A1

Plaatsbijwoorden *her*, *der* en *hjem* in het Deens

Stedsadverbier

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

In het kort

Deens maakt bij veel plaatsbijwoorden onderscheid tussen waar iemand of iets is en waarheen iemand of iets beweegt. Vergelijk Jeg er hjemme (‘Ik ben thuis’) met Jeg går hjem (‘Ik ga naar huis’). De belangrijkste paren zijn hjemme/hjem, ude/ud, inde/ind, oppe/op en nede/ned.

Overzicht

Een plaatsbijwoord is een woord dat aangeeft waar iets gebeurt of in welke richting iemand of iets beweegt. In het Nederlands gebruiken we soms hetzelfde woord in beide situaties: ‘Hij is buiten’ en ‘Hij gaat naar buiten’. Het Deens gebruikt hiervoor vaak twee verwante vormen: ude voor de plaats en ud voor de richting.

Dit onderscheid kom je al op A1-niveau voortdurend tegen. Je hebt het nodig om te vertellen waar je bent, iemand binnen te vragen, naar huis te gaan of iets naar boven te brengen. Het gaat dus niet alleen om werkwoorden die letterlijk lopen of rijden uitdrukken. Ook bij handelingen als zetten, leggen, dragen en sturen kan een richting horen.

Voor Nederlandstaligen is vooral de korte richtingsvorm wennen. Waar het Nederlands vaak ‘naar’, ‘naar binnen’ of ‘omhoog’ gebruikt, kan één Deens bijwoord al voldoende zijn: gå hjem, kom ind, se op. Leer de woorden daarom als paren en niet als losse vertalingen.

Hoe het werkt

De basisregel: plaats tegenover richting

Een plaats is de plek waar iemand of iets zich bevindt. Een richting is het doel of traject van een beweging: waarheen iemand of iets gaat. In de meest voorkomende paren eindigt de plaatsvorm op -e, terwijl de richtingsvorm korter is.

Betekenis Plaats: waar? Richting: waarheen?
thuis / naar huis hjemme hjem
buiten / naar buiten ude ud
binnen / naar binnen inde ind
boven / naar boven oppe op
beneden / naar beneden nede ned

Een eenvoudige proef is het werkwoord vervangen door ‘zijn’ of ‘gaan’:

  • past zijn bij de bedoelde situatie, kies dan meestal de plaatsvorm: Vi er inde — we zijn binnen;
  • past gaan en is er een bestemming, kies dan meestal de richtingsvorm: Vi går ind — we gaan naar binnen.

Het werkwoord alleen beslist echter niet alles. drukt beweging uit, maar die beweging kan ook volledig op één plek plaatsvinden: Han går rundt ude (‘Hij loopt buiten rond’). Andersom kan een werkwoord zonder duidelijke loopbetekenis toch een gericht resultaat hebben: Sæt dig ned (‘Ga zitten’, letterlijk: zet jezelf neerwaarts).

Her en der

Her betekent ‘hier’ en der betekent ‘daar’. Als je de richting nadrukkelijk wilt aangeven, kun je herhen en derhen gebruiken.

Functie Dichtbij Verder weg
plaats her — hier der — daar
expliciete richting herhen — hierheen derhen — daarheen

Bij der is de richtingsvorm heel nuttig: Vi går derhen betekent ‘We gaan daarheen’. Vi går der betekent eerder ‘We lopen daar’ of, afhankelijk van de context, ‘We lopen daar langs’.

In alledaagse taal wordt her ook vaak na een bewegingswerkwoord gebruikt waar het Nederlands ‘hierheen’ zou kunnen zeggen: Kom her! (‘Kom hier!’). Kom herhen! is explicieter over de richting, maar de langere vorm is niet altijd nodig. De tegenstelling her/herhen is daardoor minder strak dan hjemme/hjem of ude/ud.

Met een nadere plaatsbepaling

De korte richtingsvorm kan worden gevolgd door een voorzetselgroep (een groep woorden die met een voorzetsel begint) om de bestemming preciezer te maken:

  • gå ind i huset — het huis binnengaan;
  • gå ud af huset — het huis uit gaan;
  • løbe op ad trappen — de trap op rennen;
  • gå ned i kælderen — naar beneden, de kelder in gaan.

Bij een vaste plaats krijg je juist vaak de plaatsvorm:

  • være inde i huset — binnen in het huis zijn;
  • sidde ude i haven — buiten in de tuin zitten;
  • stå oppe på taget — boven op het dak staan;
  • arbejde nede i kælderen — beneden in de kelder werken.

Let vooral op hjem. Voor ‘naar huis’ staat normaal geen voorzetsel: Jeg går hjem, niet Jeg går til hjem. Voor een precieze bestemming met hjem kan wel een aanvulling volgen: Jeg går hjem til Anna (‘Ik ga naar Anna thuis’) of Han tager hjem til sine forældre (‘Hij gaat naar zijn ouders toe’).

Werkwoorden die vaak bij elke soort horen

Werkwoorden als være (‘zijn’), bo (‘wonen’), blive (‘blijven’) en sidde (‘zitten’) beschrijven vaak een toestand en combineren daarom gemakkelijk met een plaatsvorm:

  • Hun bliver hjemme. — Zij blijft thuis.
  • De sidder ude. — Zij zitten buiten.

Werkwoorden als (‘gaan/lopen’), komme (‘komen’), køre (‘rijden’), tage (‘gaan/reizen’) en flytte (‘verplaatsen/verhuizen’) kunnen een bestemming hebben en combineren dan vaak met een richtingsvorm:

  • Han kører hjem. — Hij rijdt naar huis.
  • Flyt stolen ind. — Zet/verplaats de stoel naar binnen.

Zie dit als een betekenisregel, niet als een lijst die automatisch door het werkwoord wordt bepaald. Hun går hjemme hele dagen kan bijvoorbeeld betekenen dat ze de hele dag thuis rondloopt.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Opmerking
Jeg er hjemme i aften. Ik ben vanavond thuis. Vaste plaats: hjemme.
Jeg går hjem efter arbejde. Ik ga na het werk naar huis. Bestemming: hjem.
Hun arbejder hjemme i dag. Zij werkt vandaag thuis. De handeling gebeurt thuis.
Børnene leger ude. De kinderen spelen buiten. Ze bevinden zich buiten.
Gå ud og få lidt frisk luft. Ga naar buiten en haal een frisse neus. Beweging naar buiten.
Vi spiser inde, fordi det regner. We eten binnen, omdat het regent. Plaats binnen.
Kom ind! Døren er åben. Kom binnen! De deur is open. Richting naar binnen.
Katten er oppe på taget. De kat zit boven op het dak. Positie op een hogere plek.
Hun går op ad trappen. Zij loopt de trap op. Omhoog gerichte beweging.
Cyklerne står nede i kælderen. De fietsen staan beneden in de kelder. Vaste lagere plek.
Han løber ned til stranden. Hij rent naar beneden, naar het strand. Neerwaartse richting.
Jeg venter her. Ik wacht hier. Plaats dichtbij de spreker.
Kan du komme her? Kun je hier komen? Her is in deze oproep heel gewoon.
Vi har aldrig været der. We zijn daar nooit geweest. Plaats op afstand.
Hvordan kommer vi derhen? Hoe komen we daarheen? Expliciete bestemming.

Veelgemaakte fouten

De plaatsvorm gebruiken bij een bestemming

  • Onjuist: Jeg går hjemme nu. als je bedoelt dat je nu naar huis gaat.
  • Juist: Jeg går hjem nu.
  • Waarom: Hjemme geeft aan waar je bent; hjem geeft de bestemming aan. De onjuiste zin kan hoogstens betekenen dat je thuis rondloopt.

De richtingsvorm gebruiken voor een vaste plek

  • Onjuist: Hun er ud.
  • Juist: Hun er ude.
  • Waarom: Na er beschrijf je hier haar verblijfplaats, niet een beweging naar buiten.

Een Nederlands voorzetsel letterlijk overnemen

  • Onjuist: Vi tager til hjem.
  • Juist: Vi tager hjem.
  • Waarom: De Deense richtingsvorm hjem bevat al het idee ‘naar huis’. Het Nederlandse ‘naar’ krijgt hier dus geen apart Deens woord.

Inde en ind aan het werkwoord koppelen zonder naar de betekenis te kijken

  • Onjuist: Han går inde als je bedoelt dat hij naar binnen gaat.
  • Juist: Han går ind.
  • Waarom: Går inde kan wel correct zijn met de betekenis ‘hij loopt binnen rond’. Vraag dus niet alleen welk werkwoord er staat, maar of er een bestemming is.

Altijd der gebruiken voor ‘daarheen’

  • Minder duidelijk: Vi går der.
  • Duidelijk: Vi går derhen.
  • Waarom: Der wijst normaal een plaats aan. Derhen maakt ondubbelzinnig dat die plaats de bestemming is.

Gebruiksnotities

De plaatsvormen hoeven niet altijd een letterlijk afgebakende ruimte aan te wijzen. Ude kan betekenen dat iemand niet thuis of niet op de gebruikelijke plek is: Lægen er ude kan in de juiste context aangeven dat de arts weg is. Hjemme kan behalve ‘in de eigen woning’ ook ‘in eigen land’ of ‘in de vertrouwde omgeving’ betekenen; de context bepaalt de precieze lezing.

Oppe en nede zijn relatief: ze beschrijven een plek als hoger of lager vanuit het perspectief van de spreker of binnen een gebouw, streek of land. Iemand kan oppe på kontoret (‘boven/op kantoor’) of nede i byen (‘beneden/in de stad’) zijn zonder dat je een exacte hoogte noemt. In het Nederlands kiezen we afhankelijk van de situatie voor ‘boven’, ‘daarboven’, ‘beneden’ of soms helemaal geen richtingswoord.

In opdrachten zijn de korte vormen zeer gebruikelijk: Kom ind!, Gå ud!, Se op!, Sæt dig ned! De Nederlandse vertaling gebruikt dan niet altijd een zichtbaar richtingswoord. Sæt dig ned vertaal je natuurlijk als ‘Ga zitten’, maar grammaticaal blijft ned een neerwaartse of resultaatgerichte beweging uitdrukken.

Verder dan de basis

Je hoeft deze bijzonderheden op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Richtingsbijwoorden als werkwoorddeeltjes

Woorden als op, ned, ind en ud kunnen nauw bij een werkwoord horen en samen een vaste betekenis krijgen. Die betekenis is soms nog ruimtelijk, zoals in lukke nogen ind (‘iemand binnenlaten’), maar kan ook figuurlijk worden:

  • finde ud af noget — iets uitzoeken / ergens achter komen;
  • give op — opgeven;
  • skrive noget ned — iets opschrijven;
  • dele noget op — iets opdelen.

Behandel zulke combinaties als een geheel. De basisbetekenis van de richting helpt soms bij het onthouden, maar levert niet altijd een letterlijke Nederlandse vertaling op.

Ovenpå en nedenunder zijn niet gewoon hetzelfde

Voor een precieze verhouding tussen twee dingen gebruikt het Deens ook woorden als ovenpå (‘boven op’) en nedenunder (‘eronder’). Bogen ligger ovenpå skabet beschrijft dat het boek boven op de kast ligt. Bogen er oppe zegt alleen dat het boek zich boven of op een hogere plek bevindt. De eenvoudige paren oppe/op en nede/ned drukken dus vooral plaats of richting uit; andere woorden geven de ruimtelijke verhouding nauwkeuriger aan.

Figuurlijk ‘thuis’

Hjemme kan ook figuurlijk worden gebruikt voor vertrouwdheid of deskundigheid, bijvoorbeeld Han er hjemme i emnet (‘Hij is thuis in het onderwerp’). Hier is geen echte woning bedoeld, maar het blijft grammaticaal een toestand en daarom staat de plaatsvorm hjemme.

Oefentips

  1. Maak tweezinnenparen. Schrijf bij elke plaatszin een richtingszin: Katten er indeKatten går ind. Zo leer je betekenis en vorm samen.
  2. Stel steeds twee vragen. Vraag bij een voorbeeld eerst waar? en daarna waarheen?. Markeer plaatsvormen met één kleur en richtingsvormen met een andere.
  3. Oefen met je eigen omgeving. Beschrijf hardop wat mensen doen: Jeg er hjemme, Jeg går ud, Jeg går ned, Jeg kommer ind. Echte bewegingen maken het verschil makkelijker voelbaar dan losse woordenlijsten.

Verwante onderwerpen

Voor dit onderwerp zijn in de aangeleverde leerlijn geen afzonderlijke verwante concepten gekoppeld. Handige vervolgstappen zijn wel Deense voorzetsels van plaats, bewegingswerkwoorden en werkwoorden met een bijwoordelijk deeltje; daarmee kun je de patronen uit dit artikel in langere zinnen toepassen.

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Stedsadverbier in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen