A1

Getallen in het Iers

Uimhreacha

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Iers op Settemila Lingue.

In het kort

Bij een Iers getal verandert vaak ook het begin van het volgende zelfstandige naamwoord: 2-6 veroorzaken meestal séimhiú (lenitie, vaak zichtbaar als een extra h) en 7-10 meestal urú (eclips, een extra letter vóór de beginletter). Na deze getallen staat het zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) doorgaans in het enkelvoud: dhá chapall is dus ‘twee paarden’ en seacht gcapall ‘zeven paarden’. Voor het los opzeggen van cijfers en voor het tellen van personen bestaan aparte vormen.

Overzicht

Getallen zijn een basisvaardigheid op A1-niveau. Je gebruikt ze bij boodschappen, adressen, leeftijden, tijden en aantallen. De woorden zelf zijn goed te leren, maar het Iers vraagt meer dan een rijtje uit het hoofd kennen. Je kiest een vorm op basis van wat je telt: zeg je alleen een cijfer, tel je zaken of tel je mensen?

Dat verschilt duidelijk van het Nederlands. In ‘twee paarden’ blijft twee overal hetzelfde en krijgt paard een meervoudsuitgang. Het Iers gebruikt daar dhá chapall: een speciale vorm van ‘twee’, een verandering aan het begin van capall, en toch een enkelvoudige naamwoordvorm. De veranderde beginletter draagt dus informatie die een Nederlandstalige eerder aan het meervoud verwacht.

Voor een beginner is deze volgorde het handigst: leer eerst de losse telrij van 1 tot 10, daarna de patronen voor zelfstandige naamwoorden en pas dan de vormen voor personen en grotere getallen. De details zijn niet allemaal even belangrijk om meteen zelf te produceren; herkenning komt vaak eerder dan foutloos gebruik.

Hoe het werkt

Los tellen: de zelfstandige telvormen

Als je cijfers opzegt, een score noemt of de cijfers van een nummer één voor één leest, staat meestal het telpartikel a voor het getal. Een partikel is een klein woordje met een grammaticale functie. Voor een klinker verschijnt daarbij een h in a haon en a hocht.

Cijfer Losse telvorm Nederlandse waarde
0 a náid nul
1 a haon één
2 a dó twee
3 a trí drie
4 a ceathair vier
5 a cúig vijf
6 a sé zes
7 a seacht zeven
8 a hocht acht
9 a naoi negen
10 a deich tien

Deze vormen staan niet zonder meer vóór een zelfstandig naamwoord. Vergelijk a dó ‘twee’ bij los tellen met dhá chapall ‘twee paarden’. Vooral dó/dhá moet je daarom als een vast contrast leren.

Zaken tellen van één tot tien

Voor een getal plus een zelfstandig naamwoord gebruik je de volgende kernpatronen. Séimhiú verandert waar mogelijk de eerste medeklinker door er in de spelling een h achter te zetten. Urú zet juist een nieuwe medeklinker vóór de oorspronkelijke letter. Zulke veranderingen aan het woordbegin heten samen beginmutaties.

Getal Vorm vóór een naamwoord Gewone beginverandering Voorbeeld
1 aon meestal séimhiú aon chat amháin — één kat
2 dhá séimhiú dhá chapall — twee paarden
3 trí séimhiú trí bhád — drie boten
4 ceithre séimhiú ceithre theach — vier huizen
5 cúig séimhiú cúig pheann — vijf pennen
6 séimhiú sé mhála — zes tassen
7 seacht urú seacht gcapall — zeven paarden
8 ocht urú ocht dteach — acht huizen
9 naoi urú naoi bpeann — negen pennen
10 deich urú deich mbád — tien boten

Na aon kan amháin na het zelfstandig naamwoord staan. Het maakt de betekenis ‘één enkel’ of ‘precies één’ duidelijk: aon chat amháin. In sommige vaste verbindingen en samenstellingen staat aon zonder amháin, dus behandel amháin niet als een onderdeel dat altijd verplicht aan het getal vastzit.

Na dhá en de getallen 3-10 staat het getelde woord in de gewone basisconstructie meestal in een enkelvoudige vorm. Vertaal daarom niet woord voor woord vanuit het Nederlandse meervoud. Cúig theach betekent ‘vijf huizen’, hoewel teach de vorm ‘huis’ heeft. Sommige zelfstandige naamwoorden hebben bij het tellen een bijzondere vorm; die latere bijzonderheden leer je het best samen met het betreffende woord.

De twee beginmutaties herkennen

Je hoeft niet voor ieder voorbeeld een nieuwe regel te bedenken. Leer de meest zichtbare spellingparen. Niet iedere medeklinker kan beide mutaties ondergaan, en bij l, n en r zie je doorgaans geen séimhiú.

Basisletter Bij séimhiú Bij urú
b bh mb
c ch gc
d dh nd
f fh bhf
g gh ng
m mh
p ph bp
s sh
t th dt

Bij een klinker wordt urú na 7-10 vaak zichtbaar als n-: seacht n-úll ‘zeven appels’. Soms blijft een verwachte verandering onzichtbaar of wordt ze door een klankregel geblokkeerd. Zo blijft in het zeer gewone aon duine amháin ‘één persoon’ de d staan. Het kernpatroon is dus een betrouwbare routekaart, maar niet elke letter levert een zichtbare verandering op.

Personen tellen

Voor afzonderlijke personen gebruikt het Iers een speciale reeks, de persoonlijke telwoorden. Dat systeem heeft geen Nederlands equivalent: Nederlands gebruikt gewoon ‘twee mensen’, ‘drie leraren’ enzovoort. Duine amháin is één persoon; vanaf twee zijn er aparte woorden.

Aantal Persoonlijk telwoord Voorbeeldbetekenis
1 duine amháin één persoon
2 beirt twee personen
3 triúr drie personen
4 ceathrar vier personen
5 cúigear vijf personen
6 seisear zes personen
7 seachtar zeven personen
8 ochtar acht personen
9 naonúr negen personen
10 deichniúr tien personen

Als je alleen bedoelt hoeveel mensen er zijn, kan het persoonlijke telwoord zelfstandig staan: Tá ceathrar anseo ‘Er zijn hier vier mensen’. Noem je ook de groep, dan volgt daarop een naamwoordsvorm die traditioneel de genitief meervoud heet (een vorm die hier de getelde groep aanduidt): beirt bhan ‘twee vrouwen’, triúr fear ‘drie mannen’. De vorm van dat groepswoord is niet altijd voorspelbaar uit het Nederlands; leer veelgebruikte combinaties als één geheel.

Elf tot en met honderd

De getallen 11-19 worden gevormd met déag. Bij het tellen van zaken staat het zelfstandig naamwoord tussen het eerste getal en déag: trí bhád déag ‘dertien boten’. De beginverandering volgt het eerste deel: dhá bhád déag, maar seacht mbád déag.

Getal Losse vorm Met een naamwoord
11 a haon déag aon bhád déag — elf boten
12 a dó dhéag dhá bhád déag — twaalf boten
13 a trí déag trí bhád déag — dertien boten
17 a seacht déag seacht mbád déag — zeventien boten

De tientallen zijn nuttig om eerst als herkenningswoorden te leren.

Getal Iers
20 fiche
30 tríocha
40 daichead
50 caoga
60 seasca
70 seachtó
80 ochtó
90 nócha
100 céad

Bij losse getallen boven twintig hoor en zie je bijvoorbeeld fiche a haon ‘eenentwintig’, tríocha a cúig ‘vijfendertig’ en nócha a naoi ‘negenennegentig’. Anders dan in het Nederlandse eenentwintig komt het tiental eerst. Constructies met een geteld zelfstandig naamwoord kunnen uitgebreider zijn en variëren tussen traditionele en moderne telwijzen; voor A1 is het verstandiger om veelvoorkomende volledige woordgroepen te leren dan zelf iedere lange vorm te bouwen.

Voorbeelden in context

Iers Nederlands Opmerking
Aon chat amháin atá sa ghairdín. Er is maar één kat in de tuin. aon met séimhiú en amháin
Tá dhá chapall san fheirm. Er zijn twee paarden op de boerderij. dhá veroorzaakt séimhiú
Tá trí bhád ar an loch. Er liggen drie boten op het meer. bád → bhád
Chonaic mé ceithre theach. Ik zag vier huizen. enkelvoudige vorm teach
Cheannaigh sí cúig pheann. Ze kocht vijf pennen. peann → pheann
Tá sé mhála sa charr. Er liggen zes tassen in de auto. mála → mhála
Tá seacht gcapall sa pháirc. Er staan zeven paarden in het veld. urú: c → gc
Chonaiceamar ocht dteach. We zagen acht huizen. urú: t → dt
Tá naoi bpeann ar an mbord. Er liggen negen pennen op tafel. urú: p → bp
Tá deich mbád sa chuan. Er liggen tien boten in de haven. urú: b → mb
Cheannaigh mé seacht n-úll. Ik kocht zeven appels. urú vóór een klinker: n-
Tá trí leabhar agam. Ik heb drie boeken. bij l is geen zichtbare séimhiú
Tá ceathrar anseo. Er zijn hier vier mensen. persoonlijk telwoord zonder groepsnaam
Tá triúr fear ag fanacht. Er wachten drie mannen. persoonlijk telwoord met fear
Tá fiche duine sa seomra. Er zijn twintig mensen in de kamer. fiche voor twintig

Veelgemaakte fouten

De losse vorm vóór een zelfstandig naamwoord zetten

  • Niet: a dó capall
  • Wel: dhá chapall
  • Waarom: a dó gebruik je als je het cijfer twee los noemt. Vóór een zelfstandig naamwoord wordt het dhá, met séimhiú van het volgende woord.

Automatisch een Nederlands meervoud nabootsen

  • Niet: cúig tithe voor de gewone basisconstructie
  • Wel: cúig theach
  • Waarom: na 2-10 staat het getelde zelfstandige naamwoord doorgaans in de enkelvoudige telvorm. Het Nederlandse meervoud ‘huizen’ zegt niets over de benodigde Ierse vorm.

Dezelfde mutatie bij alle getallen gebruiken

  • Niet: seacht chapall
  • Wel: seacht gcapall
  • Waarom: 2-6 geven meestal séimhiú, maar 7-10 geven meestal urú. Deel de reeks bij het oefenen daarom bewust in twee blokken.

De mutatie helemaal weglaten

  • Niet: trí bád
  • Wel: trí bhád
  • Waarom: de extra h is grammaticale spelling, geen versiering. Ze laat hier zien dat trí het volgende woord beïnvloedt.

Gewone getallen gebruiken voor kleine groepen mensen

  • Minder passend: trí daoine
  • Wel: triúr of bijvoorbeeld triúr fear
  • Waarom: voor twee tot en met tien personen gebruikt het Iers persoonlijke telwoorden. Leer beirt, triúr, ceathrar eerst; die komen veel voor.

Denken dat elke mutatie zichtbaar moet zijn

  • Niet: een extra letter forceren in trí leabhar
  • Wel: trí leabhar
  • Waarom: l krijgt geen zichtbare séimhiú. Ook kunnen afzonderlijke klankregels een verwachte verandering blokkeren.

Gebruiksnotities

De keuze tussen een los getal en een getal met naamwoord hangt af van de situatie. Bij een pincode, score of cijferreeks hoor je de vormen met a. Bij een hoeveelheid vormt het getal één woordgroep met wat geteld wordt. Luister dus niet alleen naar het getal, maar ook naar het woord direct erna.

Bij één persoon is duine amháin gewoon. Aon duine amháin komt ook voor wanneer ‘één enkele persoon’ nadruk krijgt. Bij twee personen betekent beirt niet noodzakelijk dat het om twee willekeurige losse individuen gaat; het kan ook natuurlijk als ‘een tweetal’ of ‘beiden’ functioneren, afhankelijk van de zin.

Uitspraak en sommige telconstructies verschillen per dialect. Ook concurreren in modern taalgebruik traditionele twintigdelige telwijzen en een doorzichtig decimaal systeem. Een beginner hoeft die variatie niet onmiddellijk na te bootsen. Kies in je eigen productie één standaardpatroon uit je leermateriaal, maar leer alternatieve vormen in gesproken en geschreven Iers wel herkennen.

Verder dan de basis

Dit hoef je op A1 nog niet volledig te beheersen, maar later blijkt dat ‘enkelvoud na een getal’ een nuttige beginnersregel is en geen volledige beschrijving van elk zelfstandig naamwoord. Sommige woorden hebben speciale telvormen of gebruiken in bepaalde constructies een meervoudsvorm. Bij persoonlijke telwoorden kan bovendien een genitief-meervoudsvorm volgen, zoals ban in beirt bhan. Raad daarom bij twijfel een woordenboekvoorbeeld met het volledige getal na, in plaats van alleen het losse zelfstandig naamwoord.

Ook grotere aantallen zijn structureel rijker dan de Nederlandse schrijfwijze doet vermoeden. Je kunt vormen aantreffen waarin het naamwoord tussen delen van het getal staat, en traditionele vormen die op groepen van twintig zijn gebouwd. Dat is geen reden om de A1-regels los te laten: de patronen 2-6 + séimhiú en 7-10 + urú blijven de beste basis voor kleine aantallen en keren binnen 11-19 terug.

Getallen spelen ten slotte samen met andere grammatica. Bij tijdsaanduidingen, leeftijden, data, geldbedragen en rangtelwoorden gelden vaste woordgroepen die je niet altijd rechtstreeks uit de kale telrij kunt afleiden. Zo leer je een tijdsaanduiding beter als volledige uitdrukking dan als een Nederlands zinnetje waarin alleen het cijfer is vervangen.

Oefentips

  1. Werk met drie rijtjes. Zeg eerst a haon, a dó, a trí; maak daarna woordgroepen als aon bhád, dhá bhád, trí bhád; oefen ten slotte duine amháin, beirt, triúr. Zo vermeng je de drie systemen niet.
  2. Markeer de grens 6/7. Schrijf zes kaartjes voor séimhiú en vier voor urú. Wissel zelfstandige naamwoorden met b, c, p en t af, zodat je de verandering werkelijk ziet.
  3. Tel echte dingen om je heen. Noem boeken, tassen, pennen en mensen in korte zinnen met Tá ... ann ‘Er is/zijn ...’. Controleer steeds drie punten: juiste telvorm, juiste beginmutatie en juiste naamwoordvorm.

Verwante onderwerpen

  • Vervolg: Tijd en datums — gebruikt getallen in vaste uitdrukkingen voor kloktijd en kalenderdata.
  • Vervolg: Rangtelwoorden en hoeveelheden — behandelt vormen als ‘eerste’ en ‘tweede’ en woorden voor onbepaalde hoeveelheden.

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Uimhreacha in Iers met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Iers · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen