B2

Geavanceerde Betrekkelijke Voornaamwoorden in het Italiaans

Pronomi Relativi Avanzati

Overzicht

Je kent al che (die/dat) en cui (na voorzetsels). Op B2-niveau leer je de meer geavanceerde betrekkelijke constructies: chi (wie/degene die), ciò che / quello che (wat/datgene wat), il che (wat - voor heel een bijzin) en het bezittelijk gebruik van cui (il cui, la cui).

Deze constructies komen veel voor in geschreven taal, formele communicatie en in literaire teksten.

Hoe het werkt

Chi — wie/degene die (zonder antecedent)

Chi verwijst naar een onbepaalde persoon ("degene die", "wie", "iedereen die"). Het heeft geen antecedent nodig:

  • Chi cerca trova. — Wie zoekt, vindt. (spreekwoord)
  • Chi non risica non rosica. — Wie niet waagt, niet wint.
  • Puoi portare chi vuoi. — Je kunt meenemen wie je wilt.
  • Aiuto chi ha bisogno. — Ik help wie het nodig heeft.

Chi kan ook in vragen als "wie": Chi è arrivato? — Wie is er aangekomen?

Ciò che / quello che — wat/datgene wat

Verwijst naar een hele situatie of een onbepaald "iets":

  • Quello che dici è vero. — Wat jij zegt is waar.
  • Non capisco ciò che fa. — Ik begrijp niet wat hij doet.
  • Dimmi quello che pensi. — Vertel me wat je denkt.
  • Questo è tutto ciò che so. — Dit is alles wat ik weet.

Quello che is gangbaarder in de spreektaal; ciò che klinkt iets formeler.

Il che — wat (voor een hele voorgaande bijzin)

Il che verwijst naar een hele voorgaande zin of situatie, niet naar een enkel woord:

  • È arrivato tardi, il che mi ha sorpreso. — Hij arriveerde laat, wat mij verraste.
  • Non ha risposto, il che era strano. — Hij heeft niet geantwoord, wat vreemd was.
  • Ha vinto il concorso, il che è un successo. — Hij won de wedstrijd, wat een succes is.

Bezittelijk cui: il/la cui (wiens/waarvan)

Cui met het bepaald lidwoord (il cui, la cui, i cui, le cui) drukt bezit of relatie uit. Het lidwoord buigt mee met het bezit (niet met de bezitter):

  • La donna il cui figlio conosco. — De vrouw wiens/van wie ik de zoon ken. (figlio = mannelijk enk. → il cui)
  • Lo studente la cui tesi è stata pubblicata. — De student wiens proefschrift gepubliceerd is. (tesi = vrouwelijk enk. → la cui)
  • Il paese i cui abitanti parlano dialetto. — Het land waarvan de inwoners dialect spreken. (abitanti = mannelijk mv. → i cui)

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Opmerking
Chi cerca trova. Wie zoekt, vindt. chi zonder antecedent
Quello che dici è vero. Wat jij zegt is waar. quello che voor hele bijzin
È arrivato tardi, il che mi ha sorpreso. Hij arriveerde laat, wat mij verraste. il che voor vorige zin
La donna il cui figlio conosco. De vrouw wiens zoon ik ken. bezittelijk cui
Non capisco ciò che fa. Ik begrijp niet wat hij doet. ciò che formeler
Dimmi quello che pensi. Vertel me wat je denkt. quello che
Il ragazzo i cui genitori lavorano all'estero. De jongen wiens ouders in het buitenland werken. i cui (mv.)
Ha perso il lavoro, il che lo ha depresso. Hij verloor zijn baan, wat hem deprimeerde. il che
Chi non capisce deve chiedere. Wie het niet begrijpt, moet vragen. chi + imperatief
L'autore le cui opere sono famose. De auteur waarvan de werken bekend zijn. le cui (vrouwelijk mv.)

Veelgemaakte fouten

Il che voor een enkel woord

  • Fout: Il libro il che leggo. (wil che zeggen)
  • Correct: Il libro che leggo.
  • Waarom: Il che verwijst naar een hele voorgaande situatie, niet naar een enkel woord.

Bezittelijk cui zonder lidwoord

  • Fout: La donna cui figlio conosco.
  • Correct: La donna il cui figlio conosco.
  • Waarom: Het bezittelijk gebruik van cui vereist het bepaald lidwoord (il/la/i/le cui).

Lidwoord bij bezittelijk cui: foute keuze

  • Fout: La donna la cui figlio conosco. (figlio is mannelijk)
  • Correct: La donna il cui figlio conosco.
  • Waarom: Het lidwoord bij cui buigt mee met het bezit (figlio = mannelijk enk. → il), niet met de bezitter (la donna).

Quello che vs. il che

  • Quello che mi piace è la pasta. (wat mij bevalt = een ding/concept)
  • Ha mentito, il che è grave. (wat volgde uit de vorige zin = de hele situatie)
  • Waarom: Il che verwijst altijd naar een vorige zin als geheel.

Gebruiksnotities

Chi als onbepaald betrekkelijk voornaamwoord is frequenter in spreekwoorden en algemene uitspraken. In formele geschreven taal gebruik je vaker colui che / coloro che (degene die / degenen die).

Het bezittelijk gebruik van cui is typisch formeel en geschreven. In de spreektaal gebruikt men vaker di cui of een omschrijving: Il ragazzo, suo padre è famoso (informeel) vs. Il ragazzo il cui padre è famoso (formeel).

Oefentips

  1. Leer de spreekwoorden met chi als betrekkelijk voornaamwoord: ze zijn compact en vastgelegd in de cultuur.
  2. Oefen il che door nieuwsberichten samen te vatten en commentaar toe te voegen: X is gebeurd, il che significa...
  3. Oefen het bezittelijk cui met familierelaties: Lo studente il cui professore è famoso..., la scrittrice i cui romanzi leggo...

Verwante concepten

Vereiste kennis

Betrekkelijke Voornaamwoorden in het ItaliaansB1

Meer B2-concepten

Wil je Geavanceerde Betrekkelijke Voornaamwoorden in het Italiaans en meer Italiaans-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen