A1

Veelgebruikte werkwoorden in het Hongaars

Leggyakoribb Igék

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Hongaars op Settemila Lingue.

Kort gezegd

De werkwoorden megy (gaan), jön (komen), ad (geven), lát (zien), hall (horen), eszik (eten) en iszik (drinken) komen voortdurend voor. Hun tegenwoordige vormen laten meestal al zien wie iets doet, zodat het persoonlijk voornaamwoord vaak wegblijft: Megyek haza betekent gewoon ‘Ik ga naar huis’. Leer vooral de volledige vormen als vaste reeksen, want meerdere werkwoorden veranderen van stam of hebben een onverwachte uitgang.

Overzicht

Met deze zeven werkwoorden kun je al over verplaatsing, waarneming en dagelijkse handelingen praten. Ze horen daarom bij de eerste woordenschat en grammatica op A1-niveau. Tegelijk zijn het niet allemaal keurige voorbeelden van één regel: vergelijk megyek met mész, jövök met jössz en eszem met eszik. Juist doordat de woorden zo vaak voorkomen, raken die vormen door veel herhaling snel vertrouwd.

Het Hongaars vervoegt een werkwoord naar persoon en getal. De persoonsuitgang laat dus zien of het onderwerp (degene die de handeling uitvoert) ‘ik’, ‘jij’, ‘wij’ enzovoort is. Anders dan in het Nederlands hoef je én (ik), te (jij) en de andere persoonlijke voornaamwoorden daarom niet in iedere neutrale zin uit te spreken. Iszom is op zichzelf al ‘ik drink’.

Bij ad, lát, hall, eszik en iszik speelt bovendien mee of er een bepaald lijdend voorwerp is: het lijdend voorwerp is wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat. Het Hongaars heeft daarvoor een onbepaalde en een bepaalde vervoeging. Voor de eerste kennismaking zijn de onbepaalde vormen hieronder het belangrijkst; de tegenstelling wordt verderop overzichtelijk uitgelegd.

Zo werkt het

De zeven woorden en hun stam

De woordenboekvorm is in het Hongaars meestal de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd. Eszik en iszik eindigen daarbij op -ik. De infinitief (de vorm die in het Nederlands meestal op -en eindigt) is respectievelijk menni, jönni, adni, látni, hallani, enni en inni.

Woordenboekvorm Betekenis Infinitief Wat valt op?
megy gaan menni wisselt tussen megy-, mé- en men-
jön komen jönni in sommige vormen verschijnt jöv- of een dubbele medeklinker
ad geven adni grotendeels regelmatig
lát zien látni grotendeels regelmatig; t verdubbelt in láttok
hall horen hallani krijgt in enkele vormen een verbindingsklinker
eszik eten enni sterk onregelmatig
iszik drinken inni sterk onregelmatig

Tegenwoordige tijd: onbepaalde vormen

Gebruik deze reeks als er geen lijdend voorwerp is, of als het voorwerp onbepaald is, bijvoorbeeld egy almát (een appel). De naam ‘onbepaalde vervoeging’ zegt dus iets over het voorwerp, niet over hoe zeker de handeling is.

Persoon megy jön ad lát hall eszik iszik
én — ik megyek jövök adok látok hallok eszem iszom
te — jij mész jössz adsz látsz hallasz eszel iszol
ő — hij/zij megy jön ad lát hall eszik iszik
mi — wij megyünk jövünk adunk látunk hallunk eszünk iszunk
ti — jullie mentek jöttök adtok láttok hallotok esztek isztok
ők — zij mennek jönnek adnak látnak hallanak esznek isznak

Let vooral op mész, mentek, mennek en op jövök, jössz, jöttök. Je kunt deze vormen beter als complete woorden leren dan telkens uit een algemene regel proberen af te leiden. Bij eszik en iszik zijn eszem en iszom de verzorgde standaardvormen voor ‘ik eet’ en ‘ik drink’.

Het onderwerp kan weg

In een neutrale mededeling is het persoonlijk voornaamwoord meestal overbodig:

  • Megyek. — Ik ga.
  • Isztok? — Drinken jullie?
  • Látnak minket. — Ze zien ons.

Zet het voornaamwoord er wel bij voor nadruk of contrast: Én megyek, te maradsz. — Ik ga, jij blijft. Een Nederlandse gewoonte die hier in de weg kan zitten, is automatisch ieder onderwerp noemen. Dat is grammaticaal vaak mogelijk, maar klinkt zonder contrast al snel nadrukkelijk.

Geen aparte duurvorm

Het Hongaars maakt in de tegenwoordige tijd niet het Nederlandse verschil tussen ‘ik eet’ en ‘ik ben aan het eten’ met een aparte constructie. Eszem kan beide betekenen. De situatie of een tijdsbepaling maakt duidelijk welke lezing bedoeld is:

  • Most eszem. — Ik ben nu aan het eten.
  • Minden reggel eszem. — Ik eet iedere ochtend.

De tegenwoordige tijd kan ook naar de nabije of afgesproken toekomst verwijzen: Holnap megyünk Budapestre. — Morgen gaan we naar Boedapest. Ook Adok neked egyet kan in de juiste situatie ‘Ik geef je er een’ of ‘Ik zal je er een geven’ betekenen.

Gaan en komen: het standpunt telt

Megy drukt beweging weg van het uitgangspunt of naar een andere plaats uit; jön drukt beweging in de richting van de spreker, gesprekspartner of gekozen plaats uit. Dat lijkt op Nederlands gaan en komen, maar je moet steeds bedenken vanuit welke plek de beweging wordt bekeken.

  • Megyek az irodába. — Ik ga naar kantoor.
  • Jössz hozzám? — Kom je naar mij toe?
  • Péter holnap jön Budapestre. — Péter komt morgen naar Boedapest, bekeken vanuit Boedapest of de bestemming.

Haza betekent ‘naar huis’ en krijgt hier geen extra woord voor ‘naar’: Megyek haza. Zeg dus niet woord voor woord iets als ‘megyek naar haza’.

Een voorwerp verandert de vervoeging

Bij een overgankelijk werkwoord — een werkwoord dat een lijdend voorwerp kan hebben — zijn twee reeksen mogelijk:

Situatie Voorbeeld Betekenis
geen voorwerp Látok. Ik zie.
onbepaald voorwerp Látok egy kutyát. Ik zie een hond.
bepaald voorwerp Látom a kutyát. Ik zie de hond.

In egy kutyát en a kutyát staat de uitgang -t op het lijdend voorwerp; dit heet de accusatief (de vorm die aangeeft wie of wat rechtstreeks wordt getroffen). Het verschil tussen látok en látom zit in het werkwoord. Enkele veelgebruikte bepaalde vormen zijn adom/adod/adja, látom/látod/látja, hallom/hallod/hallja, eszem/eszed/eszi en iszom/iszod/issza.

Megy en jön hebben normaal geen lijdend voorwerp en gebruiken dus de onbepaalde reeks. Een bestemming, zoals Budapestre, is geen lijdend voorwerp.

Geven: ontvanger en gegeven zaak

In Adok neked egyet is egyet (‘één exemplaar’ of ‘er een’) het lijdend voorwerp. Neked betekent ‘aan jou/voor jou’ en noemt het meewerkend voorwerp: de ontvanger. Waar het Nederlands vaak het losse woord aan gebruikt, gebruikt het Hongaars doorgaans een vorm met -nak/-nek of een bijbehorend voornaamwoord:

  • Adok Annának egy könyvet. — Ik geef Anna een boek.
  • Adok neki egy könyvet. — Ik geef hem/haar een boek.

Voorbeelden in context

Hongaars Nederlands Opmerking
Megyek haza. Ik ga naar huis. Het onderwerp én blijft weg.
Jössz velem? Kom je met me mee? Een vraag heeft geen omkering nodig.
A gyerekek iskolába mennek. De kinderen gaan naar school. Mennek is derde persoon meervoud.
Mikor jöttök hozzánk? Wanneer komen jullie bij ons? Jöttök is de vorm bij ti.
Adok neked egyet. Ik geef je er een. Neked is de ontvanger; egyet is het voorwerp.
Anna vizet ad a gyereknek. Anna geeft het kind water. Vizet is een onbepaalde hoeveelheid water.
Látok egy szabad asztalt. Ik zie een vrije tafel. Onbepaald voorwerp, dus látok.
Látom a buszt. Ik zie de bus. Bepaald voorwerp, dus látom.
Hallasz engem? Hoor je mij? Hallani gaat om horen, niet bewust luisteren.
Nem halljuk a zenét. We horen de muziek niet. Bepaald voorwerp; de vorm is halljuk.
Eszem egy almát. Ik eet een appel. Onbepaald voorwerp; almát krijgt -t.
A levest eszi. Hij/zij eet de soep. Bepaald voorwerp; eszi is de bepaalde vorm.
Reggel kávét iszom. ’s Ochtends drink ik koffie. Geen lidwoord: koffie als onbepaalde hoeveelheid.
Megisszuk a vizet. We drinken het water op. Meg- legt hier nadruk op voltooiing.

Veelgemaakte fouten

1. Een regelmatige vorm maken waar een vaste vorm nodig is

  • Fout: Te megyesz haza.
  • Goed: Te mész haza. / Mész haza.
  • Waarom: De jij-vorm van megy is mész, niet een voorspelbare combinatie van megy en een uitgang. Hetzelfde geldt voor jön → jössz.

2. Het voornaamwoord in iedere zin herhalen

  • Minder natuurlijk zonder nadruk: Én iszom vizet. Én eszem egy almát.
  • Neutraal: Vizet iszom. Eszem egy almát.
  • Waarom: De uitgangen -om en -em wijzen al op ‘ik’. Gebruik én wanneer ‘ík, en niet iemand anders’ belangrijk is.

3. De onbepaalde vorm bij een bepaald voorwerp gebruiken

  • Fout: Látok a buszt.
  • Goed: Látom a buszt.
  • Waarom: A buszt betekent ‘de bus’ en is bepaald. Daarom hoort bij ‘ik zie’ de bepaalde vorm látom. Met ‘een bus’ is Látok egy buszt wel goed.

4. De uitgang van het lijdend voorwerp vergeten

  • Fout: Eszem egy alma.
  • Goed: Eszem egy almát.
  • Waarom: Het lijdend voorwerp krijgt meestal -t. Bij alma verandert de laatste klinker bovendien: alma → almát.

5. Horen en luisteren verwarren

  • Fout: Zenét hallok wanneer je bedoelt dat je bewust naar muziek luistert.
  • Goed: Zenét hallgatok. — Ik luister naar muziek.
  • Waarom: Hall is ‘horen’ als waarneming. Hallgat betekent onder meer ‘luisteren naar’. Nederlands gebruikt ook twee woorden, maar door de gelijkenis tussen de Hongaarse vormen worden ze gemakkelijk verwisseld.

6. Nederlandse vraagvolgorde overnemen

  • Fout idee: zoeken naar een Hongaarse omkering zoals kom jij tegenover jij komt.
  • Goed: Jössz velem?
  • Waarom: Het Hongaars hoeft onderwerp en werkwoord niet om te draaien. Intonatie maakt van een ja-neevraag een vraag; een vraagwoord zoals mikor (wanneer) staat doorgaans vlak voor het werkwoord: Mikor jössz?

Gebruiksnotities

Lát betekent meestal ‘zien’. Voor doelbewust kijken gebruik je vaak néz: Nézem a filmet is ‘Ik kijk naar de film’, terwijl Látom a filmet eerder ‘Ik zie de film’ betekent. Op dezelfde manier is hall waarnemen en hallgat bewust luisteren.

Bij eten en drinken laat het Hongaars een lidwoord vaak weg wanneer het om een niet nader bepaalde hoeveelheid gaat: Kávét iszom (‘ik drink koffie’) en Kenyeret eszem (‘ik eet brood’). Zodra een specifieke zaak wordt bedoeld, verschijnt vaak een bepaald lidwoord: Iszom a kávét betekent ‘ik drink de koffie’. In de eerste persoon enkelvoud ziet iszom er toevallig in beide vervoegingen hetzelfde uit. Bij de derde persoon is het verschil wel zichtbaar: Iszik kávét (‘hij/zij drinkt koffie’) tegenover Issza a kávét (‘hij/zij drinkt de koffie’).

Ontkenning is eenvoudig: zet nem gewoonlijk voor het vervoegde werkwoord: Nem megyek, Nem látom, Nem iszunk kávét. Voor een verbod worden later andere werkwoordsvormen gebruikt.

Verder dan de basis

De volgende bijzonderheden hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze vaak tegenkomen.

Werkwoordvoorvoegsels veranderen richting of voltooiing

Aan megy en jön kunnen elementen worden toegevoegd die een richting preciezer maken: bemegy (naar binnen gaan), kimegy (naar buiten gaan), elmegy (weggaan), visszajön (terugkomen) en odajön (daarheen komen, naar een gekozen persoon of plek). Bij eszik en iszik legt meg- vaak nadruk op voltooiing: megeszi az almát (‘hij/zij eet de appel op’), megissza a vizet (‘hij/zij drinkt het water op’).

De plaats van zo’n voorvoegsel kan veranderen bij ontkenning, nadruk en bevelen: Nem megyek el (‘ik ga niet weg’). Dat is een apart onderdeel van de Hongaarse woordvolgorde; leer de combinatie voorlopig als woordenschat, maar wees niet verbaasd als de delen uit elkaar staan.

De twee vervoegingen hebben onverwachte randgevallen

Persoonlijke voornaamwoorden van de eerste en tweede persoon, zoals engem (mij) en téged (jou), gaan ondanks hun duidelijke verwijzing meestal samen met de onbepaalde vervoeging: Lát engem? — ‘Ziet hij/zij mij?’ Wanneer ‘ik’ het onderwerp en ‘jou/jullie’ het voorwerp is, bestaat een speciale uitgang -lak/-lek: Látlak (‘ik zie jou’) en Hallak (‘ik hoor jou’).

Bij eszem en iszom ziet de eerste persoon enkelvoud van de bepaalde en onbepaalde reeks er hetzelfde uit. Je herkent het verschil dan alleen aan het voorwerp en de context. In andere personen is het vaak duidelijker: Eszel egy almát tegenover Eszed az almát; Iszik vizet tegenover Issza a vizet.

Gesproken varianten bij werkwoorden op -ik

In informele hedendaagse taal hoor je naast de verzorgde vormen eszem en iszom ook eszek en iszok. De oude aparte vervoeging van werkwoorden op -ik is in het dagelijks taalgebruik gedeeltelijk vervaagd. Als beginner zit je in neutrale en verzorgde taal veilig met eszem en iszom; leer de andere vormen eerst herkennen.

Oefentips

  1. Oefen in drie korte reeksen. Zeg dagelijks hardop megyek–mész–megy, jövök–jössz–jön en eszem–eszel–eszik. Voeg pas daarna meervoudsvormen toe. Zo krijgen de onregelmatige wisselingen een eigen klankpatroon.
  2. Maak paren met een ander voorwerp. Schrijf bijvoorbeeld Látok egy buszt naast Látom a buszt, en Iszik vizet naast Issza a vizet. Markeer zowel het lidwoord als de veranderde werkwoordsvorm.
  3. Beschrijf één gewone dag zonder voornaamwoorden. Gebruik korte zinnen als Reggel kávét iszom. Dolgozni megyek. Délben eszem. Controleer daarna of je alleen bij echt contrast én, te of ő nodig hebt.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het HongaarsA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen