A1
Hoofdtelwoorden in het Nederlands
Hoofdtelwoorden
Overzicht
Hoofdtelwoorden gebruik je om te tellen, hoeveelheden aan te geven en te rekenen. De Nederlandse getallen zijn regelmatig en logisch opgebouwd, maar er zijn een paar bijzonderheden bij grotere getallen die je bewust moet leren.
Hoe het werkt
0–20
| Getal | Nederlands |
|---|---|
| 0 | nul |
| 1 | één / een |
| 2 | twee |
| 3 | drie |
| 4 | vier |
| 5 | vijf |
| 6 | zes |
| 7 | zeven |
| 8 | acht |
| 9 | negen |
| 10 | tien |
| 11 | elf |
| 12 | twaalf |
| 13 | dertien |
| 14 | veertien |
| 15 | vijftien |
| 16 | zestien |
| 17 | zeventien |
| 18 | achttien |
| 19 | negentien |
| 20 | twintig |
21–100: eenheden vóór tientallen
In het Nederlands zeg je de eenheden vóór de tientallen, met en ertussen:
- 21 = eenentwintig (één-en-twintig)
- 35 = vijfendertig
- 99 = negenennegentig
Tientallen en grotere getallen
| Getal | Nederlands |
|---|---|
| 30 | dertig |
| 40 | veertig |
| 50 | vijftig |
| 60 | zestig |
| 70 | zeventig |
| 80 | tachtig |
| 90 | negentig |
| 100 | honderd |
| 1000 | duizend |
| 1.000.000 | een miljoen |
Voorbeelden in context
| Nederlands | Vertaling | Opmerking |
|---|---|---|
| Ik heb drie katten. | I have three cats. | Hoeveelheid |
| De trein vertrekt om zeventien uur. | The train departs at 17:00. | Tijdsaanduiding |
| Het kost vijfenveertig euro. | It costs forty-five euros. | Prijs |
| Ze is tweeëntwintig jaar oud. | She is twenty-two years old. | Leeftijd |
| Er zijn honderd studenten. | There are a hundred students. | Grote hoeveelheid |
| Ik woon op nummer achtentachtig. | I live at number eighty-eight. | Huisnummer |
| Hij is geboren in negentienhonderdnegentig. | He was born in 1990. | Jaar |
Veelgemaakte fouten
| Fout | Correct | Waarom |
|---|---|---|
| tweeentwintig | tweeëntwintig | Trema op de tweede e om twee klinkers te scheiden. |
| twintig twee | tweeëntwintig | Eenheden vóór tientallen, met en ertussen. |
| één als lidwoord | een (onbeklemtoond) | Één = getal; een = lidwoord. |
Oefentips
- Hardop tellen. Tel dagelijks van 1 tot 100, in stappen van 5.
- Prijzen lezen. Lees prijzen hardop als je in een winkel bent of een menu ziet.
- Telefoonnummers. Oefen het getal systeem met Nederlandse telefoonnummers: zeg elk cijfer of elk paar.
Verwante concepten
- Volgende stappen: Tijd en Datum — logische vervolgstap
Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Persoonlijke Voornaamwoorden (Onderwerp) in het NederlandsPersoonlijke Voornaamwoorden (Onderwerp)Het Werkwoord Zijn in het NederlandsHet Werkwoord ZijnHet Werkwoord Hebben in het NederlandsHet Werkwoord HebbenDe- en Het-woorden in het NederlandsDe- en Het-woordenOnbepaald Lidwoord in het NederlandsOnbepaald Lidwoord
Wil je Hoofdtelwoorden in het Nederlands en meer Nederlands-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.
Gratis beginnen