B1

Verleden tijd: modale werkwoorden in het Duits

Präteritum: Modalverben

Overzicht

De modale werkwoorden (können, müssen, wollen, sollen, dürfen, mögen) worden in de verleden tijd vrijwel altijd in de Präteritum gebruikt — ook in de spreektaal. Het perfectum van modale werkwoorden (de zogenaamde doppelte Infinitivkonstruktion) is zeldzaam in de spreektaal.

De Präteritum-vormen van modale werkwoorden zijn regelmatig gevormd vanuit de basisvorm (zonder Umlaut) + de zwakke werkwoordsuitgangen. Bijzonder: de ich- en er/sie/es-vormen zijn gelijk.

Hoe het werkt

Infinitief ich/er du wir/sie/Sie
können konnte konntest konnten
müssen musste musstest mussten
wollen wollte wolltest wollten
sollen sollte solltest sollten
dürfen durfte durftest durften
mögen mochte mochtest mochten

Let op: De Umlaut verdwijnt in de Präteritum (können → konnte, müssen → musste, dürfen → durfte).

Structuur: modaal (positie 2) + ... + infinitief (einde) Ich konnte nicht schlafen. — Ik kon niet slapen.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Opmerking
Ich konnte nicht schlafen. Ik kon niet slapen. können verleden
Er musste früh aufstehen. Hij moest vroeg opstaan. müssen verleden
Wir wollten ins Kino gehen. Wij wilden naar de bioscoop. wollen verleden
Sie durfte nicht ausgehen. Zij mocht niet uitgaan. dürfen verleden
Ich sollte um 8 Uhr da sein. Ik moest om 8 uur aanwezig zijn. sollen verleden
Er mochte das nicht. Hij vond dat niet lekker. mögen verleden (zonder infinitief)
Konntest du kommen? Kon jij komen? kunnen, vraag
Wir mussten warten. Wij moesten wachten. müssen meervoud
Sie wollte nicht mitkommen. Zij wilde niet meekomen. wollen vrouwelijk
Ich durfte das nicht wissen. Ik mocht dat niet weten. dürfen ontkenning

Veelgemaakte fouten

Umlaut behouden in de Präteritum

  • Fout: ich könnte (als Präteritum bedoeld)
  • Correct: ich konnte
  • Waarom: Könnte is de Konjunktiv II-vorm. De Präteritum van können is konnte (zonder Umlaut).

Perfectum van modale werkwoorden gebruiken

  • Fout: Ich habe schlafen können. (in de spreektaal)
  • Correct: Ich konnte schlafen.
  • Waarom: Modale werkwoorden gebruiken in de spreektaal altijd de Präteritum, niet het perfectum.

Oefentips

  1. Leer de zes Präteritum-vormen van de modale werkwoorden naast de tegenwoordige tijd.
  2. Beschrijf een situatie in het verleden met modale werkwoorden: "Ich konnte/musste/wollte..."
  3. Let erop dat de infinitief aan het einde blijft staan.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Verleden tijd: sein, haben in het DuitsB1

Meer B1-concepten

Wil je Verleden tijd: modale werkwoorden in het Duits en meer Duits-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen