A1

Vraagwoorden in het Engels

Question Words

Overzicht

Vraagwoorden gebruik je om specifieke informatie te vragen. In het Engels zijn de belangrijkste vraagwoorden: what, where, when, who, why, how en combinaties zoals how much, how many, how long, how often. Ze staan altijd aan het begin van de vraag.

Voor Nederlandstaligen is de overeenkomst redelijk groot: "what = wat", "where = waar", "when = wanneer", "who = wie", "why = waarom", "how = hoe". Toch zijn er valkuilen, met name in de woordvolgorde na het vraagwoord.

Na een vraagwoord volgt de normale vraagvolgorde: vraagwoord + do/does/is/are + onderwerp + werkwoord. Als het vraagwoord zelf het onderwerp is (zoals bij "who"), gebruik je geen "do/does".

Hoe het werkt

Vraagwoord Nederlands Vraagt naar
What Wat ding, actie, informatie
Where Waar locatie
When Wanneer tijd
Who Wie persoon (onderwerp of object)
Why Waarom reden
How Hoe manier, toestand
Which Welke keuze uit opties
Whose Van wie bezit

Combinaties met "how"

Vraagwoord Betekenis Voorbeeld
How much hoeveel (niet-telbaar) How much does it cost?
How many hoeveel (telbaar) How many people are there?
How long hoe lang How long does it take?
How often hoe vaak How often do you exercise?
How old hoe oud How old are you?
How far hoe ver How far is the station?

Woordvolgorde: vraagwoord + hulpwerkwoord + onderwerp + werkwoord

Vraag Structuur
Where do you live? waar + do + jij + wonen
What does she do? wat + does + zij + doen
When is the meeting? wanneer + is + de vergadering
Who did you see? wie + did + jij + zien

Uitzondering: als het vraagwoord het onderwerp is, geen "do/does":

  • Who called you? (niet: "Who did called you?")
  • What happened? (niet: "What did happened?")

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Opmerking
What is your name? Wat is jouw naam? basisvraag
Where do you live? Waar woon jij? locatie
When does the train leave? Wanneer vertrekt de trein? tijd
Who is she? Wie is zij? persoon
Why are you tired? Waarom ben je moe? reden
How are you? Hoe gaat het met je? toestand
Which colour do you prefer? Welke kleur heb jij liever? keuze
How much is this? Hoeveel kost dit? prijs
How many students are there? Hoeveel studenten zijn er? telbaar
Whose bag is this? Van wie is deze tas? bezit

Veelgemaakte fouten

"What" en "which" door elkaar halen

  • Fout: What colour do you prefer: red or blue?
  • Correct: Which colour do you prefer: red or blue?
  • Waarom: Gebruik "which" als je een keuze maakt uit een beperkte set opties.

Do/does weglaten na vraagwoord

  • Fout: Where you live?
  • Correct: Where do you live?
  • Waarom: Na een vraagwoord heb je nog steeds het hulpwerkwoord "do/does" nodig.

"How" en "what" door elkaar halen

  • Fout: How is your name?
  • Correct: What is your name?
  • Waarom: "How" vraagt naar een toestand of manier. "What" vraagt naar een ding of feit.

Oefentips

  • Antwoord → Vraag: Neem een antwoord en bedenk de bijbehorende vraag: "I live in Rotterdam." → "Where do you live?"
  • Oefen in dagelijkse situaties: Stel jezelf vragen over je dag: "What did I do today? When did I wake up? How long did I sleep?"
  • Interviewopdracht: Schrijf een interview met tien vragen en beantwoord ze ook. Gebruik zo veel mogelijk verschillende vraagwoorden.

Verwante concepten

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Wil je Vraagwoorden in het Engels en meer Engels-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen