A1

Faire in het Frans

Le Verbe Faire

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

In het kort

Faire betekent vaak ‘doen’ of ‘maken’, maar het komt ook voor in veel vaste uitdrukkingen: faire du sport (sporten), faire la cuisine (koken) en il fait beau (het is mooi weer). In de tegenwoordige tijd zijn de vormen je fais, tu fais, il/elle/on fait, nous faisons, vous faites, ils/elles font. Leer die vormen als één geheel, want faire is onregelmatig.

Overzicht

Faire is een van de meest gebruikte Franse werkwoorden. Je gebruikt het voor een handeling (faire ses devoirs), voor het maken of bereiden van iets (faire un gâteau) en in allerlei uitdrukkingen die in het Nederlands vaak met een heel ander werkwoord worden vertaald. Daardoor is een woord-voor-woordvertaling niet altijd verstandig.

Dit werkwoord hoort bij de basis van niveau A1. De infinitief (de onvervoegde vorm) is faire. Hoewel die vorm op -re eindigt, volgt het werkwoord geen eenvoudig regelmatig patroon. Vooral nous faisons en ils font moet je bewust onthouden.

Voor Nederlandstaligen is het nuttig om faire niet alleen aan ‘doen’ en ‘maken’ te koppelen. Frans zegt bijvoorbeeld letterlijk faire du vélo, terwijl natuurlijk Nederlands ‘fietsen’ gebruikt. Andersom kan Nederlands ‘doen’ soms juist niet met faire worden vertaald: ‘Hoe gaat het?’ is Comment ça va ?, niet een zin met faire.

Hoe het werkt

De tegenwoordige tijd

Het onderwerp is degene die de handeling uitvoert. Bij elk onderwerp hoort een eigen vorm van faire.

Persoon Vorm Nederlandse betekenis
je je fais ik doe / ik maak
tu tu fais jij doet / jij maakt
il / elle / on il / elle / on fait hij / zij / men doet of maakt; we doen of maken
nous nous faisons wij doen / wij maken
vous vous faites u doet / maakt; jullie doen / maken
ils / elles ils / elles font zij doen / maken

De spelling helpt maar gedeeltelijk bij de uitspraak. Je fais, tu fais en il fait klinken in verzorgd standaardfrans hetzelfde. De slotmedeklinkers spreek je daar niet uit. In nous faisons klinkt het middendeel als een stemhebbende z. Vous faites heeft één lettergreep, en ils font eindigt op een nasale klinker; de geschreven -nt hoor je niet.

Franse onderwerpvoornaamwoorden worden, anders dan vaak in andere Romaanse talen, normaal niet weggelaten. Zeg dus je fais, niet alleen fais. Voor een klinker wordt je afgekort tot j', maar faire begint met een medeklinker: altijd je fais.

Vragen en ontkenningen

Een eenvoudige spreektaalvraag ontstaat door alleen de intonatie te laten stijgen:

  • Tu fais quoi ce soir ? — Wat doe je vanavond?
  • Vous faites du sport ? — Sport u? / Sporten jullie?

Neutraal en zeer gangbaar is qu'est-ce que:

  • Qu'est-ce que tu fais ? — Wat doe je?
  • Qu'est-ce qu'il fait ? — Wat doet hij?

In formeler taalgebruik kan inversie worden gebruikt, waarbij werkwoord en voornaamwoord van plaats wisselen: Que faites-vous ? (Wat doet u?). Bij een ontkenning staat ne ... pas om de vervoegde vorm: Je ne fais pas de sport aujourd'hui. In alledaagse spreektaal valt ne vaak weg (Je fais pas ça), maar als beginner kun je in verzorgde taal beter de volledige ontkenning gebruiken.

Doen, maken en vaste combinaties

De precieze vertaling hangt af van wat na faire komt.

Patroon Voorbeeld Betekenis
faire + zelfstandig naamwoord faire un gâteau een taart maken
faire + bezittelijk woord faire mes devoirs mijn huiswerk maken
faire du / de la / de l' / des + activiteit faire du tennis tennissen
faire + huishoudelijke taak faire la vaisselle afwassen
il fait + weerwoord il fait froid het is koud
faire + hoeveelheid of maat Ça fait dix euros. Dat is/kost tien euro.

Bij activiteiten zie je vaak het delend lidwoord: du voor mannelijk enkelvoud, de la voor vrouwelijk enkelvoud en de l' voor een klinker of stomme h. Voorbeelden zijn faire du sport, faire de la natation en faire de l'escalade. Na een ontkenning wordt dit meestal de: Je ne fais pas de sport.

Niet elke Nederlandse combinatie met ‘maken’ gebruikt in het Frans faire. ‘Een beslissing nemen’ is prendre une décision en ‘een fout maken’ is gewoonlijk faire une erreur. Leer daarom liever hele woordgroepen dan losse vertalingen.

Het weer met il fait

In weerzinnen is il een onpersoonlijk onderwerp: het verwijst niet naar een man of voorwerp. Vergelijk het Nederlandse ‘het’ in ‘het is koud’.

  • Il fait beau. — Het is mooi weer.
  • Il fait mauvais. — Het is slecht weer.
  • Il fait chaud. — Het is warm.
  • Il fait froid. — Het is koud.
  • Il fait vingt degrés. — Het is twintig graden.

Gebruik niet voor elk weertype faire. ‘Het regent’ is Il pleut en ‘het sneeuwt’ is Il neige. Bij een toestand van de lucht gebruikt men vaak il y a: Il y a du vent (het waait / er is wind).

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Toelichting
Qu'est-ce que tu fais ? Wat ben je aan het doen? Gewone vraag naar een handeling.
Je fais du sport trois fois par semaine. Ik sport drie keer per week. Het Nederlands gebruikt één werkwoord.
Nous faisons la cuisine ce soir. We koken vanavond. Ook mogelijk: we maken vanavond eten.
Vous faites quoi dans la vie ? Wat doet u voor werk? Informele formulering met quoi achteraan.
Elle fait ses devoirs après le dîner. Ze maakt haar huiswerk na het avondeten. Ses verwijst naar haar eigen huiswerk.
On fait une promenade après le déjeuner ? Zullen we na de lunch een wandeling maken? On betekent hier informeel ‘we’.
Ils font du vélo le dimanche. Ze fietsen op zondag. Activiteit met du.
Je ne fais pas de tennis en hiver. Ik tennis niet in de winter. Na de ontkenning staat de.
Mon frère fait un gâteau pour mon anniversaire. Mijn broer maakt een taart voor mijn verjaardag. Letterlijk iets maken of bereiden.
Tu fais souvent la vaisselle ? Was jij vaak af? Vaste combinatie voor een huishoudelijke taak.
Il fait beau aujourd'hui. Het is vandaag mooi weer. Onpersoonlijke weerzin.
Il fait quinze degrés ce matin. Het is vanochtend vijftien graden. Temperatuur met faire.
Cette table fait deux mètres de long. Deze tafel is twee meter lang. Faire drukt hier een maat uit.
Ça fait combien ? Hoeveel is dat? Bijvoorbeeld bij het afrekenen.

Veelgemaakte fouten

Een regelmatige uitgang gebruiken

  • Fout: Nous faissons du sport.
  • Goed: Nous faisons du sport.
  • Waarom: Faire is onregelmatig. Bij nous is de vorm faisons, met één s vóór -ons. Leer de hele vorm als één geheel.

De meervoudsvorm verkeerd vormen

  • Fout: Ils faisent la cuisine.
  • Goed: Ils font la cuisine.
  • Waarom: De vorm bij ils en elles is font, niet een vorm die je uit fais- plus een gewone uitgang kunt afleiden.

Être gebruiken voor het weer

  • Fout: Il est beau aujourd'hui. (als je het weer bedoelt)
  • Goed: Il fait beau aujourd'hui.
  • Waarom: Voor algemeen mooi, warm of koud weer gebruikt het Frans il fait. Il est beau betekent normaal ‘hij is mooi/knap’ of beschrijft iets mannelijks.

Het lidwoord na een ontkenning behouden

  • Fout: Je ne fais pas du sport. (neutrale betekenis: ik sport niet)
  • Goed: Je ne fais pas de sport.
  • Waarom: Du, de la en des worden na ne ... pas meestal de. De vorm pas du kan wel bewust een contrast uitdrukken, bijvoorbeeld: niet déze sport maar een andere.

Nederlands woord voor woord omzetten

  • Fout: Je fais une décision.
  • Goed: Je prends une décision.
  • Waarom: Een vaste combinatie verschilt per taal. Nederlands gebruikt ‘een beslissing nemen’; Frans eveneens prendre, niet faire.

Het onderwerp weglaten

  • Fout: Fais du sport tous les jours. als mededeling ‘Ik sport elke dag.’
  • Goed: Je fais du sport tous les jours.
  • Waarom: In een gewone mededeling heeft het Franse werkwoord een uitgesproken onderwerp nodig. Fais du sport ! is wel correct als bevel: ‘Sport!’

Gebruiksnotities

Faire is neutraal en bruikbaar in zowel gesproken als geschreven Frans. In alledaagse gesprekken komt on fait veel vaker voor dan nous faisons wanneer ‘we doen’ bedoeld wordt. Toch blijft nous faisons belangrijk: je ziet het in verzorgde schrijftaal en hebt het nodig om de volledige vervoeging te kennen.

De vraag Qu'est-ce que tu fais dans la vie ? vraagt gewoonlijk naar iemands beroep of dagelijkse bezigheid, niet naar wat die persoon op dit moment aan het doen is. Wil je naar het huidige moment vragen, dan volstaat Qu'est-ce que tu fais ? of nadrukkelijker Qu'est-ce que tu es en train de faire ?

Bij sporten bestaan soms twee mogelijkheden. Faire du vélo legt de activiteit als bezigheid vast; aller à vélo betekent met de fiets ergens heen gaan. Evenzo is faire de la marche wandelen als lichaamsbeweging, terwijl aller à pied ‘te voet gaan’ betekent. De Nederlandse vertaling alleen laat dat verschil niet altijd zien.

Let ook op faire la cuisine en cuisiner. Beide kunnen ‘koken’ betekenen. Faire la cuisine is een zeer gewone vaste uitdrukking; cuisiner benoemt het koken als werkwoord en kan ook het bereiden van een bepaald ingrediënt aanduiden.

Verder dan de basis

De volgende toepassingen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Belangrijke vormen in andere tijden

Het voltooid deelwoord (de vorm die met een hulpwerkwoord een voltooide tijd maakt) is fait. De passé composé wordt gevormd met avoir: J'ai fait les courses (ik heb boodschappen gedaan). Het voltooid deelwoord wordt hier normaal niet aangepast aan het onderwerp.

Tijd of wijs Stam/vorm Voorbeeld
onvoltooid verleden tijd fais- Je faisais souvent du vélo. — Ik fietste vaak.
toekomende tijd fer- Nous ferons ça demain. — We zullen dat morgen doen.
voorwaardelijke wijs fer- Je le ferais autrement. — Ik zou het anders doen.
aanvoegende wijs fass- Il faut que tu fasses attention. — Je moet opletten.

De aanvoegende wijs is een werkwoordsvorm die onder meer na noodzaak, wens of twijfel kan voorkomen. Onthoud voorlopig vooral de veelgehoorde uitdrukking Il faut que tu fasses attention.

Faire plus infinitief

In de causatieve constructie laat het onderwerp iemand anders iets doen of zorgt het ervoor dat iets gebeurt. Een infinitief is de onvervoegde vorm van een werkwoord.

  • Je fais réparer mon vélo. — Ik laat mijn fiets repareren.
  • Elle fait rire les enfants. — Ze maakt de kinderen aan het lachen.
  • Nous faisons venir un technicien. — We laten een monteur komen.

Bij se faire ondergaat het onderwerp de handeling: Je me fais couper les cheveux betekent ‘Ik laat mijn haar knippen’. Deze constructie heeft eigen regels voor voornaamwoorden en verdient daarom later een afzonderlijke studie.

Andere veelvoorkomende betekenissen

Faire kan ook een duur, afstand, prijs of resultaat uitdrukken:

  • Ça fait deux ans que j'habite ici. — Ik woon hier al twee jaar.
  • Nous avons fait dix kilomètres. — We hebben tien kilometer afgelegd.
  • Deux et trois font cinq. — Twee plus drie is vijf.
  • Cette veste fait très chic. — Dit jasje oogt heel chic.

In informele taal heeft ça fait bijzonder veel functies: Ça fait longtemps ! (Dat is lang geleden!) en Ça fait du bien (Dat doet goed). Zulke uitdrukkingen kun je het best als complete eenheden leren.

Oefentips

  1. Oefen in drie blokken. Zeg eerst je fais, tu fais, il fait, daarna nous faisons, vous faites en ten slotte ils font. Maak vervolgens met elke vorm een korte zin.
  2. Leer combinaties, geen los woord. Maak kaartjes met faire du sport, faire les courses, faire la vaisselle, faire attention en il fait froid. Noteer aan de andere kant een natuurlijke Nederlandse vertaling, niet altijd ‘doen’ of ‘maken’.
  3. Beschrijf één dag. Vertel hardop wat je doet: Je fais le petit-déjeuner, je fais du vélo, je fais les courses. Voeg daarna een ontkenning, een vraag en een weerzin toe.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige -ER-werkwoorden in het FransA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Le Verbe Faire in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen