A1

Basisbijvoeglijke naamwoorden in het Engels

Basic Adjectives

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Een Engels bijvoeglijk naamwoord beschrijft een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip). Het staat meestal vóór dat zelfstandig naamwoord, zoals in a small cat, of na een koppelwerkwoord zoals be: The cat is small. De vorm blijft gelijk: a fast car, two fast cars, a happy man en a happy woman.

Overzicht

Bijvoeglijke naamwoorden geven eigenschappen aan: kleur, grootte, leeftijd, prijs, gevoel of oordeel. Woorden als red, small, old, expensive, happy en interesting helpen je dus om preciezer te zeggen hoe iemand of iets is. Dit is een van de eerste bouwstenen op A1-niveau, omdat je ermee kunt beschrijven wat je ziet, bezit, zoekt of vindt.

Voor Nederlandstaligen is het idee vertrouwd, maar de vorm werkt eenvoudiger dan in het Nederlands. Wij zeggen bijvoorbeeld een klein huis, maar het kleine huis en kleine huizen. In het Engels blijft small altijd small: a small house, the small house, small houses. Er komt geen uitgang bij voor enkelvoud, meervoud, mannelijk of vrouwelijk.

De belangrijkste keuze is daarom niet de uitgang, maar de plaats. Een bijvoeglijk naamwoord kan attributief worden gebruikt (direct bij een zelfstandig naamwoord) of predicatief (als beschrijving na een koppelwerkwoord). Die termen hoef je niet uit het hoofd te leren; je moet vooral de twee basispatronen herkennen.

Hoe het werkt

Patroon 1: vóór een zelfstandig naamwoord

Als het bijvoeglijk naamwoord direct bij een zelfstandig naamwoord hoort, staat het in het Engels normaal vóór dat woord.

Opbouw Engels voorbeeld Nederlands
lidwoord + bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord a big house een groot huis
aanwijzend woord + bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord that old bike die oude fiets
bezittelijk woord + bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord my new job mijn nieuwe baan
bijvoeglijk naamwoord + meervoud expensive shoes dure schoenen

Een lidwoord (a, an, the), aanwijzend woord (this, that, these, those) of bezittelijk woord (my, your, her enzovoort) komt dus vóór het bijvoeglijk naamwoord. Zeg a beautiful garden, niet beautiful a garden.

Let ook op a en an. De keuze hangt af van de klank die direct volgt, en dat kan de eerste klank van het bijvoeglijk naamwoord zijn:

  • a small apartment
  • an expensive apartment
  • a useful bookuseful begint met een j-klank
  • an old book

Patroon 2: na een koppelwerkwoord

Een koppelwerkwoord verbindt het onderwerp (over wie of wat de zin gaat) met een beschrijving. Het belangrijkste koppelwerkwoord is be.

Opbouw Voorbeeld Betekenis
onderwerp + vorm van be + bijvoeglijk naamwoord The house is big. Het huis is groot.
onderwerp + vorm van be + bijvoeglijk naamwoord They are happy. Ze zijn blij.
onderwerp + vorm van be + bijvoeglijk naamwoord I am tired. Ik ben moe.

Ook enkele andere veelvoorkomende werkwoorden kunnen een eigenschap aan het onderwerp koppelen:

  • The soup smells good. — De soep ruikt lekker.
  • You look tired. — Je ziet er moe uit.
  • This feels soft. — Dit voelt zacht aan.
  • The weather became cold. — Het weer werd koud.

Na zo'n werkwoord beschrijft het bijvoeglijk naamwoord het onderwerp. In The soup smells good zegt good iets over de soep, niet over de manier van ruiken.

Eén onveranderlijke vorm

Engelse basisbijvoeglijke naamwoorden krijgen geen uitgang om zich aan te passen aan het zelfstandig naamwoord. Dat heet geen congruentie: het beschrijvende woord verandert niet mee met getal of geslacht.

Situatie Engels Wat blijft gelijk?
enkelvoud a fast car fast
meervoud fast cars fast
man a happy man happy
vrouw a happy woman happy
na be The cars are fast. fast

Voeg dus nooit een Nederlandse -e toe. Vormen als smalle, olde of expensivee bestaan niet als gewone Engelse bijvoeglijke naamwoorden.

Meer dan één bijvoeglijk naamwoord

Op A1-niveau kun je twee eigenschappen eenvoudig met and verbinden:

  • a small and quiet hotel
  • The room is clean and comfortable.

Zonder and staan de woorden vóór het zelfstandig naamwoord meestal in een natuurlijke volgorde. Een bruikbare globale volgorde is: oordeel – grootte – leeftijd – kleur – herkomst – materiaal – zelfstandig naamwoord.

  • a beautiful old Italian painting
  • a small black leather bag

Je hoeft deze lange reeks als beginner niet te produceren. Kies liever één of twee duidelijke eigenschappen. De volgorde klinkt voor moedertaalsprekers vanzelfsprekend, maar heeft ook uitzonderingen en betekenisnuances.

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Toelichting
We live in a small apartment. We wonen in een klein appartement. Vóór een zelfstandig naamwoord
The apartment is small. Het appartement is klein. Na be
She has a new phone. Ze heeft een nieuwe telefoon. Na een bezittelijk woord
Those shoes are expensive. Die schoenen zijn duur. Dezelfde vorm bij meervoud
The car is fast. De auto is snel. Eigenschap na be
He is a friendly doctor. Hij is een vriendelijke arts. friendly staat vóór doctor
The doctors are friendly. De artsen zijn vriendelijk. friendly verandert niet
They are happy today. Ze zijn vandaag blij. Beschrijving van personen
I need an easy recipe. Ik heb een eenvoudig recept nodig. an vóór de klinkerklank van easy
This coffee smells good. Deze koffie ruikt lekker. Na het koppelwerkwoord smells
Your hands feel cold. Je handen voelen koud aan. Beschrijving na feel
It is a long, difficult journey. Het is een lange, moeilijke reis. Twee gelijkwaardige eigenschappen
We bought a beautiful old table. We kochten een mooie oude tafel. Oordeel vóór leeftijd
The children are quiet and tired. De kinderen zijn stil en moe. Twee eigenschappen met and

Veelgemaakte fouten

Een Nederlandse uitgang toevoegen

  • Fout: a smalle house
  • Goed: a small house
  • Waarom: Het Engelse bijvoeglijk naamwoord krijgt geen -e. De vorm is ook the small house en small houses.

Het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord zetten

  • Fout: a car fast
  • Goed: a fast car
  • Waarom: Een rechtstreeks beschrijvend bijvoeglijk naamwoord staat normaal vóór het zelfstandig naamwoord. Na be kan het wel achteraan staan: The car is fast.

Een lidwoord op de verkeerde plaats zetten

  • Fout: beautiful a day
  • Goed: a beautiful day
  • Waarom: Het lidwoord komt vóór het bijvoeglijk naamwoord en het zelfstandig naamwoord.

Een bijwoord gebruiken na een koppelwerkwoord

  • Fout: The soup smells well. als je bedoelt dat de soep lekker ruikt
  • Goed: The soup smells good.
  • Waarom: Good beschrijft de soep. Well betekent hier eerder dat de soep goed kan ruiken, alsof ruiken een handeling is. Na look, feel, smell, sound en taste staat vaak een bijvoeglijk naamwoord wanneer je het onderwerp beschrijft.

-ed en -ing verwisselen

  • Fout: I am boring. als je bedoelt dat jij je verveelt
  • Goed: I am bored.
  • Waarom: Bij gevoelspaarwoorden beschrijft -ed meestal wie het gevoel ervaart; -ing beschrijft wat dat gevoel veroorzaakt. I am bored betekent dat ik me verveel; I am boring betekent dat anderen mij saai vinden.

A gebruiken vóór elke klinkerletter

  • Fout: a expensive restaurant
  • Goed: an expensive restaurant
  • Waarom: Kies a of an op basis van de volgende klank. Hier begint expensive met een klinkerklank.

Gebruiksnotities

Sommige Engelse woorden lijken op Nederlandse woorden, maar hebben niet precies dezelfde betekenis. Actual betekent meestal werkelijk en niet actueel; eventual betekent uiteindelijk en niet eventueel. Leer een bijvoeglijk naamwoord daarom liefst in een korte combinatie, zoals the actual price of the latest news.

Engels gebruikt soms een bijvoeglijk naamwoord waar Nederlands een andere formulering kiest. I am cold betekent meestal ik heb het koud, niet letterlijk ik ben koud. Ook She is right wordt zij heeft gelijk. Vertaal zulke vaste patronen als geheel.

Een komma is niet automatisch nodig tussen twee bijvoeglijke naamwoorden. Bij gelijkwaardige losse eigenschappen kan dat wel: a long, difficult journey. In een vaste reeks zoals a small black bag staat meestal geen komma. Voor beginners is and vaak de veiligste keuze: a long and difficult journey.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1-niveau nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later tegenkomen.

Niet elk bijvoeglijk naamwoord past op beide plaatsen

Sommige woorden worden vooral na een koppelwerkwoord gebruikt. Je zegt bijvoorbeeld The child is asleep, maar normaal niet an asleep child; daarvoor gebruik je a sleeping child. Ook afraid, alive en alone staan doorgaans na een koppelwerkwoord: She is afraid, The fish is alive, He is alone.

Omgekeerd komen sommige bijvoeglijke naamwoorden vooral vóór een zelfstandig naamwoord voor, zoals main in the main reason en former in a former colleague. The reason is main klinkt niet natuurlijk.

Soms verandert de betekenis met de plaats

Bij enkele woorden maakt de positie betekenisverschil:

  • the present members = de huidige/aanwezige leden, afhankelijk van de context
  • the members present = de leden die aanwezig zijn
  • a responsible person = een verantwoordelijk persoon
  • the person responsible = de verantwoordelijke persoon

Een bijvoeglijk naamwoord ná het zelfstandig naamwoord komt ook voor na woorden als something, nothing, anyone en somewhere: something interesting, nothing serious, someone new. Dit zijn vaste en zeer gangbare patronen.

Bijvoeglijke naamwoorden kunnen een groep aanduiden

Met the kan een bijvoeglijk naamwoord soms naar een hele groep mensen verwijzen: the rich, the poor, the elderly. Zo'n vorm is meervoudig van betekenis: The rich are not always happy. Gebruik voor één persoon een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld a rich person.

Deelwoorden als beschrijving

Vormen op -ed en -ing zijn vaak ontstaan uit werkwoorden, maar functioneren ook als bijvoeglijke naamwoorden: a broken window, an exciting film, a tired passenger. Het nuttige basiscontrast is:

  • The film is boring. — De film veroorzaakt verveling.
  • The audience is bored. — Het publiek ervaart verveling.

Niet elk paar volgt alleen deze eenvoudige gevoelsregel, maar bij veel woorden zoals interested/interesting, excited/exciting en surprised/surprising helpt hij goed.

Vergelijkingen komen later

De onveranderlijke basisvorm staat los van de vergrotende en overtreffende trap. Later leer je vormen als small – smaller – smallest en constructies als expensive – more expensive – most expensive. Dat zijn geen uitgangen voor enkelvoud of meervoud, maar vormen waarmee je vergelijkt.

Oefentips

  1. Maak steeds een paar zinnen. Kies een voorwerp en schrijf beide patronen: a heavy bag en The bag is heavy. Zo oefen je plaats én woordenschat tegelijk.
  2. Verander het zelfstandig naamwoord, niet het bijvoeglijk naamwoord. Maak van a new book achtereenvolgens two new books, a new car en The cars are new. Controleer dat new gelijk blijft.
  3. Leer woorden in tegenstellingen en combinaties. Koppel big–small, cheap–expensive en easy–difficult aan bekende zelfstandige naamwoorden. Zeg de combinaties hardop: a cheap ticket, an expensive hotel, The exercise is easy.

Verwante onderwerpen

  • Volgende stap: Vergrotende trappen — vergelijk eigenschappen met vormen als bigger en more interesting.
  • Volgende stap: Bijwoorden van wijze — leer het verschil tussen een eigenschap en de manier waarop iets gebeurt.
  • Later: Too en enough — druk uit dat een eigenschap te sterk of juist voldoende aanwezig is.

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Basic Adjectives in Engels met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Engels · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen