A1

Vraagwoorden in het Nederlands

Vraagwoorden

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.

Overzicht

Vraagwoorden zijn de bouwstenen van informatievragen. Met een vraagwoord vraag je naar wie, wat, waar, wanneer, waarom of hoe. In het Nederlands staat het vraagwoord altijd op de eerste positie, gevolgd door het werkwoord (V2-regel), dan het onderwerp.

Hoe het werkt

Overzicht van vraagwoorden

Vraagwoord Betekenis Voorbeeld
wie wie Wie is dat?
wat wat Wat doe jij?
waar waar Waar woon jij?
wanneer wanneer Wanneer kom je?
waarom waarom Waarom ben je laat?
hoe hoe Hoe gaat het?
welk(e) welk(e) Welke auto is van jou?
hoeveel hoeveel Hoeveel kost het?
hoe laat op welk tijdstip Hoe laat vertrek je?

Woordvolgorde

Vraagwoord – Werkwoord – Onderwerp – Rest:

  • Waar woon jij?
  • Wanneer begint de film?
  • Hoe laat vertrekt de trein?

Voorbeelden in context

Nederlands Vertaling Opmerking
Wie is jouw leraar? Wie is je leraar? Persoon
Wat eet jij vanavond? Wat eet je vanavond? Ding/activiteit
Waar woont jouw familie? Waar woont je familie? Plaats
Wanneer heb je vakantie? Wanneer heb je vakantie? Tijd
Waarom leer jij Nederlands? Waarom leer je Nederlands? Reden
Hoe gaat het met je? Hoe gaat het met je? Manier/toestand
Welke film wil jij zien? Welke film wil je zien? Keuze
Hoeveel kost die trui? Hoeveel kost die trui? Hoeveelheid/prijs
Hoe laat begint de les? Hoe laat begint de les? Tijdstip

Veelgemaakte fouten

Fout Correct Waarom
Waar jij woont? Waar woon jij? Vraagzin: werkwoord na vraagwoord.
Wie zijn dat? (voor één persoon) Wie is dat? Wie is enkelvoud.
Hoe veel (twee woorden) Hoeveel (één woord) Schrijf als één woord.
Wanneer vertrek de trein? Wanneer vertrekt de trein? 3e persoon enkelvoud → -t.

Oefentips

  1. Vragenronde. Stel jezelf vragen over je dagelijkse leven en beantwoord ze: Waar woon ik? Wanneer werk ik?
  2. Informatie-interview. Oefen met een partner: stel tien vragen over zijn/haar leven.
  3. Vraagwoorden koppelen. Koppel elk vraagwoord aan een categorie: wie = persoon, wat = ding, waar = plaats, wanneer = tijd.

Verwante concepten

  • Geen directe verwante concepten geregistreerd

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Maak een gratis account aan wanneer je klaar bent om te oefenen met spaced repetition.

Gratis beginnen