A1

Het werkwoord willen in het Nederlands

Het Werkwoord Willen

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.

In het kort

Met willen druk je een wens, voorkeur of plan uit: Ik wil koffie en Wij willen vertrekken. De belangrijkste vormen zijn ik wil, jij wilt of jij wil, hij/zij/het wil en wij/jullie/zij willen. Staat er nog een werkwoord bij, dan komt dat in de infinitief: Zij wil arts worden.

Overzicht

Willen is een modaal werkwoord: een werkwoord dat aangeeft hoe iemand tegenover een handeling staat. In Ik wil slapen noemt slapen de handeling en maakt wil duidelijk dat die handeling gewenst is. De vorm slapen is de infinitief (de onverbogen vorm die meestal op -en eindigt).

Op A1-niveau heb je willen voortdurend nodig. Je zegt ermee wat je wilt eten of kopen, welke plannen je hebt en of je ergens aan mee wilt doen. Het werkwoord kan rechtstreeks voor een zelfstandig naamwoord staan, zoals in Ik wil thee. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, dier, ding of begrip. Willen kan ook samen met een ander werkwoord voorkomen: Ik wil thee drinken.

De basis is snel te leren, maar willen is onregelmatig: je zegt niet ik wil volgens het gewone patroon van werken of wonen. Bovendien maakt de keuze tussen wil, wilt en willen verschil. Ook de plaats van de infinitief en de toon van een verzoek verdienen aandacht.

Zo werkt het

De tegenwoordige tijd

Persoon Vorm Voorbeeld
ik wil Ik wil naar huis.
jij/je wilt of wil Jij wilt blijven. / Je wil blijven.
u wilt of wil U wilt betalen. / U wil betalen.
hij/zij/ze/het wil Zij wil meedoen.
wij/we willen Wij willen beginnen.
jullie willen Jullie willen bestellen.
zij/ze willen Ze willen buiten zitten.

Bij jij/je zijn wilt en wil allebei correct. Jij wilt is een veilige keuze in verzorgde schrijftaal; jij wil komt veel voor in gewone spreek- en schrijftaal. Ook bij u zijn beide vormen correct, al is u wilt voor veel sprekers de gebruikelijkste vorm.

Let vooral op de derde persoon enkelvoud: het is hij wil, zij wil en het wil, dus zonder -t. Voor alle meervoudsvormen gebruik je de volledige infinitief willen.

Vragen en omkering

In een ja-neevraag staat de persoonsvorm vóór het onderwerp. De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert bij ik, jij, hij of wij; het onderwerp is wie of wat iets doet of ervaart.

Gewone zin Vraag
Jij wilt mee. Wil jij mee?
Je wil koffie. Wil je koffie?
Zij wil wachten. Wil zij wachten?
Jullie willen beginnen. Willen jullie beginnen?
U wilt zitten. Wilt u zitten?

Bij jij/je verdwijnt de -t wanneer het onderwerp direct achter de persoonsvorm staat: jij wilt, maar wil jij? en wil je? Bij u geldt die regel niet: wilt u? is correct. Wil u? komt eveneens voor doordat u wil ook als vervoeging mogelijk is.

Een vraag met willen hoeft geen formele ja-neevraag te zijn. In Wat wil je drinken? staat het vraagwoord eerst, daarna volgen de persoonsvorm en het onderwerp.

Met een zaak of persoon als gewenste keuze

Willen kan direct worden gevolgd door iets wat iemand wenst:

  • Ik wil water.
  • Zij wil een andere stoel.
  • We willen meer tijd.
  • Wie wil er nog soep?

Water, een andere stoel en meer tijd zijn hier het lijdend voorwerp (wie of wat rechtstreeks gewenst wordt). Er hoeft dus niet altijd een tweede werkwoord te staan. In een winkel of restaurant klinkt een kaal Ik wil een koffie soms nogal beslist. Met graag wordt het vriendelijker: Ik wil graag koffie.

Met een tweede werkwoord

Als willen samen met een ander werkwoord staat, vervoeg je alleen willen. Het tweede werkwoord blijft een infinitief en staat in een gewone hoofdzin meestal aan het einde.

Opbouw Voorbeeld
onderwerp + vorm van willen + infinitief Ik wil slapen.
onderwerp + vorm van willen + overige informatie + infinitief Wij willen morgen vroeg vertrekken.
vraagwoord + vorm van willen + onderwerp + infinitief Wanneer wil je vertrekken?
vorm van willen + onderwerp + overige informatie + infinitief Willen jullie vanavond mee-eten?

Bij een scheidbaar werkwoord blijft de infinitief één woord: Ik wil vroeg opstaan en Zij wil haar moeder opbellen. Vergelijk dat met een vervoegde vorm zonder modaal werkwoord: Ik sta vroeg op.

Ontkenning met niet en geen

Gebruik geen voor een onbepaald zelfstandig naamwoord: Ik wil geen suiker en We willen geen vertraging. Gebruik niet om een handeling of een ander deel van de zin te ontkennen: Ik wil niet wachten en Hij wil vandaag niet komen.

De plaats van niet kan de betekenis beïnvloeden:

  • Ik wil niet gaan betekent meestal dat gaan niet gewenst is.
  • Ik wil niet morgen gaan, maar vrijdag legt het contrast bij de dag.
  • Ik wil dat niet wijst een eerder genoemd voorstel of ding af.

Twee verschillende personen

Als dezelfde persoon zowel wil als handelt, gebruik je meestal een infinitief:

  • Ik wil vertrekken. — ik wil iets en ik vertrek.
  • Sara wil winnen. — Sara wil iets en Sara wint mogelijk.

Gaat de wens over de handeling van iemand anders, dan gebruik je vaak een bijzin met dat. Een bijzin is een deelzin die niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt:

  • Ik wil dat jij blijft.
  • De docent wil dat we op tijd komen.
  • Zij wil dat haar zoon zelf kiest.

In zo’n bijzin is een losse vorm als dat jij blijven niet mogelijk. Het werkwoord hoort bij het nieuwe onderwerp en wordt dus vervoegd: dat jij blijft.

Woordvolgorde in een bijzin

In een hoofdzin staat de vervoegde vorm van willen vroeg in de zin: Ik wil morgen met de trein reizen. Na woorden als omdat, als en terwijl staat de werkwoordgroep aan het einde: omdat ik morgen met de trein wil reizen.

Voor beginners is dit een bruikbaar patroon:

  • hoofdzin: We willen vanavond thuis eten;
  • bijzin: omdat we vanavond thuis willen eten.

Voorbeelden in context

De middelste kolom geeft de bedoeling in andere, eenvoudige Nederlandse woorden weer. Zo blijft het verschil zichtbaar tussen de grammaticale vorm en wat een spreker ermee doet.

Nederlands Betekenis in gewone woorden Opmerking
Ik wil koffie. Koffie is mijn keuze. Willen met een zelfstandig naamwoord.
Wil je mee? Heb je zin om mee te gaan? Vraag met omkering; geen -t.
Zij wil arts worden. Haar plan is om arts te worden. Worden staat als infinitief achteraan.
Wij willen graag betalen. We zijn klaar om te betalen. Graag maakt de mededeling vriendelijker.
Wat wilt u drinken? Welke drank kiest u? Beleefde aanspreekvorm met u.
Mijn buren willen verhuizen. Mijn buren hebben een verhuisplan. Meervoud: willen.
Ik wil geen melk in mijn koffie. Melk is niet gewenst. Geen ontkent een onbepaalde zaak.
Hij wil vanavond niet koken. Koken staat vanavond niet in zijn plan. Niet ontkent de handeling.
Wanneer wil je beginnen? Op welk moment ben je van plan te beginnen? Vraagwoord, daarna wil je.
We blijven thuis omdat het kind wil slapen. De slaapwens van het kind is de reden. Werkwoordgroep aan het einde van de bijzin.
Ik wil dat je eerlijk antwoordt. Mijn wens gaat over jouw antwoord. Twee onderwerpen: ik en je.
Willen jullie nog iets bestellen? Hebben jullie nog een bestelling? Vraag aan meer personen.
Niemand wil lang in de rij staan. Lang wachten is voor niemand gewenst. Niemand krijgt de enkelvoudsvorm wil.
Ze wil haar zus vanavond opbellen. Ze is van plan haar zus te bellen. Scheidbaar werkwoord als één infinitief.

Veelgemaakte fouten

1. Een regelmatige uitgang bij ik gebruiken

  • Onjuist: Ik wilt naar huis.
  • Juist: Ik wil naar huis.
  • Waarom: Willen is onregelmatig. Bij ik is de vorm altijd wil, zonder -t.

2. Een -t laten staan na omkering met jij

  • Onjuist: Wilt jij ook koffie?
  • Juist: Wil jij ook koffie?
  • Waarom: Bij jij/je direct achter de persoonsvorm vervalt de -t. Bij u mag die wel blijven: Wilt u koffie?

3. Wil gebruiken bij een meervoud

  • Onjuist: Wij wil morgen vertrekken.
  • Juist: Wij willen morgen vertrekken.
  • Waarom: Wij/we, jullie en zij/ze krijgen allemaal willen.

4. Het tweede werkwoord ook vervoegen

  • Onjuist: Zij wil wordt arts.
  • Juist: Zij wil arts worden.
  • Waarom: Alleen willen is de persoonsvorm. Het andere werkwoord blijft een infinitief en staat in de hoofdzin achteraan.

5. De infinitief te vroeg plaatsen

  • Onjuist: Ik wil kopen morgen een jas.
  • Juist: Ik wil morgen een jas kopen.
  • Waarom: In een gewone hoofdzin staat de infinitief meestal aan het einde.

6. Een wens over iemand anders met een infinitief bouwen

  • Onjuist: Ik wil jij blijft.
  • Juist: Ik wil dat jij blijft.
  • Waarom: Ik wil iets, maar jij voert de gewenste handeling uit. Daarom is een bijzin met dat en een vervoegd werkwoord nodig.

Gebruiksnotities

Graag verzacht de toon

Ik wil informatie is grammaticaal goed, maar kan als eis klinken. Graag maakt de wens vriendelijker: Ik wil graag wat informatie. In alledaagse dienstverlening zijn ook vragen met kunnen of mogen gebruikelijk: Kunt u mij helpen? en Mag ik afrekenen?

Nog beleefder of voorzichtiger is zou graag willen: Ik zou graag een afspraak willen maken. Deze vorm is langer, maar passend in een zakelijke e-mail, aan een balie of wanneer je de ander ruimte wilt geven om nee te zeggen. Je hoeft deze constructie op A1-niveau nog niet volledig te ontleden; herken vooral dat ze minder direct klinkt dan ik wil.

Wil je kan een verzoek zijn

Wil je het raam sluiten? vraagt letterlijk naar iemands bereidheid, maar functioneert meestal als een verzoek. De toon en de situatie bepalen of het vriendelijk of dwingend klinkt. Wil je alsjeblieft het raam sluiten? is duidelijk beleefder; Wil je nu eindelijk eens luisteren? drukt juist irritatie uit.

Niet iedere wil is een vast plan

Ik wil ooit naar IJsland kan een droom zijn, terwijl Ik wil morgen om acht uur vertrekken eerder als concreet plan klinkt. Woorden als ooit, misschien, graag, morgen en beslist helpen om de sterkte en de tijd van de wens duidelijk te maken.

Verder dan de basis

De volgende punten kom je later tegen. Ze zijn nuttig als naslag, maar voor A1 is beheersing van wil, wilt en willen belangrijker.

Verleden tijd: wilde en wou

De gewone verleden tijd is wilde in het enkelvoud en wilden in het meervoud:

  • Ik wilde je gisteren bellen.
  • Wij wilden vroeg vertrekken.

Daarnaast hoor en lees je wou en wouden, vooral in informele taal: Ik wou iets vragen. Wilde/wilden past overal; daarmee kies je dus veilig in formele én informele situaties. Ik wilde vragen of... kan bovendien een verzoek verzachten, ook als de wens nog steeds actueel is.

Gewild of willen na een ander werkwoord

Zonder tweede infinitief gebruik je in de voltooide tijd het voltooid deelwoord gewild. Een voltooid deelwoord is de werkwoordsvorm die vaak met hebben of zijn voorkomt:

  • Dat heb ik nooit gewild.
  • Ze heeft altijd een eigen bedrijf gewild.

Staat er nog een infinitief bij, dan verschijnt vaak willen in plaats van gewild: Ik heb je willen helpen en Hij heeft willen komen. Deze constructie heet vervangende infinitief. Vermijd dus ik heb je gewild helpen.

Willen zeggen

De vaste combinatie willen zeggen betekent vaak betekenen:

  • Wat wil dit woord zeggen?
  • Dat wil zeggen dat de winkel gesloten is.

Hier gaat het niet letterlijk om een persoonlijke wens. Ook in Of je wilt of niet, we moeten vertrekken heeft willen een vaste, bredere functie: de keuze of bereidheid van de aangesproken persoon verandert de situatie niet.

Willen en zullen zijn niet hetzelfde

Ik wil morgen vertrekken beschrijft een wens of bedoeling. Ik zal morgen vertrekken presenteert het vertrek eerder als toekomst, belofte of besluit. Een wens wordt dus niet automatisch werkelijkheid. Dat onderscheid is belangrijk wanneer je later meer leert over zullen en toekomstige handelingen.

Oefentips

  1. Maak een persoonlijk rijtje. Schrijf voor elke persoon één echte wens: ik wil leren, jij wilt reizen, zij wil rusten, wij willen oefenen. Lees daarna alleen de werkwoordsvormen hardop.
  2. Zet mededelingen om in vragen. Verander Jij wilt meegaan in Wil jij meegaan? en Jullie willen eten in Willen jullie eten? Let bewust op het verdwijnen van de -t bij jij.
  3. Bouw zinnen in drie stappen. Begin met Ik wil thee, voeg een handeling toe (Ik wil thee drinken) en voeg daarna tijd of plaats toe (Ik wil vanmiddag op het terras thee drinken). Zo oefen je tegelijk de woordvolgorde.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd in het NederlandsA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen