baskisch Nederlands
naamwoord + aanwijzend woord liburu hau dit boek
naamwoord + aanwijzend woord etxe horiek die huizen bij jou
naamwoord + bijvoeglijk naamwoord + aanwijzend woord mendi altu hura die hoge berg daar
naamwoord + bijvoeglijk naamwoord + aanwijzend woord sagar gorri hauek deze rode appels

Dit verschilt sterk van het Nederlands, waar dit, deze, dat en die vóór het naamwoord staan. Vertaal daarom niet woord voor woord van links naar rechts. Bouw eerst liburu interesgarri ‘interessant boek’ en zet daarna hau: liburu interesgarri hau.

Geen extra lidwoord aan het naamwoord

Het Baskische bepaalde lidwoord verschijnt als het achtervoegsel -a in het enkelvoud en -ak in het meervoud. Een aanwijzend woord neemt echter zelf de plaats van de bepaler in. Daarom zeg je:

  • liburu hau — dit boek, niet liburua hau
  • liburu hauek — deze boeken, niet liburuak hauek
  • etxe handi hori — dat grote huis, niet etxe handia hori

De meervoudsinformatie staat in hauek, horiek, haiek. Het voorafgaande naamwoord blijft dus in zijn kale vorm: liburu hauek. In een naamwoordgroep met een bijvoeglijk naamwoord blijft ook dat bijvoeglijk naamwoord kaal: liburu interesgarri hauek.

Let op het verschil met een zin waarin het bijvoeglijk naamwoord iets over het onderwerp zegt. In Liburu hauek interesgarriak dira ‘Deze boeken zijn interessant’ is interesgarriak het naamwoordelijk deel van het gezegde en krijgt het wel de meervoudsvorm. Dat is een andere functie dan in liburu interesgarri hauek ‘deze interessante boeken’.

Zelfstandig gebruikt: ‘dit’, ‘dat’ en ‘diegenen’

Dezelfde vormen kunnen zonder naamwoord staan. Ze functioneren dan als voornaamwoord, een woord dat naar een persoon of zaak verwijst zonder die opnieuw te noemen:

  • Hau nire liburua da. — Dit is mijn boek.
  • Hori zer da? — Wat is dat?
  • Hura gure irakaslea da. — Dat is onze docent daar.
  • Haiek nire lagunak dira. — Die daar zijn mijn vrienden.

Bij een meervoudig onderwerp gebruik je normaal een meervoudige persoonsvorm: hauek dira ‘dit/deze zijn’, tegenover hau da ‘dit is’.

Afstand en het perspectief van het gesprek

De middelste reeks is meer dan een vaag ‘niet hier’. Hori en horiek richten de aandacht op de ruimte of gedachtewereld van de aangesprokene. Daardoor klinkt Zer da hori? heel natuurlijk wanneer iemand iets in zijn hand heeft. Hura en haiek plaatsen de referent buiten de directe ruimte van zowel spreker als luisteraar.

De grenzen zijn niet wiskundig. Zichtbaarheid, aandacht en het gespreksonderwerp spelen mee. Een voorwerp op tafel kan hau zijn wanneer de spreker het naar zich toe trekt, maar hori wanneer het voor de ander ligt. Leer de vormen daarom als drie perspectieven, niet als drie vaste aantallen meters.

Voorbeelden in context

Baskisch Nederlands Toelichting
Hau nire liburua da. Dit is mijn boek. Zelfstandig hau, dicht bij de spreker.
Hori zer da? Wat is dat? Hori wijst naar iets bij de luisteraar.
Hura gure hotela da. Dat daar is ons hotel. Ver van beide gesprekspartners.
Haiek nire lagunak dira. Die daar zijn mijn vrienden. Zelfstandig meervoud op afstand.
Liburu hauek interesgarriak dira. Deze boeken zijn interessant. Hauek staat achter het naamwoord.
Kafe hori hotza dago. Die koffie is koud. De koffie staat bij de aangesprokene.
Etxe hura oso zaharra da. Dat huis daar is erg oud. Hura sluit de naamwoordgroep af.
Nor da gizon hori? Wie is die man? Vraag naar iemand bij de luisteraar.
Sagar gorri hauek nahi ditut. Ik wil deze rode appels. Het aanwijzende woord komt na het bijvoeglijk naamwoord.
Zenbat balio du poltsa horrek? Hoeveel kost die tas? Hori wordt horrek door zijn functie in de zin.
Hori egia da. Dat is waar. Verwijst naar wat de ander zegt.
Ez dut hori ulertzen. Dat begrijp ik niet. Zelfstandig gebruikt als lijdend voorwerp.
Hemen bizi naiz, etxe honetan. Ik woon hier, in dit huis. De plaatsuitgang levert honetan op.
Eman liburua haiei, mesedez. Geef het boek aan die mensen daar, alsjeblieft. Haiek krijgt als ontvanger de vorm haiei.

Veelgemaakte fouten

Het aanwijzende woord vóór het naamwoord zetten

  • Onjuist: hau liburu
  • Juist: liburu hau
  • Waarom: Anders dan Nederlands zet het Baskisch het aanwijzende woord achter de hele naamwoordgroep.

Een lidwoorduitgang én een aanwijzend woord gebruiken

  • Onjuist: etxea hori
  • Juist: etxe hori
  • Waarom: Hori bepaalt het naamwoord al. De bepaalde uitgang -a wordt daarom niet ook nog aan etxe toegevoegd.

Het Nederlandse woordgeslacht volgen

  • Onjuist idee: hau alleen voor Nederlands ‘dit’ en een andere Baskische vorm voor ‘deze’.
  • Juist: liburu hau ‘dit boek’, maar ook neska hau ‘deze vrouw/dit meisje’.
  • Waarom: De keuze tussen hau, hori, hura gaat over afstand, niet over de- of het-woorden.

Hori en hura als vrije varianten behandelen

  • Minder passend: Hura zer da? terwijl het voorwerp in de hand van je gesprekspartner ligt.
  • Natuurlijk: Hori zer da?
  • Waarom: Hori hoort bij de zone van de aangesprokene; hura verwijst normaal verder van jullie beiden.

Enkelvoud en meervoud mengen

  • Onjuist: liburu hauek interesgarria da
  • Juist: Liburu hauek interesgarriak dira.
  • Waarom: Hauek is meervoud. Ook het gezegde en het werkwoord moeten hier bij dat meervoud passen.

Altijd de basisvorm behouden

  • Onjuist: Hori etorri da wanneer ‘die persoon’ de handelende persoon van een overgankelijk werkwoord moet zijn.
  • Juist, bijvoorbeeld: Horrek liburua ekarri du. — Die persoon heeft het boek gebracht.
  • Waarom: Baskische naamwoordgroepen veranderen van vorm volgens hun functie in de zin. De basisvorm hori past niet overal.

Gebruiksnotities

In gesproken Nederlands ondersteunen we dit/daar vaak met een gebaar of met woorden als ‘hier’ en ‘daar’. In het Baskisch draagt de keuze tussen hau, hori en hura al meer ruimtelijke informatie. Een gebaar blijft natuurlijk mogelijk en kan de bedoelde referent verduidelijken.

De vormen worden ook gebruikt voor mensen. Afhankelijk van toon en situatie kan enkel aanwijzen naar een persoon wat bot klinken, net als Nederlands ‘die daar’. Een naam, relatie of beleefde omschrijving is dan vaak vriendelijker. Grammaticaal zijn zinnen als Nor da emakume hura? ‘Wie is die vrouw daar?’ wel gewoon correct.

Hori heeft daarnaast een belangrijke gespreksfunctie. Het kan terugwijzen naar een opmerking, plan of idee van de ander: Hori ona da ‘Dat is goed’ of Hori ez da egia ‘Dat is niet waar’. Hier is ‘afstand’ figuurlijk: de gedachte komt uit de bijdrage van de aangesprokene.

Verder dan de basis

De volgende details hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze al snel tegenkomen. Het Baskisch gebruikt naamvallen: uitgangen en vormveranderingen die aangeven welke rol een naamwoordgroep heeft, bijvoorbeeld handelende persoon, ontvanger of plaats. Ook aanwijzende woorden worden verbogen.

De stam verandert daarbij vaak. De vormen zijn dus niet simpelweg hau plus een uitgang.

Functie dichtbij bij de luisteraar ver weg Voorbeeldbetekenis
basis, enkelvoud hau hori hura dit/dat
handelende persoon bij een overgankelijk werkwoord honek horrek hark deze/die doet iets
ontvanger of belanghebbende honi horri hari aan deze/die
plaats ‘in/op/bij’ honetan horretan hartan in/op deze/die
bezit of relatie ‘van’ honen horren haren van deze/die

Een overgankelijk werkwoord is een werkwoord dat hier een lijdend voorwerp heeft — iemand of iets waarop de handeling gericht is. Daarom staat in Horrek atea ireki du ‘Die persoon heeft de deur geopend’ de vorm horrek: die persoon voert de handeling uit en atea ‘de deur’ ondergaat haar.

Ook het meervoud krijgt verdere vormen, bijvoorbeeld hauei ‘aan deze’, horiei ‘aan die bij jou’ en haiei ‘aan die daar’. Bezitsvormen zijn onder meer hauen ‘van deze’, horien ‘van die’ en haien ‘van die daar’. Zulke vormen verklaren waarom je in echte teksten niet altijd precies de zes basisvormen terugziet.

De drie reeksen hangen bovendien samen met veel plaatswoorden: hemen ‘hier’, hor ‘daar bij jou’ en han ‘daar(ginds)’. Dat parallelle drietal helpt om het ruimtelijke perspectief als één systeem te leren.

Oefentips

  1. Maak drie zones. Leg één voorwerp bij jezelf, één bij een oefenpartner en één verder weg. Benoem ze eerst enkelvoudig met hau, hori, hura en daarna meervoudig met hauek, horiek, haiek.
  2. Oefen van rechts naar links. Neem etxe handi hau. Begin met hau, zet daarvoor handi en daarvoor etxe. Zo doorbreek je de Nederlandse gewoonte om ‘dit/deze’ vooraan te zetten.
  3. Stel korte vragen. Wissel Zer da hau?, Zer da hori? en Zer da hura? af. Antwoord met een volledige naamwoordgroep, bijvoorbeeld Telefono hau berria da ‘Deze telefoon is nieuw’.

Verwante onderwerpen

  • Eerst leren: Lidwoorden en bepalers — legt uit waarom -a/-ak wegblijft wanneer een aanwijzend woord de naamwoordgroep bepaalt.

Vereiste kennis

Lidwoorden en bepalers in het BaskischA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Erakusleak in Baskisch met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Baskisch · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen