A1

Aanwijzende voornaamwoorden in het Deens

Pegende Stedord

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

In het kort

Kies denne bij een enkelvoudig en-woord, dette bij een enkelvoudig et-woord en disse bij meervoud: denne bog, dette hus, disse biler. Voor „die/dat” staan daar den, det en de tegenover. In alledaagse spreektaal hoor je voor „deze/dit” bovendien vaak den her, det her en de her.

Overzicht

Met een aanwijzend voornaamwoord wijs je een persoon, voorwerp of idee aan: „deze jas”, „dit huis”, „die kinderen” of „dat begrijp ik niet”. In het Deens heet zo'n woord een pegende stedord. Je hebt deze vormen al op A1-niveau nodig, bijvoorbeeld wanneer je iets kiest in een winkel, naar een foto verwijst of vraagt: Hvad er dette? („Wat is dit?”).

De vorm past zich aan het grammaticale geslacht aan: de woordklasse die bepaalt welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort. Deens heeft en-woorden en et-woorden. In het meervoud vervalt dat verschil. Daarom krijg je drie vormen voor dichtbij of centraal — denne, dette, disse — en drie overeenkomstige vormen voor verder weg of al genoemd — den, det, de.

Voor Nederlandstaligen lijkt dat vertrouwd: ook Nederlands onderscheidt „deze” van „dit” en „die” van „dat”. Toch kun je niet op het Nederlandse lidwoord vertrouwen. „Boek” is een het-woord, maar Deens zegt en bog en dus denne bog. Leer elk nieuw Deens zelfstandig naamwoord daarom meteen met en of et.

Hoe het werkt

De zes basisvormen

Bedoelde betekenis Enkelvoudig en-woord Enkelvoudig et-woord Meervoud
deze / dit denne dette disse
die / dat den det de

De tegenstelling tussen dichtbij en verder weg is een bruikbare beginnersregel, geen harde afstandsmeting. Denne/dette/disse kunnen iets aanduiden dat letterlijk dichtbij is, maar ook iets dat nu centraal staat. Den/det/de kunnen naar iets verder weg wijzen, naar iets uit een verhaal terugverwijzen of twee mogelijkheden van elkaar onderscheiden.

Eerst het Deense zelfstandig naamwoord bepalen

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor bijvoorbeeld een mens, ding, plaats of begrip. Vraag eerst of het Deense woord enkelvoud of meervoud is. Bij enkelvoud moet je bovendien weten of het met en of et wordt geleerd.

Basisvorm Categorie Dichtbij of centraal Verder weg of onderscheiden
en bog en-woord denne bog den bog
en jakke en-woord denne jakke den jakke
et hus et-woord dette hus det hus
et spørgsmål et-woord dette spørgsmål det spørgsmål
bøger meervoud disse bøger de bøger
huse meervoud disse huse de huse

Juist bij woorden als bog en spørgsmål ligt een Nederlandse fout voor de hand. Nederlands heeft „het boek” maar Deens en bog; Nederlands heeft „de vraag” maar Deens et spørgsmål. De Deense indeling is beslissend.

Geen bepaalde uitgang aan het zelfstandig naamwoord

Deens maakt een zelfstandig naamwoord vaak bepaald met een uitgang: bog wordt bogen („het boek”), hus wordt huset („het huis”) en biler wordt bilerne („de auto's”). Na een aanwijzend woord gebruik je echter de vorm zonder die bepaalde uitgang.

Gewone bepaalde vorm Met aanwijzend woord Onjuiste dubbele markering
bogen denne bog denne bogen
huset dette hus dette huset
bilerne disse biler disse bilerne

Het aanwijzende woord maakt de verwijzing al specifiek. Anders dan in het Nederlands komt er ook geen apart lidwoord tussen: denne bog is letterlijk de volledige naamwoordgroep voor „dit boek”.

Met een bijvoeglijk naamwoord

Een bijvoeglijk naamwoord noemt een eigenschap, zoals „rood”, „oud” of „nieuw”. Tussen een aanwijzend woord en een zelfstandig naamwoord staat het doorgaans in de bepaalde vorm, meestal herkenbaar aan -e.

Zonder eigenschap Met eigenschap Betekenis
denne bil denne røde bil deze rode auto
dette hus dette gamle hus dit oude huis
disse bøger disse nye bøger deze nieuwe boeken
den kop den lille kop die kleine kop

Ook hier blijft het zelfstandig naamwoord zelf zonder bepaalde uitgang: denne røde bil, niet denne røde bilen. De volledige verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden hoef je voor deze basisregel nog niet te beheersen.

Zelfstandig gebruikt: zonder naamwoord erachter

De vormen kunnen alleen staan wanneer uit de situatie duidelijk is waarnaar ze verwijzen:

  • Hvad er dette? — Wat is dit?
  • Den er dyr. — Die is duur.
  • Det er mit. — Dat is van mij.
  • De er nye. — Die zijn nieuw.

Bij den en det kan het geslacht van een eerder genoemd woord nog steeds meetellen: over en jakke zeg je Den er dyr, over et ur Det er dyrt. Maar det verwijst ook heel vaak naar een hele gebeurtenis, uitspraak of situatie. In Det forstår jeg ikke („Dat begrijp ik niet”) hoort det dus niet bij één bepaald et-woord.

De gewone spreektaal: her en der

In gesprekken gebruiken Denen vaak den/det/de + her voor dichtbij en den/det/de + der voor verder weg. Deze vormen zijn normaal, niet slordig.

Betekenis En-woord Et-woord Meervoud
deze / dit hier den her det her de her
die / dat daar den der det der de der

Je hoort dus den her jakke, det her brød en de her sko. In verzorgde schrijftaal staan vaker denne jakke, dette brød en disse sko. Voor iets verder weg zijn den der jakke, det der hus en de der børn vaak duidelijker dan alleen den, det, de.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Opmerking
Denne bog er spændende. Dit boek is spannend. Bog is een en-woord.
Dette hus er gammelt. Dit huis is oud. Hus is een et-woord.
Disse æbler er friske. Deze appels zijn vers. In het meervoud gebruik je disse.
Den bil er for dyr. Die auto is te duur. Verder weg of onderscheiden van een andere auto.
Det spørgsmål er vigtigt. Die vraag is belangrijk. Spørgsmål is een et-woord.
De biler tilhører hotellet. Die auto's zijn van het hotel. Meervoud van de rij den/det/de.
Hvad er dette? Wat is dit? Dette staat zelfstandig.
Det ved jeg ikke. Dat weet ik niet. Det verwijst naar wat net is gezegd.
Kan jeg prøve den her jakke? Kan ik deze jas passen? Zeer gewoon in een winkel.
Jeg tager det her tog. Ik neem deze trein. Tog is een et-woord.
De her sko passer godt. Deze schoenen zitten goed. Alledaagse meervoudsvorm.
Se på det der hus! Kijk naar dat huis daar! Der maakt de afstand expliciet.
I denne uge arbejder jeg hjemme. Deze week werk ik thuis. Veelvoorkomende tijdsaanduiding.
På dette tidspunkt var butikken lukket. Op dat tijdstip was de winkel gesloten. Formeler, vooral in geschreven taal.
Disse regler gælder for alle. Deze regels gelden voor iedereen. Natuurlijke formulering in uitleg of voorschriften.

Veelgemaakte fouten

Het Nederlandse woordgeslacht volgen

  • Fout: dette bog
  • Goed: denne bog
  • Waarom: Het Nederlandse „boek” is een het-woord, maar het Deense woord is en bog. Daarom hoort er denne bij.

De bepaaldheid dubbel uitdrukken

  • Fout: denne bogen en disse bilerne
  • Goed: denne bog en disse biler
  • Waarom: Denne en disse maken de groep al bepaald. De uitgangen van bogen en bilerne blijven daarom weg.

Denne of dette bij meervoud zetten

  • Fout: denne biler
  • Goed: disse biler
  • Waarom: Voor alle meervoudige zelfstandige naamwoorden gebruik je disse voor „deze” en de voor „die”, ongeacht hun geslacht in het enkelvoud.

Den, det en de altijd letterlijk als „die/dat” vertalen

  • Misleidende aanname: den gamle mand moet altijd „die oude man” betekenen.
  • Beter: Het kan ook gewoon „de oude man” betekenen.
  • Waarom: Den/det/de maken deel uit van de gewone Deense bepaalde constructie vóór een bijvoeglijk naamwoord. Alleen context of nadruk maakt de aanwijzende lezing duidelijk.

Dette gebruiken waar neutraal det natuurlijker is

  • Minder natuurlijk als gewone reactie: Dette er godt.
  • Meestal natuurlijker: Det er godt.
  • Waarom: Voor een algemene reactie op een situatie is det de normale keuze. Dette wijst nadrukkelijker naar iets dat wordt gepresenteerd en komt relatief vaak in geschreven uitleg voor.

Spreektaalvormen vermijden omdat ze informeel lijken

  • Correct maar verzorgd: Jeg vil købe denne taske.
  • Heel gewoon in gesprek: Jeg vil købe den her taske.
  • Waarom: Den her/det her/de her zijn normale Deense spreektaal. Ze herkennen en gebruiken helpt meer dan uitsluitend de schrijftaalvormen leren.

Gebruiksnotities

Denne, dette en disse passen goed in artikelen, handleidingen, berichten en formele uitleg: i denne artikel („in dit artikel”), i dette tilfælde („in dit geval”), disse oplysninger („deze gegevens”). In een spontaan gesprek klinkt den her, det her of de her vaak losser en natuurlijker.

Afstand is niet alleen ruimtelijk. Denne uge is de huidige week; den dag kan een eerder genoemde dag in een verhaal zijn. Met der kan een spreker ook figuurlijke afstand scheppen. Det der problem kan neutraal „dat probleem” betekenen, maar door intonatie ook ergernis of afkeuring laten horen. Hetzelfde gebeurt in het Nederlands bij „dat gedoe” of nadrukkelijk „die daar”.

Let bij luisteren extra op de uitspraak. De geschreven vormen blijven belangrijk om te herkennen, maar korte functiewoorden zoals det, den, her en der krijgen in vloeiende spraak vaak weinig nadruk. Leer daarom hele combinaties uit echte zinnen in plaats van uitsluitend losse woorden.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

De volgende nuances hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze verklaren vormen die je al vroeg tegenkomt.

Aanwijzend woord of bepaald lidwoord?

In den røde bil kan den aanwijzend zijn („die rode auto”), maar de groep kan ook eenvoudig „de rode auto” betekenen. Dat komt doordat Deens vóór een bepaald bijvoeglijk naamwoord een los element den/det/de gebruikt:

  • bilen — de auto
  • den røde bil — de rode auto
  • huset — het huis
  • det gamle hus — het oude huis
  • bøgerne — de boeken
  • de nye bøger — de nieuwe boeken

De vorm alleen vertelt dus niet altijd of er sterke aanwijzende nadruk is. In gesproken taal kan den dér røde bil („díé rode auto”) door der en de klemtoon veel duidelijker aanwijzend worden.

Det als verwijzing naar een hele gedachte

Det is veel ruimer inzetbaar dan Nederlands „dat” bij één zelfstandig naamwoord. Het kan vooruit- of terugwijzen naar een hele zin:

  • Det er vigtigt at øve sig. — Het is belangrijk om te oefenen.
  • Hun kommer i morgen. Det er godt. — Ze komt morgen. Dat is fijn.
  • Det kan jeg ikke huske. — Dat kan ik me niet herinneren.

In zulke zinnen kies je det niet omdat een verborgen zelfstandig naamwoord onzijdig is. Het is een neutrale verwijzing naar informatie of een situatie.

Tekststructuur en stijl

In formele teksten kunnen denne/dette/disse een onderwerp vasthouden of naar het huidige document verwijzen: denne undersøgelse, dette afsnit, disse resultater. Wie voortdurend zulke vormen gebruikt in een informeel gesprek kan wat plechtig klinken. Omgekeerd passen den her en det der meestal minder goed in een formeel rapport, tenzij spreektaal wordt geciteerd.

Oefentips

  1. Leer in drietallen. Noteer bij elk nieuw woord het lidwoord en maak meteen een aanwijzende groep: en stol – denne stol, et bord – dette bord, borde – disse borde.
  2. Oefen met echte keuzes. Wijs thuis twee voorwerpen aan en zeg bijvoorbeeld den her kop en den der kop. Zo verbind je de vormen aan afstand en contrast, niet alleen aan een vertaallijst.
  3. Houd spreek- en schrijftaal naast elkaar. Maak paren als denne jakke – den her jakke en disse sko – de her sko. Let tijdens het luisteren vooral op de tweede vorm en tijdens het lezen op de eerste.

Gerelateerde concepten

Vereiste kennis

Geslacht van zelfstandige naamwoorden in het DeensA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Pegende Stedord in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen