A1

Veelvoorkomende voorzetsels in het Italiaans

Preposizioni Comuni

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

In het kort

De vier basisvoorzetsels a, di, da en in hebben elk meerdere functies. Voor een bestemming gebruik je meestal a bij een stad of vaste plek (a Roma, a scuola) en in bij een land of groot gebied (in Italia). Het Nederlandse van kan zowel di als da worden: di duidt vaak bezit, inhoud of herkomst als identiteit aan, terwijl da meestal een vertrekpunt of een persoon als bestemming aangeeft.

Overzicht

Een voorzetsel is een kort woord dat laat zien hoe woorden bij elkaar horen: bijvoorbeeld waar iemand is, waar iemand heen gaat, waar iets vandaan komt of van wie iets is. In het Italiaans kom je a, di, da en in voortdurend tegen. Ze staan voor een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of plaats), een naam of soms een werkwoord in de infinitief (de onverbogen vorm, zoals mangiare).

Dit onderwerp hoort bij niveau A1, omdat je deze vier woorden al nodig hebt voor heel gewone mededelingen: Vado a scuola, Sono di Utrecht, Vengo da Milano en Vivo in Italia. De basisregels zijn overzichtelijk, maar één Nederlandse vertaling is niet genoeg. Naar wordt bijvoorbeeld soms a en soms in; van kan di of da zijn; en Nederlands bij wordt bij een persoon vaak da.

Leer daarom niet alleen losse vertalingen, maar vaste combinaties en betekenispatronen. Begin met het eenvoudige onderscheid tussen steden en landen, tussen bezit en vertrek, en tussen een persoon en een gewone plek. Verderop staan verfijningen die je op A1 nog niet allemaal actief hoeft te beheersen.

Zo werkt het

De vier kernbetekenissen

Italiaans Nederlandse kernbetekenis Typisch gebruik
a naar, in, op, aan bestemming of verblijf bij steden en enkele vaste plekken: a Firenze, a casa
di van, uit bezit, inhoud, materiaal, onderwerp of herkomst als identiteit: il libro di Anna, sono di Bari
da van, uit, bij, door vertrekpunt, verblijf bij een persoon, handelende persoon of beginpunt in de tijd: da Napoli, da Luca
in in, naar landen, regio's, grote gebieden en diverse vaste plekken: in Italia, in ufficio

Dit zijn uitgangspunten, geen woord-voor-woordvertalingen. De keuze hangt af van de functie en vaak ook van de uitdrukking waarin het voorzetsel staat.

A: een punt, stad of vaste bestemming

Gebruik a vaak wanneer je een bestemming of locatie als een punt voorstelt:

  • voor steden en kleine eilanden die als plaatsnaam zonder lidwoord worden gebruikt: a Roma, a Capri;
  • in veel vaste combinaties: a casa (thuis/naar huis), a scuola (op/naar school), a letto (in/naar bed), al lavoro (op/naar het werk);
  • bij een tijdstip: a mezzogiorno (om twaalf uur), alle tre (om drie uur);
  • in enkele uitdrukkingen voor wijze of middel: a piedi (te voet), a mano (met de hand).

Bij steden maakt het Italiaans meestal geen verschil tussen zijn en gaan: Sono a Bologna betekent dat je in Bologna bent; Vado a Bologna dat je erheen gaat. Het werkwoord levert het verschil.

Let op het lidwoord in al lavoro en alla stazione. A versmelt met een bepaald lidwoord (het woord dat overeenkomt met de of het): a + il = al, a + la = alla. Bij a casa en a scuola staat in de gewone algemene betekenis juist geen lidwoord.

Di: bezit, inhoud, soort en identiteit

Di verbindt twee zaken inhoudelijk. Veelvoorkomende functies zijn:

  • bezit of relatie: la bicicletta di Paolo — de fiets van Paolo;
  • inhoud of hoeveelheid: un bicchiere di vino — een glas wijn; un chilo di mele — een kilo appels;
  • materiaal: un tavolo di legno — een houten tafel/een tafel van hout;
  • onderwerp: parlare di musica — over muziek praten;
  • kenmerk of soort: un corso di italiano — een cursus Italiaans;
  • herkomst als identiteit: Sono di Napoli — ik kom uit Napels/ik ben afkomstig uit Napels.

Voor een naam staat doorgaans geen lidwoord: il cane di Marta. Is er wel een bepaald lidwoord nodig, dan versmelten beide woorden: di + il = del, di + la = della, di + l' = dell'. Zo krijg je la porta della casa en il centro dell'isola.

Da: vertrekpunt en bij een persoon

Gebruik da wanneer iets van een bron of vertrekpunt weg beweegt:

  • Parto da Venezia. — Ik vertrek uit Venetië.
  • Il treno viene da Torino. — De trein komt uit Turijn.
  • Torno dal lavoro. — Ik kom terug van mijn werk.

Een bijzonder belangrijk patroon is da + persoon. Daarmee zeg je dat je bij iemand bent of naar iemand toe gaat:

  • Sono da Chiara. — Ik ben bij Chiara.
  • Vado da Chiara. — Ik ga naar Chiara.
  • Vado dal medico. — Ik ga naar de dokter.

Ook hier blijkt de Nederlandse vertaling misleidend: bij, naar en soms van kunnen allemaal met da overeenkomen. Denk niet aan het Nederlandse woord, maar aan het beeld: de genoemde persoon is het bezoekadres of de bron.

Met een lidwoord ontstaan vormen als dal (da + il), dalla (da + la) en dall' (da + l'): dal dentista, dalla stazione, dall'aeroporto.

In: landen, regio's en grotere gebieden

Gebruik in voor verblijf in of beweging naar veel geografische gebieden:

  • landen: in Italia, in Belgio, in Giappone;
  • regio's: in Toscana, in Lombardia;
  • werelddelen: in Europa, in Asia.

Net als bij a bepaalt het werkwoord of het om rust of beweging gaat: Vivo in Italia tegenover Vado in Italia. Het Nederlands gebruikt respectievelijk in en naar, maar het Italiaans houdt in beide zinnen in.

In komt daarnaast voor in vaste combinaties met gebouwen, werkplekken en vervoer: in banca, in ufficio, in centro, in macchina, in treno. Deze combinaties kun je het best als geheel leren. Er bestaat geen betrouwbare regel waarbij elk Nederlands in automatisch Italiaans in wordt.

Bij landen in het enkelvoud valt het lidwoord na in gewoonlijk weg: l'Italia maar in Italia. Sommige namen en specifieke omschrijvingen hebben wel een samengestelde vorm, bijvoorbeeld negli Stati Uniti en nel nord Italia. Nel is in + il; negli is in + gli.

Wanneer komt er een lidwoord bij?

De eenvoudige voorzetsels blijven los staan voor veel eigennamen en in vaste uitdrukkingen:

  • a Milano, di Sara, da Amsterdam, in Francia;
  • a casa, a scuola, in ufficio.

Als het volgende zelfstandig naamwoord een bepaald lidwoord nodig heeft, worden a, di, da en in met dat lidwoord samengevoegd. Je zegt dus niet a la stazione, maar alla stazione. De volledige reeks samengestelde voorzetsels is een eigen leeronderwerp; voor nu is het genoeg om veelvoorkomende vormen zoals al, alla, del, della, dal, dalla, nel en nella te herkennen.

Situatie Italiaans Waarom?
stad tegenover specifieke plek a Roma / alla stazione Een stad heeft geen lidwoord; een specifieke plek heeft hier la.
persoonsnaam tegenover functie di Marco / del professore Een persoonsnaam heeft geen lidwoord; il professore wel.
naam tegenover beroep da Giulia / dal medico Een naam heeft geen lidwoord; il medico wel.
land tegenover afgebakende plek in Italia / nel giardino Een landnaam verliest hier het lidwoord; de afgebakende tuin heeft il.

Voorbeelden in hun context

Italiaans Nederlands Toelichting
Vado a scuola ogni mattina. Ik ga elke ochtend naar school. Vaste combinatie met a, zonder lidwoord.
Marta abita a Perugia. Marta woont in Perugia. A bij een stad, ook zonder beweging.
Ci vediamo alla stazione. We zien elkaar op het station. A + la wordt alla.
Questo è il quaderno di Luca. Dit is het schrift van Luca. Di geeft bezit aan.
Vorrei un bicchiere di vino rosso. Ik wil graag een glas rode wijn. Di noemt de inhoud.
Parliamo di cinema italiano. We praten over Italiaanse films. Di noemt het gespreksonderwerp.
Sono di Rotterdam, ma vivo a Leida. Ik kom uit Rotterdam, maar ik woon in Leiden. Di voor herkomst als identiteit; a bij een stad.
Vengo da Milano con il treno delle otto. Ik kom uit Milaan met de trein van acht uur. Da geeft het vertrekpunt aan.
Stasera ceniamo da Paolo. Vanavond eten we bij Paolo. Da + persoon betekent bij iemand thuis of op diens plek.
Domani vado dal dentista. Morgen ga ik naar de tandarts. Da + il wordt dal.
Vivo in Italia da due anni. Ik woon al twee jaar in Italië. In bij een land; da bij een duur die nog voortduurt.
In estate andiamo in Toscana. In de zomer gaan we naar Toscane. In bij een seizoen en een regio.
Preferisci andare in treno o in macchina? Ga je liever met de trein of met de auto? Vaste combinaties voor vervoer.
Oggi resto a casa e lavoro in cucina. Vandaag blijf ik thuis en werk ik in de keuken. A casa is de algemene verblijfplaats; in cucina noemt de ruimte.
Il tavolo della cucina è di legno. De keukentafel is van hout. Della drukt relatie uit; di noemt materiaal.

Veelgemaakte fouten

Een stad behandelen als een land

  • Onjuist: Vivo in Roma.
  • Juist: Vivo a Roma.
  • Waarom: Bij een stad gebruik je normaal a; bij een land of regio meestal in: a Roma, maar in Italia.

Nederlandse van altijd met di vertalen

  • Onjuist: Vengo di Milano.
  • Juist: Vengo da Milano.
  • Waarom: Met venire en een werkelijk vertrekpunt gebruik je da. Voor herkomst als onderdeel van je identiteit kan wel di staan: Sono di Milano.

Naar een persoon gaan met a

  • Onjuist: Vado a Marco.
  • Juist: Vado da Marco.
  • Waarom: Voor bij of naar iemands huis, praktijk of werkplek gebruik je da + persoon. Dat geldt ook voor beroepen: dal medico, dal parrucchiere.

Het voorzetsel en lidwoord los schrijven

  • Onjuist: Andiamo a la stazione.
  • Juist: Andiamo alla stazione.
  • Waarom: A en het bepaalde lidwoord la versmelten verplicht tot alla. Hetzelfde gebeurt onder meer in del, dal en nel.

Overal een lidwoord toevoegen

  • Onjuist: Vado alla casa. wanneer je gewoon „ik ga naar huis” bedoelt.
  • Juist: Vado a casa.
  • Waarom: Veel algemene, vaste uitdrukkingen hebben geen lidwoord: a casa, a scuola, in ufficio. Alla casa kan alleen in een bijzondere context naar een specifiek genoemde woning verwijzen en klinkt niet als de gewone uitdrukking voor naar huis gaan.

Alleen op de Nederlandse vertaling afgaan

  • Onjuist: Vado a Italia omdat Nederlands naar Italië zegt.
  • Juist: Vado in Italia.
  • Waarom: Het Italiaanse voorzetsel wordt door het soort bestemming bepaald. Nederlands naar heeft dus niet één vaste Italiaanse tegenhanger.

Gebruiksnotities

Algemene plek of concrete, afgebakende plek

Het ontbreken of toevoegen van een lidwoord kan het perspectief veranderen. Sono a scuola betekent doorgaans dat iemand op school is als algemene activiteit of bestemming. Sono nella scuola legt de nadruk op het concrete gebouw: iemand bevindt zich in de school. Op dezelfde manier is a casa de gewone uitdrukking voor thuis, terwijl in casa eerder „in huis/binnenshuis” betekent.

Dat onderscheid is niet in elke situatie even scherp, maar het helpt wel om schijnbaar wisselende voorzetsels te begrijpen. Leer vaste basisvormen eerst; voeg een samengestelde vorm toe wanneer je echt een bepaalde, afgebakende plek bedoelt.

Steden en landen: sterk, maar niet absoluut

De beginnersregel a + stad, in + land/regio werkt in de meeste alledaagse situaties uitstekend. Toch bestaan er geografische namen die traditioneel anders worden behandeld, vooral eilandnamen en meervoudige landnamen. Zo hoor je a Cuba maar in Sicilia, en negli Stati Uniti heeft een lidwoord in de samengestelde vorm. Zulke gevallen kun je het beste samen met de plaatsnaam onthouden.

Vervoer: in, behalve enkele vaste vormen

Voor veel voertuigen gebruik je in: in autobus, in treno, in macchina, in aereo. Daartegenover staan vaste uitdrukkingen als a piedi en a cavallo. Met con kun je juist het concrete vervoermiddel benadrukken, bijvoorbeeld con la macchina di Paolo. Voor een beginner is het praktisch om de neutrale reisuitdrukkingen met in als vaste woordgroepen te leren.

Verder dan de basis

De volgende gebruiken kom je vaak tegen, maar je hoeft ze op A1 nog niet allemaal actief te beheersen.

Da voor een beginpunt in de tijd

Da geeft niet alleen een vertrekpunt in de ruimte aan, maar ook het begin van een situatie die nog voortduurt:

  • Studio italiano da gennaio. — Ik studeer sinds januari Italiaans.
  • Abitiamo qui da tre anni. — We wonen hier al drie jaar.

Het Nederlands kiest tussen sinds en al/gedurende, terwijl het Italiaans in beide gevallen da gebruikt. De tegenwoordige tijd blijft staan zolang de situatie nog bezig is.

Da voor functie of bestemming

Na een zelfstandig naamwoord kan da aangeven waarvoor iets bedoeld is:

  • una camera da letto — een slaapkamer;
  • gli occhiali da sole — een zonnebril;
  • una tazza da tè — een theekopje.

Vergelijk una tazza di tè (een kopje mét thee als inhoud) met una tazza da tè (een kopje bedoeld voor thee). Hetzelfde betekenisverschil zie je tussen un bicchiere di vino en un bicchiere da vino.

Da voor de uitvoerder in een lijdende zin

In een passieve of lijdende zin — een zin waarin centraal staat wat met iets gebeurt — kan da de uitvoerder noemen:

  • Il libro è scritto da Elena Ferrante. — Het boek is geschreven door Elena Ferrante.
  • La cena è preparata da mio padre. — Het avondeten wordt door mijn vader klaargemaakt.

Hier vertaalt da dus als door, niet als van of uit.

A en di voor een infinitief

Sommige werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden vragen een vast voorzetsel voor een infinitief. Dat voorzetsel moet je bij de uitdrukking leren:

  • Imparo a cucinare. — Ik leer koken.
  • Comincio a capire. — Ik begin het te begrijpen.
  • Cerco di dormire. — Ik probeer te slapen.
  • Ho bisogno di riposare. — Ik moet rusten/ik heb behoefte aan rust.

De keuze volgt hier niet uit richting of bezit. Het is een vaste grammaticale combinatie van het voorafgaande woord. Noteer daarom bijvoorbeeld cominciare a + infinitief en cercare di + infinitief als één geheel.

Kleine betekenisverschillen met materiaal en stijl

Voor materiaal is di de veilige basisvorm: una porta di legno. In beschrijvingen kan ook in voorkomen, vooral wanneer materiaal of uitvoering als eigenschap wordt benadrukt: una scultura in marmo. Beide zijn gangbaar, maar vaste combinaties en stijl bepalen vaak wat natuurlijker klinkt. Op A1 volstaat di voor eenvoudige materiaalaanduidingen.

Oefentips

  1. Maak een plaatskaart met twee kolommen. Schrijf links steden en vaste plekken met a (a Napoli, a casa, a scuola) en rechts landen, regio's en vervoermiddelen met in (in Spagna, in Puglia, in treno). Zeg bij elke plek zowel een zin met „zijn” als een zin met „gaan”.
  2. Oefen zinnen met het Nederlandse woord „van” in betekenisgroepen. Gebruik di voor bezit, inhoud en identiteit (il libro di Sara, una bottiglia d'acqua, sono di Delft) en da voor een werkelijk vertrekpunt (parto da Delft). Zo voorkom je dat één Nederlands woord automatisch één Italiaans woord oproept.
  3. Leer combinaties, niet alleen voorzetsels. Noteer op kaartjes hele woordgroepen zoals a casa, in ufficio, da mia sorella, parlare di en andare in treno. Voeg meteen de vorm met lidwoord toe als die gebruikelijk is: alla stazione, dal medico, nel giardino.

Verwante onderwerpen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Preposizioni Comuni in Italiaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Italiaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen