B1

Used to en would in het Engels

Used to

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.

In het kort

Gebruik used to + basiswerkwoord voor vroegere gewoontes en toestanden die niet meer gelden: I used to live in Paris. Gebruik would + basiswerkwoord alleen voor handelingen die zich in het verleden herhaalden: We would go there every summer. Be used to + zelfstandig naamwoord of -ing-vorm betekent iets anders, namelijk “gewend zijn aan”: I’m used to working late.

Overzicht

Met de gewone verleden tijd vertel je dat iets gebeurde. Met used to en would kun je preciezer laten horen dat iets vroeger een gewoonte was of regelmatig terugkwam. Dat is vooral nuttig in herinneringen, levensverhalen en beschrijvingen van hoe een situatie in de loop van de tijd is veranderd. Deze vormen worden doorgaans op B1-niveau behandeld, nadat je de gewone verleden tijd al kent.

Voor Nederlandstaligen bestaat er geen perfecte één-op-éénvertaling. Het Nederlandse vroeger kan vaak met used to worden weergegeven, terwijl altijd, dan, vaak of elke zomer soms bij would passen. Toch bepaalt niet het Nederlandse woord, maar de Engelse betekenis welke vorm goed is. Vroeger woonde ik in Utrecht beschrijft bijvoorbeeld een toestand; daarvoor kan used to, maar normaal niet would.

Let vooral op be used to. Hoewel die woordgroep bijna hetzelfde oogt, gaat hij niet noodzakelijk over het verleden. In I am used to the cold betekent used “gewend” en is to een voorzetsel (een verbindingswoord zoals aan). Daarom staat er daarna een zelfstandig naamwoord of een werkwoord op -ing.

Hoe het werkt

De drie constructies naast elkaar

Constructie Opbouw Gebruik Voorbeeld
used to onderwerp + used to + basiswerkwoord vroegere gewoontes en toestanden She used to be shy.
would onderwerp + would + basiswerkwoord herhaalde handelingen in het verleden She would call every Friday.
be used to onderwerp + vorm van be + used to + zelfstandig naamwoord of -ing vertrouwd of gewend zijn aan iets She is used to travelling.

Het onderwerp is wie of wat iets doet of is, bijvoorbeeld I, our neighbours of the shop. Het basiswerkwoord is de onveranderde vorm, zoals live, walk of be. Een zelfstandig naamwoord noemt een persoon, zaak of begrip, zoals noise, my job of cold weather.

Used to voor vroegere gewoontes en toestanden

Used to + basiswerkwoord geeft aan dat iets kenmerkend was voor een vroegere periode. Vaak is het nu niet meer waar. Dat contrast hoeft niet altijd letterlijk te worden uitgesproken; de constructie roept het meestal vanzelf op.

  • I used to cycle to work. — Ik fietste vroeger naar mijn werk.
  • There used to be a cinema here. — Hier was vroeger een bioscoop.
  • He used to believe everything he read. — Vroeger geloofde hij alles wat hij las.

Used to kan dus zowel bij een herhaalde handeling als bij een toestand staan. Een toestandswerkwoord beschrijft geen afgebakende actie, maar bijvoorbeeld zijn, bezitten, kennen, geloven, willen of ergens van houden. Veelvoorkomende voorbeelden zijn be, have, know, believe, like en want.

Zinstype Patroon Voorbeeld
Bevestiging onderwerp + used to + basiswerkwoord We used to eat outside.
Ontkenning onderwerp + didn’t use to + basiswerkwoord We didn’t use to eat outside.
Vraag Did + onderwerp + use to + basiswerkwoord? Did you use to eat outside?

Na did en didn’t schrijf je in de gebruikelijke standaardvorm use to zonder -d: did draagt de verleden tijd al. In gesproken Engels hoor je het verschil nauwelijks. Daardoor is de spelling vooral in vragen en ontkenningen lastig.

De gewone verleden tijd blijft mogelijk, maar legt een ander accent:

  • I worked in a bookshop in 2022. noemt een afgeronde periode.
  • I used to work in a bookshop. presenteert het als een vroegere situatie en suggereert dat dit nu anders is.

Gebruik used to niet voor één losse gebeurtenis. Yesterday I used to miss the bus is daarom niet goed als je bedoelt dat je gisteren één keer de bus miste. Zeg dan: Yesterday I missed the bus.

Would voor terugkerende handelingen

Would + basiswerkwoord kan een handeling beschrijven die in een vroegere periode telkens opnieuw plaatsvond. De vorm komt veel voor in verhalen en herinneringen. Meestal is de periode al duidelijk gemaakt:

When we stayed with my aunt, we would play cards after dinner.

De bijzin When we stayed with my aunt zet het verleden neer. Daarna schildert would een terugkerend tafereel. Zonder zo’n kader kan She would call me ook worden opgevat als een voorwaardelijke betekenis (“ze zou me bellen”). Geef daarom voldoende context met bijvoorbeeld when I was young, every winter of een eerdere zin.

Would werkt hier alleen bij herhaalde handelingen, niet bij toestanden:

  • Goed: Every summer, we would rent a cottage.
  • Niet voor een toestand: We would own a cottage near the sea.
  • Wel: We used to own a cottage near the sea.

Bij sommige werkwoorden hangt het verschil van de bedoelde betekenis af. Have is een toestand als het bezit betekent: I used to have a red bike. In We would have lunch at noon betekent have echter “lunchen”; dat is een herhaalde activiteit en would kan dus wel.

Be used to: gewend zijn aan

In be used to wordt be vervoegd volgens tijd en onderwerp. De constructie zegt dat iets vertrouwd, normaal of niet meer moeilijk is.

Tijd of vorm Voorbeeld Betekenis
Tegenwoordige tijd I am used to the traffic. Ik ben gewend aan het verkeer.
Verleden tijd She was used to working alone. Ze was gewend alleen te werken.
Voltooide tijd They have become used to it. Ze zijn eraan gewend geraakt.
Na een modaal werkwoord You will soon be used to it. Je zult er snel aan gewend zijn.

Na to volgt hier:

  • een zelfstandig naamwoord: used to the noise;
  • een voornaamwoord (een woord dat naar iemand of iets verwijst): used to it;
  • een -ing-vorm als er een handeling volgt: used to getting up early.

Vergelijk zorgvuldig:

  • I used to work nights. — Ik werkte vroeger ’s nachts; waarschijnlijk nu niet meer.
  • I am used to working nights. — Ik ben eraan gewend ’s nachts te werken.

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Toelichting
I used to live in Paris. Ik woonde vroeger in Parijs. Een vroegere toestand die nu niet meer geldt.
She didn’t use to like coffee. Vroeger hield ze niet van koffie. Ontkenning met didn’t use to.
Did you use to walk to school? Ging je vroeger lopend naar school? Vraag naar een vroegere gewoonte.
There used to be a bakery on this corner. Op deze hoek zat vroeger een bakkerij. There used to be beschrijft een verdwenen situatie.
My brother used to have very long hair. Mijn broer had vroeger heel lang haar. Bezit is een toestand; gebruik used to.
We would go there every summer. We gingen daar elke zomer naartoe. Een herhaalde handeling binnen een duidelijke periode.
After dinner, Dad would read us a story. Na het eten las papa ons altijd een verhaal voor. Would roept een terugkerend tafereel op.
Whenever it snowed, the children would build a fort. Als het sneeuwde, bouwden de kinderen altijd een fort. Whenever maakt de herhaling duidelijk.
On quiet evenings, we would sit outside and talk. Op rustige avonden zaten we buiten te praten. Twee terugkerende handelingen in een herinnering.
I’m used to working late. Ik ben gewend laat te werken. Na be used to staat de -ing-vorm.
Are you used to the weather yet? Ben je al gewend aan het weer? Na to staat een zelfstandig naamwoord.
At first the office was confusing, but I’m used to it now. Eerst was het kantoor verwarrend, maar nu ben ik eraan gewend. It verwijst terug naar de situatie.
She wasn’t used to speaking in public. Ze was niet gewend in het openbaar te spreken. Be used to kan ook in de verleden tijd.

Veelgemaakte fouten

Would gebruiken voor een toestand

  • Onjuist: When I was a child, I would be very shy.
  • Juist: When I was a child, I used to be very shy.
  • Waarom: Verlegen zijn is een toestand, geen handeling die telkens opnieuw wordt uitgevoerd. Used to kan met beide soorten betekenis overweg; het gewoonte-would niet.

Een -ing-vorm na used to zetten

  • Onjuist: I used to working from home.
  • Juist: I used to work from home.
  • Waarom: Na het vroegere-gewoonte-used to komt het basiswerkwoord. Alleen na be used to past een -ing-vorm: I am used to working from home.

De d laten staan na did

  • Onjuist: Did she used to play tennis?
  • Juist: Did she use to play tennis?
  • Waarom: Did markeert de verleden tijd al. Daarom krijgt use in de standaardspelling geen -d. Hetzelfde geldt voor She didn’t use to play tennis.

Used to voor één gebeurtenis gebruiken

  • Onjuist: Last night we used to watch a film.
  • Juist: Last night we watched a film.
  • Waarom: Eén concrete gebeurtenis vraagt om de gewone verleden tijd. Used to beschrijft een gewoonte of toestand in een vroegere periode.

Het werkwoord be vergeten

  • Onjuist: I used to the cold now.
  • Juist: I am used to the cold now.
  • Waarom: “Gewend zijn aan” is be used to. Zonder een vorm van be lijkt de zin op de constructie voor een vroegere gewoonte, maar daar zou na to een basiswerkwoord moeten komen.

Gebruiksnotities

Used to is heel gewoon in zowel gesproken als geschreven Engels. Het legt doorgaans een contrast met het heden vast, maar dat contrast kan ook alleen uit de context blijken. Did you use to play football? vraagt naar een vroegere periode; de spreker hoeft niet zeker te weten dat je nu bent gestopt.

Would heeft in herinneringen vaak een warmere of meer verhalende klank. Een spreker introduceert een periode geregeld eerst met used to of de gewone verleden tijd en gebruikt daarna would voor losse, terugkerende scènes: We used to spend August at the coast. Every morning, my grandfather would make breakfast. Dat klinkt natuurlijker dan een reeks zinnen zonder duidelijk tijdskader.

In ontkennende zinnen zie je naast didn’t use to soms used not to, vooral in Brits en wat formeler Engels: He used not to complain. Voor de meeste leerders is didn’t use to de veiligste, meest algemene keuze. De spelling didn’t used to komt in informeel gebruik voor doordat de uitspraak dubbelzinnig is, maar wordt in verzorgd standaardengels meestal vermeden.

Let ook op de uitspraak. In used to klinkt de woordgroep meestal ongeveer als yoosta; de d wordt niet als een duidelijke /d/ uitgesproken. In be used to heeft used doorgaans een /z/-klank, zoals in het Engelse werkwoord use wanneer dat “gebruiken” betekent. Je hoeft die klanknotatie niet uit het hoofd te leren, maar luister bewust naar het verschil.

Verder dan de basis

Get used to: ergens aan wennen

Be used to beschrijft het resultaat: je bént gewend. Get used to beschrijft het proces: je raakt eraan gewend.

  • I’m used to the new software. — Ik ben gewend aan de nieuwe software.
  • I’m getting used to the new software. — Ik begin aan de nieuwe software te wennen.
  • It took me months to get used to driving on the left. — Het kostte me maanden om te wennen aan links rijden.

Ook na get used to volgt een zelfstandig naamwoord, een voornaamwoord of een -ing-vorm. Het woord to is hier dus opnieuw een voorzetsel, niet het teken van een infinitief (de basisvorm van een werkwoord).

Would heeft meer dan één functie

Dezelfde vorm would wordt ook gebruikt voor voorwaarden, beleefde verzoeken en de “toekomst gezien vanuit het verleden”:

  • I would travel more if I had time. — Ik zou meer reizen als ik tijd had.
  • Would you open the window? — Zou je het raam willen openen?
  • She said she would call. — Ze zei dat ze zou bellen.

Alleen context maakt duidelijk of would een vroegere gewoonte betekent. Bij een gewoonte verwacht je doorgaans een vroegere periode én een aanwijzing voor herhaling.

Used to zegt niet altijd dat verandering onmogelijk terug te draaien is

De constructie suggereert een verschil met nu, maar doet geen absolute uitspraak over de toekomst. I used to run every day betekent dat dagelijks hardlopen niet meer je huidige gewoonte is. Het sluit niet uit dat je er morgen opnieuw mee begint.

Niet verwarren met de lijdende vorm van use

In This tool is used to cut glass betekent is used “wordt gebruikt” en geeft to cut het doel aan: “om glas te snijden”. Dat is niet be used to in de betekenis “gewend zijn aan”. Vergelijk:

  • This knife is used to cut bread. — Dit mes wordt gebruikt om brood te snijden.
  • I am used to cutting bread with this knife. — Ik ben gewend brood met dit mes te snijden.

De vorm na to helpt: bij een doel staat het basiswerkwoord cut; bij gewenning staat de -ing-vorm cutting.

Oefentips

  1. Maak drie kolommen. Schrijf vijf herinneringen met used to, herschrijf alleen de herhaalde handelingen met would, en maak daarna vijf zinnen met be used to over je huidige werk of dagelijks leven. Zo oefen je het betekenisverschil, niet alleen de vorm.
  2. Vertel één jeugdherinnering in lagen. Begin met een tijdskader en een toestand: When I was ten, we used to live near a river. Voeg daarna drie terugkerende scènes met would toe. Controleer of elk werkwoord na would echt een handeling uitdrukt.
  3. Gebruik de wisseltest. Vraag bij elke zin: betekent dit “vroeger wel, nu niet”, “telkens gebeurde dit”, of “dit is vertrouwd”? Kies daarna pas tussen used to, would en be used to. Vertaal dus niet automatisch elk Nederlands vroeger op dezelfde manier.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige past simple in het EngelsA2

Meer B1-concepten

Oefen Used to in Engels met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Engels · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen