A2

Modale werkwoorden in het Vietnamees

Động Từ Tình Thái

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Vietnamees op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Vietnamese modale werkwoorden veranderen niet van vorm. Meestal staan ze vóór het hoofdwerkwoord: phải đi (moeten gaan), nên nghỉ (beter rusten), muốn ăn (willen eten). Được vraagt extra aandacht: vóór een werkwoord betekent het vaak ‘mogen’ of ‘de kans krijgen’, terwijl het ná een werkwoord vaak ‘kunnen’ of ‘erin slagen’ uitdrukt.

Overzicht

Met een modaal werkwoord geef je aan hoe iemand tegenover een handeling staat: is iets mogelijk, verplicht, wenselijk, toegestaan, gewenst of nodig? In het Vietnamees doe je dat onder meer met có thể, được, phải, nên, muốn en cần. Deze woorden vormen een combinatie met een hoofdwerkwoord (het werkwoord dat de eigenlijke handeling noemt), bijvoorbeeld đi ‘gaan’ in phải đi ‘moeten gaan’.

Dit onderwerp hoort bij niveau A2. De basis is overzichtelijk, omdat Vietnamese werkwoorden niet worden vervoegd: tôi phải đi, chị ấy phải đi en chúng tôi phải đi bevatten allemaal dezelfde vorm phải. Wie Nederlands spreekt, hoeft dus geen verschil te leren zoals tussen ‘ik wil’ en ‘wij willen’. Het belangrijke werk zit in de keuze van het juiste modale woord en, vooral bij được, in de plaats ervan.

Een Nederlandse vertaling geeft niet altijd één vast Vietnamees equivalent. Nederlands ‘kunnen’ kan zowel có thể als een combinatie met được worden. ‘Mogen’ is vaak được, maar een beleefd verzoek gebruikt ook geregeld có thể ... không?. En het verschil tussen ‘niet moeten’ in de betekenis ‘het hoeft niet’ en ‘niet mogen’ moet in het Vietnamees duidelijk worden gemaakt met verschillende constructies.

Hoe het werkt

De basisvolgorde

De eenvoudigste bouwsteen is:

onderwerp + modaal werkwoord + hoofdwerkwoord + aanvulling

Het onderwerp is degene over wie de zin gaat. Een aanvulling kan bijvoorbeeld het lijdend voorwerp zijn (wie of wat de handeling ondergaat), een plaats of een tijdsbepaling.

Functie Patroon Voorbeeld Betekenis
mogelijkheid có thể + werkwoord Tôi có thể đến. Ik kan komen.
verplichting phải + werkwoord Bạn phải đi. Je moet gaan.
advies nên + werkwoord Bạn nên nghỉ. Je zou moeten rusten.
wens muốn + werkwoord Tôi muốn ăn. Ik wil eten.
noodzaak cần + werkwoord Chúng ta cần nói chuyện. We moeten / dienen te praten.
toestemming of kans được + werkwoord Hôm nay tôi được nghỉ. Vandaag mag ik vrij nemen / heb ik vrij.
vermogen of haalbaarheid werkwoord + được Tôi đọc được. Ik kan het lezen.

Anders dan in het Nederlands wordt het hoofdwerkwoord niet naar het einde van een lange zin gestuurd. Vergelijk ‘Morgen moet ik thuis werken’ met Ngày mai tôi phải làm việc ở nhà: phải en làm việc blijven bij elkaar.

Có thể: kunnen, mogelijk zijn

Có thể + werkwoord drukt neutrale mogelijkheid, vermogen of onzekerheid uit. Het kan daarom overeenkomen met ‘kunnen’, ‘mogelijk zijn’ of soms ‘misschien’.

  • Tôi có thể giúp bạn. — Ik kan je helpen.
  • Ngày mai anh ấy có thể đến. — Morgen kan hij komen.
  • Có thể trời sẽ mưa. — Misschien gaat het regenen.

De ontkenning is không thể + werkwoord: Tôi không thể đi betekent ‘Ik kan niet gaan’ of ‘Het is voor mij onmogelijk om te gaan’. Dit klinkt vaak stelliger dan een ontkenning met được.

In een vraag kan có thể een beleefd verzoek inleiden:

  • Bạn có thể nói chậm hơn không? — Kun je langzamer spreken?

Het vraagpaar có ... không? zet als het ware een ja-neevraag om de hele werkwoordgroep heen. Het eerste hoort hier bij de vraagvorm; in có thể is bovendien een vast deel van de uitdrukking.

Được: plaats bepaalt de kernbetekenis

Được is het veelzijdigste woord in deze groep. Leer aanvankelijk twee duidelijke patronen.

Được vóór het werkwoord: mogen of de gelegenheid krijgen

onderwerp + được + werkwoord

  • Tôi được về sớm. — Ik mag vroeg naar huis.
  • Chúng tôi được gặp cô ấy. — Wij kregen de gelegenheid haar te ontmoeten.

De ontkenning không được + werkwoord betekent meestal dat iets niet is toegestaan: Không được hút thuốc ở đây is ‘Hier mag niet worden gerookt’. Dit gaat dus niet vanzelf over lichamelijk vermogen.

Được na het werkwoord: kunnen, haalbaar zijn of slagen

onderwerp + werkwoord + được (+ voorwerp)

  • Tôi nói được tiếng Việt. — Ik kan Vietnamees spreken.
  • Em bé đi được rồi. — De baby kan nu lopen.
  • Tôi không mở được cửa. — Ik krijg de deur niet open.

Bij een kort voorwerp komt được soms ook aan het einde van de werkwoordgroep: Tôi nói tiếng Việt được. Dat is de volgorde van het voorbeeld bij dit onderwerp en is natuurlijk Vietnamees. Tôi nói được tiếng Việt is eveneens gewoon. De vorm met werkwoord + được legt vaak nadruk op praktische haalbaarheid of een bereikt resultaat: lukt de handeling werkelijk?

Voor toestemming of een verzoek is ... được không? zeer gebruikelijk:

  • Tôi ngồi đây được không? — Mag ik hier zitten?
  • Bạn giúp tôi được không? — Kun je me helpen?

Los gebruikt kan Được. ook ‘Goed’, ‘Akkoord’ of ‘Dat kan’ betekenen.

Phải: moeten en verplicht zijn

Phải + werkwoord drukt een sterke noodzaak of verplichting uit.

  • Tôi phải làm việc. — Ik moet werken.
  • Bạn phải mang hộ chiếu. — Je moet je paspoort meenemen.

Een heel nuttig contrast voor Nederlandstaligen is:

Bedoeling Vietnamees Nederlandse betekenis
verplicht phải đi moeten gaan
niet nodig không cần (phải) đi niet hoeven te gaan
verboden không được đi niet mogen gaan

Het Nederlandse ‘je moet niet gaan’ is dubbelzinnig: het kan een advies zijn of een verbod. Kies in het Vietnamees nauwkeuriger voor không nên đi (‘je kunt beter niet gaan’) of không được đi (‘je mag niet gaan’).

Nên: advies en verstandige keuze

Nên + werkwoord geeft advies: iets is raadzaam, verstandig of passend. Het is minder dwingend dan phải.

  • Bạn nên nghỉ ngơi. — Je zou moeten rusten.
  • Chúng ta nên đi sớm. — We kunnen beter vroeg vertrekken.

De ontkenning is không nên + werkwoord: Bạn không nên thức khuya betekent ‘Je kunt beter niet laat opblijven’. In natuurlijk Nederlands is ‘kunnen beter’ of ‘zou moeten’ vaak een betere vertaling dan letterlijk ‘moeten’.

Het onderwerp kan worden weggelaten als uit de situatie duidelijk is voor wie het advies geldt: Nên nghỉ ngơi — ‘Je kunt beter rusten’ of algemener ‘Rust nemen is verstandig’.

Muốn: willen

Muốn + werkwoord drukt een wens of bedoeling uit.

  • Tôi muốn học tiếng Việt. — Ik wil Vietnamees leren.
  • Bạn muốn ăn gì? — Wat wil je eten?

De ontkenning không muốn + werkwoord betekent ‘niet willen’: Tôi không muốn đợi — ‘Ik wil niet wachten’. Het woord verandert niet met persoon of getal. Vietnamese gesprekspartners laten het onderwerp vaak weg wanneer het al duidelijk is: Muốn uống gì? betekent in de context ‘Wat wil je drinken?’

Een wens voor een zelfstandig naamwoord kan zonder extra hoofdwerkwoord voorkomen: Tôi muốn một ly cà phê — ‘Ik wil een kop koffie’. Een zelfstandig naamwoord is hier een woord voor een persoon, zaak of begrip, zoals cà phê ‘koffie’.

Cần: nodig hebben of nodig zijn

Cần + werkwoord zegt dat een handeling nodig is. Cần phải + werkwoord maakt de noodzaak nadrukkelijker.

  • Tôi cần nghỉ. — Ik moet rusten / Ik heb rust nodig.
  • Chúng ta cần đặt bàn trước. — We moeten vooraf een tafel reserveren.
  • Bạn cần phải cẩn thận. — Je moet echt voorzichtig zijn.

Met không cần (phải) + werkwoord zeg je dat iets niet hoeft: Bạn không cần phải trả tiền — ‘Je hoeft niet te betalen’. Dit patroon is belangrijker dan een woord-voor-woordvertaling van Nederlands ‘niet moeten’.

Cần kan ook rechtstreeks voor een zelfstandig naamwoord staan: Tôi cần nước — ‘Ik heb water nodig’.

Tijd zonder vervoeging

Modale en andere werkwoorden krijgen geen andere uitgang voor verleden of toekomst. Tijd blijkt uit de context, uit een tijdsaanduiding of uit woorden als đã (handeling vóór het referentiemoment), đang (handeling aan de gang) en sẽ (toekomst). Zulke markeerders staan doorgaans vóór de modale groep.

  • Hôm qua tôi đã phải đợi hai tiếng. — Gisteren moest ik twee uur wachten.
  • Sau khóa học, bạn sẽ có thể nói chuyện tự tin hơn. — Na de cursus zul je zelfverzekerder kunnen praten.
  • Tôi đang muốn tìm một công việc mới. — Ik wil momenteel een nieuwe baan zoeken.

Voorbeelden in context

Vietnamees Nederlands Toelichting
Tôi nói tiếng Việt được. Ik kan Vietnamees spreken. Được na de handeling: vaardigheid.
Tôi có thể giúp bạn chiều nay. Ik kan je vanmiddag helpen. Neutrale mogelijkheid.
Chị ấy có thể đến muộn. Misschien komt zij laat. Onzekere mogelijkheid.
Tôi không thể ngủ. Ik kan niet slapen. Onmogelijkheid met không thể.
Em bé đi được rồi. De baby kan nu lopen. Een nieuw bereikt vermogen; rồi markeert de nieuwe situatie.
Hôm nay tôi được về sớm. Vandaag mag ik vroeg naar huis. Được vóór het werkwoord: toestemming.
Tôi ngồi đây được không? Mag ik hier zitten? Vraag om toestemming.
Bạn phải đi. Je moet gaan. Duidelijke verplichting.
Ngày mai tôi phải dậy sớm. Morgen moet ik vroeg opstaan. De tijd staat aan het begin.
Chúng ta cần đặt bàn trước. We moeten vooraf een tafel reserveren. Praktische noodzaak.
Bạn không cần phải mang khăn tắm. Je hoeft geen handdoek mee te nemen. Afwezigheid van noodzaak.
Anh nên nghỉ ngơi một chút. Je kunt beter even rusten. Vriendelijk advies aan een mannelijke aangesprokene.
Bạn không nên uống quá nhiều cà phê. Je kunt beter niet te veel koffie drinken. Negatief advies, geen verbod.
Tôi muốn học tiếng Việt. Ik wil Vietnamees leren. Wens of bedoeling.
Muốn ăn gì? Wat wil je eten? Het onderwerp is duidelijk uit de situatie.
Có thể tối nay trời sẽ mưa. Misschien gaat het vanavond regenen. Có thể slaat op de waarschijnlijkheid van de hele zin.

Veelgemaakte fouten

Được altijd vóór het hoofdwerkwoord zetten

  • Onbedoeld: Tôi được nói tiếng Việt.
  • Bedoeld: Tôi nói được tiếng Việt.
  • Waarom: De eerste zin kan betekenen dat je Vietnamees mág spreken of de gelegenheid krijgt het te spreken. Voor de vaardigheid ‘Vietnamees kunnen spreken’ staat được na nói.

‘Niet hoeven’ met een letterlijk ontkende plicht weergeven

  • Onduidelijk voor de bedoelde betekenis: Bạn không phải đi.
  • Duidelijk: Bạn không cần phải đi.
  • Waarom: Không phải heeft ook de veelvoorkomende betekenis ‘niet zijn / niet het geval zijn’ en kan zonder context anders worden opgevat. Không cần phải drukt ondubbelzinnig uit dat gaan niet nodig is.

Een advies te sterk maken

  • Te sterk: Bạn phải nghỉ ngơi.
  • Passend advies: Bạn nên nghỉ ngơi.
  • Waarom: Phải legt een verplichting op. Kies nên als je bedoelt dat rust verstandig is, niet dat iemand ertoe verplicht is.

Niet kunnen en niet mogen verwarren

  • Verkeerd voor lichamelijke onmogelijkheid: Tôi không được đi.
  • Juist: Tôi không đi được.
  • Waarom: Không được đi betekent doorgaans ‘ik mag niet gaan’. Không đi được betekent ‘ik kan niet gaan’, bijvoorbeeld door ziekte, vervoer of andere omstandigheden.

De Nederlandse werkwoordvolgorde kopiëren

  • Onnatuurlijk: Ngày mai tôi phải ở nhà công việc làm.
  • Juist: Ngày mai tôi phải làm việc ở nhà.
  • Waarom: Het Vietnamese hoofdwerkwoord làm việc blijft direct na phải. Bouw de zin niet volgens het Nederlandse patroon waarin ‘werken’ achteraan kan staan.

Te veel modale woorden opstapelen

  • Onnatuurlijk als gewoon advies: Bạn phải nên nghỉ.
  • Juist: Bạn nên nghỉ.
  • Waarom: Kies het woord dat je bedoeling het best weergeeft. Combinaties bestaan, maar phải nên is geen algemene versterking van ‘zou moeten’.

Gebruiksnotities

Het Nederlandse ‘kunnen’ is breder dan één Vietnamese vorm

Gebruik có thể voor een neutrale mogelijkheid en vaak ook voor een beleefd verzoek. Gebruik werkwoord + được wanneer praktische haalbaarheid, vaardigheid of een geslaagd resultaat centraal staat. Beide zijn soms mogelijk, maar de nadruk verschilt:

  • Tôi có thể mở cửa. — Ik kan de deur openen; dat is mogelijk of ik ben beschikbaar om het te doen.
  • Tôi mở được cửa. — Ik krijg de deur open; het lukt.

De combinatie có thể ... được komt ook voor: Tôi có thể làm được benadrukt dat iemand werkelijk in staat is het voor elkaar te krijgen. Beschouw dit dus niet automatisch als overbodige dubbeling.

Mogen, verzoeken en beleefdheid

Voor een directe toestemmingsvraag is ... được không? bijzonder nuttig. Bạn có thể ... không? is vaak een beleefd verzoek om een handeling. De gekozen aanspreekvorm — bijvoorbeeld bạn, anh, chị, of chú — draagt in het Vietnamees sterk bij aan de sociale toon. Een grammaticaal correcte vraag kan afstandelijk of ongepast klinken als de aanspreekvorm niet bij de relatie past.

Onderwerpen worden in gesprekken vaak weggelaten

In het Nederlands staat meestal ‘ik’, ‘je’ of ‘u’ in een volledige mededelende zin. In het Vietnamees kan dat woord ontbreken zodra de gesprekssituatie duidelijk genoeg is: Cần đặt trước không? (‘Moeten we vooraf reserveren?’) of Không muốn đi (‘[Ik/hij/zij] wil niet gaan’). Begin als leerder gerust met een expliciet onderwerp; leer weglating vooral herkennen in gesprekken.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.

Được als passieve of gunstige gebeurtenis

Được kan ook aangeven dat het onderwerp iets ontvangt of een doorgaans gunstige gebeurtenis ondergaat:

  • Tôi được mời đến dự tiệc. — Ik ben uitgenodigd voor het feest.
  • Cô ấy được mọi người yêu quý. — Zij is geliefd bij iedereen.

Dit gebruik lijkt op een passieve constructie (een vorm waarin het onderwerp de handeling ondergaat in plaats van uitvoert), maar sluit inhoudelijk aan bij ‘het voorrecht of geluk hebben dat iets gebeurt’. Bij een ongunstige gebeurtenis wordt vaak bị gebruikt. Dat contrast is een apart gevorderd onderwerp.

Phải in noodzakelijke voorwaarden

In het patroon phải ... mới ... is de eerste handeling een noodzakelijke voorwaarde voor de tweede:

  • Phải luyện tập thường xuyên mới nói tốt được. — Alleen door regelmatig te oefenen kun je goed leren spreken.

Een letterlijke Nederlandse vertaling met tweemaal ‘moeten’ werkt hier slecht. Denk liever aan ‘pas als’ of ‘alleen door’.

Muốn ... thì ... voor voorwaarden en keuzes

Muốn ... thì ... koppelt een gewenst resultaat aan wat daarvoor nodig is:

  • Muốn nói tiếng Việt tốt thì phải luyện tập mỗi ngày. — Als je goed Vietnamees wilt spreken, moet je elke dag oefenen.

Het onderwerp kan algemeen blijven. De zin geeft dan advies dat voor iedereen geldt.

Modale betekenis hangt ook van context af

Een vraag als Anh phải đi không? kan vragen of iemand moet gaan. In andere zinnen is phải không? een bevestigingsvraag met de betekenis ‘toch?’ of ‘klopt dat?’, bijvoorbeeld Anh là giáo viên, phải không? — ‘U bent leraar, toch?’ Hier is phải geen modaal werkwoord bij đi, maar onderdeel van een vaste vraaguitdrukking. Let daarom niet alleen op het woord, maar ook op wat er direct vóór en na staat.

Oefentips

  1. Maak contrastparen. Schrijf bij één situatie drie zinnen: Tôi có thể đi (ik kan gaan), Tôi phải đi (ik moet gaan) en Tôi muốn đi (ik wil gaan). Zo koppel je elk woord aan een bedoeling in plaats van aan één losse Nederlandse vertaling.
  2. Oefen de drie ontkenningen apart. Gebruik één werkwoord in không đi được (niet kunnen gaan), không được đi (niet mogen gaan) en không cần phải đi (niet hoeven te gaan). Spreek ook hardop uit waar được staat.
  3. Luister naar korte vragen. Noteer in Vietnamese gesprekken voorbeelden van ... được không?, có thể ... không? en muốn ... gì?. Kijk vervolgens welke aanspreekvorm wordt gebruikt en welk woord in de Nederlandse ondertiteling natuurlijk klinkt.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Basisstructuur van Vietnamese werkwoordenA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Động Từ Tình Thái in Vietnamees met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Vietnamees · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen