A1

Positiewerkwoorden in het Nederlands

Positiewerkwoorden

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.

Overzicht

Het Nederlands gebruikt specifieke werkwoorden om aan te geven in welke positie iets of iemand zich bevindt: staan, zitten, liggen, hangen en lopen (als toestandswerkwoord). Dit is heel anders dan het Engels, dat voor veel van deze situaties "to be" gebruikt.

Als je zegt De sleutels liggen op tafel of Het schilderij hangt aan de muur, kies je het positiewerkwoord dat past bij de fysieke positie van het object.

Hoe het werkt

De vijf positiewerkwoorden

Werkwoord Gebruik Voorbeeld
staan Vertikaal, rechtop De fles staat op tafel.
zitten Zittend, in een container De pen zit in mijn tas.
liggen Horizontaal, plat Het boek ligt op de vloer.
hangen Opgehangen, aan iets bevestigd Het schilderij hangt aan de muur.
steken Gestoken in iets De sleutel steekt in het slot.

Vervoeging (tegenwoordige tijd) — voorbeeld staan/liggen

Persoon staan liggen
ik sta lig
jij staat ligt
hij/zij/het staat ligt
wij/jullie/zij staan liggen

Voorbeelden in context

Nederlands Vertaling Opmerking
De vaas staat op de vensterbank. De vaas bevindt zich op de vensterbank. Vertikaal voorwerp
Mijn telefoon ligt op het bureau. Mijn telefoon bevindt zich plat op het bureau. Plat/horizontaal
De kinderen zitten aan tafel. De kinderen bevinden zich zittend aan tafel. Zittend
De jas hangt aan de kapstok. De jas is aan de kapstok bevestigd. Opgehangen
De sleutels liggen altijd kwijt. De sleutels zijn steeds ergens kwijt. Spreektaal
Het water staat tot hier. Het water komt tot deze hoogte. Hoogte
Hij zit in de gevangenis. Hij verblijft in de gevangenis. In een ruimte opgesloten

Veelgemaakte fouten

Fout Correct Waarom
De boeken zijn op de plank. De boeken staan op de plank. Boeken staan rechtop → staan.
Het schilderij is aan de muur. Het schilderij hangt aan de muur. Opgehangen → hangen.
Ik ben op de bank. Ik zit op de bank. Zittend → zitten.
De kat is in de mand. De kat ligt in de mand. Liggend → liggen.

Oefentips

  1. Kijkronde. Kijk om je heen en beschrijf de positie van tien voorwerpen in de kamer.
  2. Geheugensteun. Koppel elk werkwoord aan een beeld: boeken staan, mensen zitten, tapijten liggen, schilderijen hangen.
  3. Vergelijk met zijn. Denk na: zou je in het Engels "is" gebruiken? In het Nederlands kies je dan een positiewerkwoord.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Regelmatige Werkwoorden (Tegenwoordige Tijd) in het NederlandsA1

Meer A1-concepten

Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Maak een gratis account aan wanneer je klaar bent om te oefenen met spaced repetition.

Gratis beginnen