C1

Concordance des temps in het Frans

Concordance des Temps

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

In het kort

De concordance des temps stemt de tijd van een bijzin af op het gezichtspunt van de hoofdzin. Na een werkwoord in het verleden wordt een gelijktijdige handeling vaak een imparfait, een eerdere handeling een plus-que-parfait en een latere handeling een conditionnel: Il a dit qu’il travaillait, qu’il avait fini et qu’il reviendrait. De keuze volgt dus niet alleen de kalender, maar ook het tijdstip vanwaaruit iemand spreekt of denkt.

Overzicht

Een hoofdzin kan zelfstandig staan, bijvoorbeeld Elle affirme of Il croyait. Een bijzin is daarvan afhankelijk en begint hier vaak met que: qu’elle a raison, qu’il partirait. Bij de Franse concordance des temps bepaal je hoe de gebeurtenis in die bijzin zich verhoudt tot die van de hoofdzin. Ze kan tegelijk plaatsvinden, al eerder gebeurd zijn of nog moeten gebeuren.

Dit C1-onderwerp bundelt kennis die je op eerdere niveaus apart hebt geleerd: verleden tijden, de conditionnel, indirecte rede en de subjonctif (aanvoegende wijs: een werkwoordsvorm na onder meer wens, noodzaak, emotie of twijfel). De moeilijkheid zit niet vooral in de vormen zelf, maar in het vasthouden van het juiste tijdsperspectief over meerdere zinsdelen heen.

Voor Nederlandstaligen is de verledentoekomst bijzonder belangrijk. In het Nederlands klinkt “Hij zei dat hij morgen komt” heel gewoon als die afspraak nog geldt. Frans kiest vanuit het vroegere spreekmoment meestal Il a dit qu’il viendrait le lendemain. Toch is het Franse systeem geen automatische omzetmachine: een tijd kan behouden blijven als de spreker een feit nadrukkelijk als nog steeds geldig presenteert.

Hoe het werkt

Begin met de tijdsrelatie

Vraag bij elke bijzin eerst:

  1. Gelijktijdigheid: gebeurt dit op hetzelfde moment als zeggen, denken, weten of waarnemen?
  2. Voorafgaandheid: is het op dat referentiemoment al gebeurd?
  3. Latere tijd: moet het vanuit dat referentiemoment nog gebeuren?

Een referentiemoment is eenvoudig gezegd het tijdstip vanwaaruit de zin naar andere gebeurtenissen kijkt. In Je savais qu’elle avait appelé is je savais het referentiemoment; het bellen ligt daarvóór.

Hoofdzin in het heden of de toekomst

Wanneer het inleidende werkwoord in het heden of de toekomst staat, gebruikt de bijzin doorgaans de tijd die rechtstreeks bij de bedoelde gebeurtenis past.

Relatie Gebruikelijke tijd in de bijzin Voorbeeld Nederlandse betekenis
Gelijktijdig présent Je sais qu’il travaille. Ik weet dat hij werkt.
Eerder, als afgerond feit passé composé Je sais qu’il a terminé. Ik weet dat hij klaar is.
Eerder dan een ander verleden moment plus-que-parfait Je sais qu’il avait déjà refusé. Ik weet dat hij al had geweigerd.
Later futur simple Je sais qu’il reviendra. Ik weet dat hij zal terugkomen.
Later en dan voltooid futur antérieur Je sais qu’il aura fini avant midi. Ik weet dat hij vóór twaalf uur klaar zal zijn.

Ook een hoofdzin in de toekomst kan een eigen tijdsverhouding in de bijzin hebben: Je te téléphonerai quand j’aurai reçu la réponse betekent dat het ontvangen voltooid zal zijn vóór het toekomstige telefoontje.

Hoofdzin in het verleden: de klassieke verschuiving

Na een inleidend werkwoord in een verleden tijd verschuift het gezichtspunt naar dat vroegere moment. Dit schema is vooral zichtbaar in indirecte rede: je geeft iemands woorden weer zonder ze letterlijk te citeren.

Rechtstreekse gedachte of uitspraak Na een inleidend werkwoord in het verleden Relatie
« Je suis fatigué. » Il a dit qu’il était fatigué. gelijktijdig: présent → imparfait
« J’ai perdu mes clés. » Il a dit qu’il avait perdu ses clés. eerder: passé composé → plus-que-parfait
« Je partirai demain. » Il a dit qu’il partirait le lendemain. later: futur → conditionnel présent
« J’aurai fini à midi. » Il a dit qu’il aurait fini à midi. later en dan voltooid: futur antérieur → conditionnel passé

De conditionnel présent functioneert hier als toekomst gezien vanuit het verleden. Hij drukt niet noodzakelijk twijfel of een voorwaarde uit. Elle savait qu’il reviendrait kan een gewone mededeling zijn: zij wist dat zijn terugkeer op dat vroegere moment nog in de toekomst lag.

De conditionnel passé vormt de voltooide verledentoekomst: Je pensais qu’à cette heure-là, il serait déjà parti. Vanuit mijn vroegere gedachte lag zijn vertrek nog later, maar op het genoemde latere tijdstip zou het voltooid zijn. Daarom betekent Je pensais qu’il serait venu in passende context “Ik dacht dat hij gekomen zou zijn”; met déjà, een eindtijd of een vervolgzin wordt de tijdslijn meestal duidelijker.

Welke tijden veranderen meestal niet?

Een imparfait, plus-que-parfait of conditionnel hoeft in indirecte rede doorgaans niet nogmaals te verschuiven:

  • « Je dormais. » → Elle a dit qu’elle dormait.
  • « J’avais oublié. » → Elle a dit qu’elle avait oublié.
  • « Je viendrais si je pouvais. » → Elle a dit qu’elle viendrait si elle pouvait.

De vorm blijft gelijk, maar het tijdsperspectief wordt door de context bepaald. Let daarom niet alleen op de werkwoordsuitgang; teken zo nodig de gebeurtenissen op een tijdlijn.

Tijdsaanduidingen in indirecte rede

Niet alleen werkwoordstijden kunnen veranderen. Woorden die naar het spreekmoment verwijzen, passen zich vaak aan wanneer dat moment niet meer “nu” is.

In de oorspronkelijke woorden Mogelijke vorm in de vertelling Betekenis
aujourd’hui ce jour-là die dag
hier la veille de dag ervoor
demain le lendemain de volgende dag
la semaine prochaine la semaine suivante de week erna
ici là daar
maintenant alors / à ce moment-là toen / op dat moment

Dit is geen blinde vervangingsregel. Als plaats of datum vanuit het huidige gesprek nog dezelfde is, kan het oorspronkelijke woord blijven staan: Il m’a dit hier qu’il viendrait demain. Zowel “gisteren” als “morgen” wordt hier berekend vanuit het moment waarop de huidige spreker de zin uitspreekt.

Feiten die nog steeds gelden

Na een verleden hoofdzin is een tegenwoordige tijd mogelijk wanneer de huidige spreker zelf instaat voor de blijvende geldigheid van het feit:

  • Le professeur nous a expliqué que l’eau bout à 100 °C.
  • Elle m’a dit qu’elle habite toujours à Lyon.

Met habitait plaats je het wonen volledig binnen haar vroegere mededeling; je zegt niet of het nu nog zo is. Met habite toujours presenteer je het als huidige werkelijkheid. Het Frans laat hier dus betekenisvolle keuze toe. In een examenopgave zonder verdere context is de klassieke verschuiving meestal de veiligste keuze; in echte communicatie bepaalt het perspectief de tijd.

Hypothesen en meerdere tijdslagen

In een onwerkelijke voorwaarde over het verleden gebruikt het Frans niet de conditionnel na si. Het basisschema is:

Bijzin met si Gevolgzin Betekenis
si + plus-que-parfait conditionnel passé een niet-gebeurde voorwaarde en een niet-gebeurd gevolg in het verleden

Bijvoorbeeld: Si j’avais su, je serais venu. In langere zinnen kan daarbinnen nog een verledentoekomst staan: Si j’avais su qu’il serait déjà parti à midi, je serais venu plus tôt. Het weten is onwerkelijk verleden; het vertrek was vanuit dat denkbeeldige weten nog toekomstig, maar zou om twaalf uur voltooid zijn.

Het aangeleverde patroon Si j’avais su qu’il serait parti… is grammaticaal mogelijk, maar zonder tijdsbepaling of vervolg blijft de bedoelde tijdslijn vaag. Voeg daarom liever déjà, avant mon arrivée of een volledige gevolgzin toe. Bedoel je alleen “als ik had geweten dat hij vertrokken was”, dan is Si j’avais su qu’il était parti… meestal directer.

De subjonctif: modern en literair

De keuze voor de subjonctif hangt af van de hoofdconstructie, bijvoorbeeld een wens in vouloir que. In hedendaags Frans gebruikt men na een verleden hoofdzin meestal:

  • de subjonctif présent voor een gelijktijdige of latere handeling: Il voulait qu’elle vienne;
  • de subjonctif passé voor een eerdere, voltooide handeling: Il regrettait qu’elle soit partie.

In klassieke literaire taal volgde men vaker een strengere tijdsafstemming:

Moderne vorm Literaire vorm Relatie
Il voulait qu’elle vienne. Il voulait qu’elle vînt. gelijktijdig of later
Il regrettait qu’elle soit partie. Il regrettait qu’elle fût partie. eerder
Il aurait voulu qu’elle vienne. Il aurait voulu qu’elle vînt. gewenste, niet-gerealiseerde handeling

Vînt is de subjonctif imparfait; fût partie is de subjonctif plus-que-parfait. Deze vormen zijn tegenwoordig vooral herkenningskennis voor literatuur, historische teksten en bewust plechtige stijl. Ze in een gewoon gesprek gebruiken klinkt nadrukkelijk ouderwets.

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Toelichting
Il dit qu’il viendra. Hij zegt dat hij zal komen. Heden in de hoofdzin, dus gewone toekomst.
Il a dit qu’il viendrait. Hij zei dat hij zou komen. Toekomst gezien vanuit het verleden.
Je croyais qu’elle travaillait chez elle. Ik dacht dat ze thuis werkte. Beide situaties zijn gelijktijdig in het verleden.
Nous avons compris qu’ils avaient déjà réservé. We begrepen dat ze al hadden gereserveerd. Het reserveren gebeurde eerder dan het begrijpen.
Elle savait que le train serait parti avant son arrivée. Ze wist dat de trein vóór haar aankomst vertrokken zou zijn. Voltooide verledentoekomst.
Je pensais qu’il serait déjà venu. Ik dacht dat hij al gekomen zou zijn. Déjà maakt het verwachte voltooide resultaat duidelijk.
Il m’a promis qu’il appellerait le lendemain. Hij beloofde me dat hij de volgende dag zou bellen. Tijd én tijdsaanduiding verschuiven.
Le médecin a expliqué que ce traitement réduit la douleur. De arts legde uit dat deze behandeling de pijn vermindert. De spreker presenteert dit als nog geldig feit.
Elle a répondu qu’elle ne pouvait pas venir parce qu’elle était malade. Ze antwoordde dat ze niet kon komen omdat ze ziek was. De onmogelijkheid en ziekte zijn toen gelijktijdig.
Je te confirmerai mon départ dès que j’aurai acheté le billet. Ik bevestig mijn vertrek zodra ik het kaartje heb gekocht. De ene toekomstige handeling moet eerst voltooid zijn.
Si j’avais su qu’il serait déjà parti, je lui aurais écrit plus tôt. Als ik had geweten dat hij al vertrokken zou zijn, had ik hem eerder geschreven. Onwerkelijk verleden met een ingebedde voltooide verledentoekomst.
Il aurait voulu qu’elle vînt. Hij had gewild dat zij kwam. Literaire tijdsafstemming met de subjonctif imparfait.

Veelgemaakte fouten

De gewone toekomst na een verleden hoofdzin laten staan

  • Onjuist in de neutrale klassieke afstemming: Il a dit qu’il viendra le lendemain.
  • Juist: Il a dit qu’il viendrait le lendemain.
  • Waarom: vanuit het vroegere zeggen lag het komen nog in de toekomst. Daarvoor gebruikt het Frans doorgaans de conditionnel présent.

De conditionnel na si zetten

  • Onjuist: Si j’aurais su, je serais venu.
  • Juist: Si j’avais su, je serais venu.
  • Waarom: een onwerkelijke voorwaarde in het verleden krijgt si + plus-que-parfait; alleen de gevolgzin staat hier in de conditionnel passé.

Alleen naar de Nederlandse vertaling kijken

  • Misleidend uitgangspunt: “Hij zei dat hij morgen komt”, dus Il a dit qu’il vient demain.
  • Neutrale Franse vorm: Il a dit qu’il viendrait le lendemain.
  • Waarom: Nederlands houdt makkelijk het huidige perspectief vast. Frans markeert in verzorgde indirecte rede meestal explicieter dat “morgen” en “komen” vanuit een vroeger moment werden bekeken.

Voorafgaandheid met het imparfait uitdrukken

  • Onjuist voor de bedoelde volgorde: J’ai découvert qu’il partait la veille.
  • Juist: J’ai découvert qu’il était parti la veille.
  • Waarom: als het vertrek al voltooid was vóór de ontdekking, heb je het plus-que-parfait nodig. Partait beschrijft eerder een lopend of gepland vertrek.

De literaire subjonctif als verplicht beschouwen

  • Onnodig ouderwets in gewone taal: Il voulait que tu vinsses immédiatement.
  • Modern en natuurlijk: Il voulait que tu viennes immédiatement.
  • Waarom: modern Frans gebruikt hier vrijwel altijd de subjonctif présent, ook na een hoofdzin in het verleden.

Gebruiksnotities

In gesprekken is de afstemming vaak minder streng dan in formele schrijftaal. Sprekers behouden soms het présent of de futur om aan te geven dat een situatie nog actueel is: Elle m’a dit qu’elle viendra demain kan voorkomen wanneer “morgen” nog steeds de volgende dag is en de komst vaststaat. In verzorgd proza blijft elle viendrait de ongemarkeerde keuze wanneer het verslag duidelijk vanuit een verleden moment is opgebouwd.

De conditionnel heeft daarnaast andere functies: een voorwaardelijk gevolg (je viendrais si…), een onbevestigd bericht (le ministre serait malade) of beleefdheid (je voudrais). Alleen de context vertelt of een vorm als partirait een verledentoekomst, een hypothese of afstand tot de waarheid uitdrukt.

Bij vertellingen in de passé simple gelden dezelfde tijdsrelaties: Il déclara qu’il reviendrait. De passé simple is vooral een verteltijd in geschreven taal; hij maakt de toekomstige bijzin niet literairer van vorm. Bij de subjonctif is het verschil tussen modern en klassiek gebruik wél sterk stilistisch.

Verder dan de basis

Vrije indirecte rede

In romans kan de verteller dicht bij de gedachten van een personage komen zonder een inleidend werkwoord als il pensa. Dit heet vrije indirecte rede. De verschoven tijden blijven dan vaak zichtbaar: Il regarda l’horloge. Elle reviendrait demain. Peut-être avait-elle déjà changé d’avis. De conditionnel en het plus-que-parfait verankeren de zinnen in het vroegere bewustzijn van het personage.

Geneste perspectieven

Bij meerdere lagen moet je per bijzin opnieuw het referentiemoment bepalen:

Elle m’a expliqué qu’elle croyait qu’il reviendrait quand il aurait terminé son projet.

  • a expliqué: het moment van uitleggen;
  • croyait: haar overtuiging op dat moment;
  • reviendrait: terugkeren lag vanuit die overtuiging later;
  • aurait terminé: het project zou vóór die terugkeer voltooid zijn.

De vorm aurait terminé lijkt op een gewoon voorwaardelijk voltooid gevolg, maar is hier vooral de verschoven tegenhanger van aura terminé. Ontleed zulke zinnen niet woord voor woord vanuit het Nederlands; maak eerst de opeenvolging van momenten zichtbaar.

Tijd is niet hetzelfde als werkelijkheid

Werkwoordstijd en zekerheid zijn verschillende zaken. Il savait qu’elle viendrait presenteert haar toekomstige komst als kennis, hoewel viendrait formeel een conditionnel is. Omgekeerd kan Il prétend qu’elle est venue grammaticaal in het heden staan terwijl de spreker met prétend juist afstand houdt van de bewering. Kijk daarom zowel naar de tijdslijn als naar de houding van de spreker.

Oefentips

  1. Werk met drie pijlen. Schrijf bij elke bijzin “tegelijk”, “eerder” of “later” en kies pas daarna de Franse tijd. Begin met korte paren als il dit / il a dit.
  2. Zet uitspraken om. Maak van Elle dit : « J’ai fini et je reviendrai demain » eerst Elle dit qu’elle a fini et qu’elle reviendra demain en daarna Elle a dit qu’elle avait fini et qu’elle reviendrait le lendemain.
  3. Lees met kleurcodes. Markeer in een Franse roman inleidende werkwoorden, plus-que-parfait, conditionnel en tijdsaanduidingen elk anders. Zo zie je hoe een schrijver perspectief vasthoudt over lange zinnen.

Verwante onderwerpen

  • Vereiste voorkennis: Conditionnel passé — nodig voor de voltooide verledentoekomst en onwerkelijke gevolgen in het verleden.
  • Herhaling: Indirecte rede — behandelt het weergeven van uitspraken en de basisverschuivingen.
  • Verdieping: Subjonctif imparfait — helpt literaire tijdsafstemming zoals qu’elle vînt herkennen.

Vereiste kennis

Conditionnel passé in het FransB2

Meer C1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen