Rangtelwoorden in het Deens
Ordenstal
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Deense rangtelwoorden geven een plaats in een volgorde aan: første (eerste), anden/andet (tweede) en tredje (derde). Meestal staan ze in een bepaalde woordgroep met den, det of de, zoals den første dag en det tredje forsøg. Alleen ‘tweede’ past zich zichtbaar aan het grammaticale geslacht of het meervoud aan: anden, andet, andre.
Overzicht
Een hoofdtelwoord zegt hoeveel er zijn: en, to, tre (één, twee, drie). Een rangtelwoord zegt op welke plaats iets staat: første, anden, tredje (eerste, tweede, derde). Je hebt rangtelwoorden nodig voor datums, verdiepingen, wedstrijden, hoofdstukken, pogingen en elke andere reeks met een vaste volgorde.
Dit onderwerp hoort bij niveau A1, omdat vormen als første en anden al snel in alledaagse gesprekken voorkomen. De basis is overzichtelijk: leer eerst de vormen tot en met twintig en herken de combinatie den/det/de + rangtelwoord + zelfstandig naamwoord. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, ding of begrip, zoals dag (dag), forsøg (poging) of plads (plaats).
Voor Nederlandstaligen voelt veel vertrouwd: første dag lijkt qua functie op ‘eerste dag’. Toch zijn er belangrijke verschillen. Het Deens gebruikt in een bepaalde woordgroep vaak een los lidwoord én een naamwoord zonder de achtervoeging voor bepaaldheid: den første dag, niet alsof je letterlijk ‘de eerste de-dag’ zou bouwen. Ook is anden/andet/andre zowel het rangtelwoord ‘tweede’ als, in andere contexten, ‘ander/andere’.
Hoe het werkt
De belangrijkste vormen
De eerste vier vormen moet je als afzonderlijke woorden leren. Vanaf femte zijn veel vormen herkenbaar aan -te of -ende, maar de precieze vorm is niet altijd voorspelbaar uit het hoofdtelwoord.
| Cijfer | Deens rangtelwoord | Nederlands |
|---|---|---|
| 1. | første | eerste |
| 2. | anden / andet / andre | tweede |
| 3. | tredje | derde |
| 4. | fjerde | vierde |
| 5. | femte | vijfde |
| 6. | sjette | zesde |
| 7. | syvende | zevende |
| 8. | ottende | achtste |
| 9. | niende | negende |
| 10. | tiende | tiende |
| 11. | ellevte | elfde |
| 12. | tolvte | twaalfde |
| 13. | trettende | dertiende |
| 14. | fjortende | veertiende |
| 15. | femtende | vijftiende |
| 16. | sekstende | zestiende |
| 17. | syttende | zeventiende |
| 18. | attende | achttiende |
| 19. | nittende | negentiende |
| 20. | tyvende | twintigste |
Samengestelde rangtelwoorden worden aaneengeschreven. Net als bij Deense hoofdtelwoorden komt de eenheid vóór het tiental: enogtyvende (eenentwintigste), toogtyvende (tweeëntwintigste) en treogtyvende (drieëntwintigste). Het voegwoord og betekent hier ‘en’.
Den, det of de
Een Deens zelfstandig naamwoord is meestal een en-woord of een et-woord. Dat heet grammaticaal geslacht: een woordklasse die bepaalt welke vorm van het lidwoord en sommige beschrijvende woorden je gebruikt. Bij een bepaald rangtelwoord staat doorgaans:
| Soort naamwoord | Patroon | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|---|
| en-woord, enkelvoud | den + rangtelwoord + naamwoord | den første dag | de eerste dag |
| et-woord, enkelvoud | det + rangtelwoord + naamwoord | det tredje forsøg | de derde poging |
| meervoud | de + rangtelwoord + naamwoord | de første dage | de eerste dagen |
Let op de vorm van het naamwoord. Dag heeft als losse bepaalde vorm dagen (de dag), maar na een rangtelwoord krijg je den første dag, niet den første dagen. Dit patroon komt doordat het rangtelwoord vóór het naamwoord staat.
Waarom anden, andet en andre?
De meeste rangtelwoorden veranderen niet tussen en-woorden, et-woorden en meervoud: den første dag, det første år, de første dage. Het woord voor ‘tweede’ vormt de belangrijke uitzondering.
| Context | Vorm | Voorbeeld | Nederlands |
|---|---|---|---|
| en-woord | anden | den anden etage | de tweede verdieping |
| et-woord | andet | det andet kapitel | het tweede hoofdstuk |
| meervoud | andre | de andre forsøg | de andere/volgende pogingen |
Bij andre beslist de context vaak of ‘andere’ dan wel een verwijzing naar de tweede groep bedoeld is. In een gewone genummerde reeks gebruikt het Deens meestal een explicieter rangtelwoord of nummer als dubbelzinnigheid mogelijk is.
Vergelijk ook en anden dag. Dat betekent normaal een andere dag, niet ‘een tweede dag’ als vaste positie in een reeks. Voor ‘de tweede dag’ zeg je den anden dag. De Nederlandse overeenkomst tussen ‘ander’ en Deens anden helpt dus bij het onthouden, maar kan ook misleiden.
Zonder lidwoord in vaste combinaties
Hoewel den/det/de het basispatroon is, verdwijnt het lidwoord vaak in vaste verbindingen en na bepaalde voorzetsels. Een voorzetsel is een kort woord dat een relatie aangeeft, zoals på (op), i (in) of for (voor).
Veelvoorkomende combinaties zijn:
- på første sal — op de eerste verdieping
- i første klasse — in de eerste klas
- for første gang — voor de eerste keer
- på andenpladsen — op de tweede plaats
- første januar — één januari, in een beknopte datumvermelding
Leer zulke uitdrukkingen bij voorkeur als geheel. Voeg niet automatisch den toe alleen omdat het Nederlands ‘de’ gebruikt.
Datums
In geschreven datums maakt een punt na het cijfer duidelijk dat het om een rangtelwoord gaat: 1. maj, 5. juni, 21. december. Bij het uitspreken gebruik je het rangtelwoord:
- den 1. maj → den første maj
- den 5. juni → den femte juni
- den 21. december → den enogtyvende december
De maandnaam krijgt in het Deens geen hoofdletter, behalve natuurlijk aan het begin van een zin. Anders dan in het Nederlands is de vorm met den heel gewoon wanneer je een volledige datum noemt: Det er den første maj (Het is één mei).
Verdiepingen en volgorde
Met sal gebruikt het Deens vaak på + rangtelwoord + sal: på fjerde sal. De begane grond heet stueetagen; første sal is dus de verdieping daarboven. Dat sluit doorgaans aan bij Nederlands gebruik van ‘eerste verdieping’, maar niet bij landen waar ‘first floor’ de begane grond kan betekenen.
Voor een positie in een wedstrijd of lijst zijn førstepladsen, andenpladsen en tredjepladsen gangbare samenstellingen. De woorden worden aaneengeschreven.
Voorbeelden in context
| Deens | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Det er den første maj. | Het is één mei. | Datum met den første. |
| Hun kom på andenpladsen. | Zij eindigde op de tweede plaats. | Vaste samenstelling. |
| Det tredje forsøg lykkedes. | De derde poging lukte. | Forsøg is een et-woord. |
| Jeg bor på fjerde sal. | Ik woon op de vierde verdieping. | Na på geen lidwoord. |
| Vi mødes den femte juni. | We spreken af op vijf juni. | Rangtelwoord als datum. |
| Han læser det sjette kapitel. | Hij leest het zesde hoofdstuk. | Kapitel is een et-woord. |
| Bussen kommer for tredje gang i dag. | De bus komt vandaag voor de derde keer. | Vaste combinatie for ... gang. |
| De første dage var travle. | De eerste dagen waren druk. | Meervoud met de. |
| Tag den anden dør til venstre. | Neem de tweede deur links. | Dør is een en-woord. |
| Dette er mit andet forsøg. | Dit is mijn tweede poging. | Andet bij het et-woord forsøg. |
| Hun går i første klasse. | Zij zit in de eerste klas. | Vaste combinatie zonder den. |
| Den enogtyvende december er årets korteste dag. | Eenentwintig december is de kortste dag van het jaar. | Samengesteld rangtelwoord. |
Veelgemaakte fouten
1. Anden gebruiken bij een et-woord
- Onjuist: det anden forsøg
- Juist: det andet forsøg
- Waarom: Forsøg is een et-woord. Daarom hoort hier de onzijdige vorm andet. Bij een en-woord gebruik je anden: den anden dag.
2. De bepaalde uitgang aan het naamwoord laten staan
- Onjuist: den første dagen
- Juist: den første dag
- Waarom: In de woordgroep den + rangtelwoord + naamwoord staat de bepaaldheid al vóór het naamwoord. Gebruik daarom dag, niet de losse bepaalde vorm dagen.
3. Een Nederlands lidwoord woord voor woord overnemen
- Onjuist: Jeg bor på den fjerde sal. als neutrale mededeling over waar je woont
- Gebruikelijk: Jeg bor på fjerde sal.
- Waarom: Bij een verdiepingsaanduiding na på is de vorm zonder lidwoord de normale vaste combinatie. Den fjerde sal kan wel als een specifiek afgebakende vierde verdieping bedoeld is, maar is niet de standaardformulering van een adres.
4. En anden verwarren met den anden
- Onjuist voor ‘de tweede dag’: en anden dag
- Juist: den anden dag
- Waarom: En anden dag betekent meestal ‘een andere dag’. Een vaste tweede positie krijgt de bepaalde vorm den anden.
5. De punt in een cijferdatum vergeten
- Minder duidelijk: Vi mødes 5 juni.
- Juist: Vi mødes 5. juni.
- Waarom: De punt markeert het cijfer als rangtelwoord: ‘de vijfde’. Ook na een getal boven twintig blijft die punt staan: 21. december.
6. Samengestelde vormen los schrijven
- Onjuist: den en og tyvende december
- Juist: den enogtyvende december
- Waarom: Samengestelde Deense telwoorden en rangtelwoorden worden als één woord geschreven.
Gebruiksnotities
In lopende tekst worden lage rangtelwoorden vaak voluit geschreven, vooral in eenvoudige zinnen. In roosters, adressen, lijsten en datums zijn cijfers met een punt juist zeer gebruikelijk: 3. sal, 2. plads en 14. februar. Bij het voorlezen verandert 3. in tredje en 14. in fjortende.
Het verschil tussen sal en etage is vooral een kwestie van context. Sal hoor je veel bij de ligging binnen een gebouw: på tredje sal. Etage kan eveneens een bouwlaag aanduiden: den anden etage. Volg bij adressen en bewegwijzering de formulering die ter plaatse wordt gebruikt.
De woorden først en første zijn niet uitwisselbaar. Første is een rangtelwoord vóór of bij een naamwoord: den første dag. Først is meestal een bijwoord, een woord dat vertelt wanneer of hoe iets gebeurt: Jeg spiser først (Ik eet eerst). Nederlands gebruikt in beide gevallen vormen rond ‘eerst’, waardoor deze tegenstelling extra aandacht verdient.
Verder dan de basis
De volgende toepassingen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later wel tegenkomen.
Opsommingen en argumenten
Om argumenten te ordenen gebruikt het Deens for det første, for det andet en for det tredje: ‘ten eerste’, ‘ten tweede’ en ‘ten derde’. Hier staat andet omdat het vaste voornaamwoord det onzijdig is.
Vorsten en pausen
Bij namen van vorsten staat een rangtelwoord met een bepaald lidwoord: Frederik den Tiende (Frederik de Tiende). In geschreven historische teksten kan ook een Romeins cijfer voorkomen, maar de vorm wordt als rangtelwoord uitgesproken.
Eeuwen en hoge getallen
Een eeuw wordt genoemd naar het nummer van de honderdjarige periode: det enogtyvende århundrede is de eenentwintigste eeuw. Hoge Deense rangtelwoorden kunnen lang worden. Voor dagelijks gebruik is het belangrijker dat je cijfers met een punt herkent en correct kunt uitspreken dan dat je elke zeldzame hoge vorm uit het hoofd leert.
De ronde tientallen hebben eigen vormen, waaronder tredivte (dertigste) en fyrretyvende (veertigste). Bij de traditionele Deense vormen vanaf vijftig worden de woorden nog langer. In praktische teksten kiest men daarom vaak voor 50., 60. enzovoort. De uitspraak blijft een rangtelwoord, ook als alleen het cijfer zichtbaar is.
Ander versus tweede
Historisch en grammaticaal liggen ‘ander’ en ‘tweede’ dicht bij elkaar, zoals ook in ouder Nederlands. In modern Deens kan anden/andet/andre daarom afhankelijk van de constructie ‘tweede’, ‘ander’ of ‘andere’ betekenen:
- den anden bog — het tweede boek, of het andere boek als er twee besproken worden
- en anden bog — een ander boek
- hver anden dag — om de dag
De situatie maakt meestal duidelijk welke betekenis bedoeld is. Waar dat niet zo is, kan een spreker de reeks of tegenstelling explicieter maken.
Oefentips
- Werk in kleine reeksen. Zeg elke dag de rangtelwoorden 1–10 hardop en voeg daarna 11–20 toe. Koppel elk woord aan een concrete reeks: deuren, hoofdstukken of plaatsen in een uitslag.
- Oefen het geslacht met drie vaste paren. Herhaal den anden dag, det andet forsøg en de andre dage. Zo leer je anden–andet–andre als patroon in plaats van als losse uitzondering.
- Lees datums hardop. Schrijf vijf afspraken als 5. juni en 21. december en lees de cijfers vervolgens als femte en enogtyvende. Noteer ook verdiepingen met på første sal, på anden sal en på tredje sal.
Verwante onderwerpen
- Voorkennis: Getallen en tijd — hoofdtelwoorden, kloktijden, dagen en maanden vormen de basis voor rangtelwoorden en datums.