Samengestelde tijden in het Iers
Foirmeacha Comhshuite
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Iers op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Het Iers drukt voltooiing en nabijheid vaak uit met een vorm van bí (‘zijn’) plus een vaste woordgroep en een verbaal substantief: tá + tar éis/i ndiaidh betekent dat iets zojuist of inmiddels gebeurd is, en tá + ar tí dat iets op het punt staat te gebeuren. Zet tá in het verleden als het referentiepunt in het verleden ligt: Bhí sé tar éis imeacht betekent ‘Hij was al/net vertrokken’ en Bhí sé ar tí imeacht ‘Hij stond op het punt te vertrekken’.
Overzicht
De Ierse naam Foirmeacha Comhshuite betekent letterlijk ‘samengestelde vormen’. Het gaat hier niet om één vervoeging met een eigen reeks uitgangen, maar om constructies van meerdere woorden. Ze geven aspect aan: de manier waarop een spreker naar het verloop of resultaat van een gebeurtenis kijkt. Is de handeling al voltooid? Is het resultaat nu relevant? Of staat de gebeurtenis juist op het punt te beginnen?
Deze nuances worden op B2-niveau belangrijk. Met de gewone verleden tijd Léigh mé an leabhar vertel je eenvoudig dat je het boek las. Met Tá mé tar éis an leabhar a léamh presenteer je het lezen als pas voltooid of als relevant voor het huidige moment. Het Nederlands gebruikt daarvoor vaak ‘hebben/zijn + voltooid deelwoord’, eventueel met net of al. Het Iers gebruikt geen Nederlands aandoend voltooid deelwoord, maar een verbaal substantief: een werkwoordsvorm die een activiteit benoemt, zoals léamh ‘lezen’ en dul ‘gaan’.
De term ‘samengestelde tijden’ is dus handig, maar niet helemaal letterlijk. De tijd zit vooral in tá, bhí, beidh enzovoort; tar éis, i ndiaidh en ar tí voegen de kijk op de gebeurtenis toe. Dat verschil helpt voorkomen dat je elk Nederlands perfectum (een vorm als ‘heeft gelezen’) automatisch met tar éis vertaalt.
Zo werkt het
Het basisschema
Het onderwerp staat na de vervoegde vorm van bí. Daarna volgt de aspectgroep en vervolgens de handeling.
| Betekenis | Iers schema | Voorbeeld | Nederlandse strekking |
|---|---|---|---|
| pas of inmiddels voltooid | vorm van bí + onderwerp + tar éis + verbaal substantief | Tá Aoife tar éis teacht. | Aoife is net aangekomen. |
| pas of inmiddels voltooid | vorm van bí + onderwerp + i ndiaidh + verbaal substantief | Tá Aoife i ndiaidh teacht. | Aoife is net aangekomen. |
| op het punt staan | vorm van bí + onderwerp + ar tí + verbaal substantief | Tá Aoife ar tí imeacht. | Aoife staat op het punt te vertrekken. |
Bij een zelfstandig onderwerp komt dat dus waar in het Nederlands vaak het onderwerp vóór de persoonsvorm staat: Tá Aoife... tegenover ‘Aoife is...’. Bij een voornaamwoord krijg je bijvoorbeeld tá mé, tá tú, tá sé/sí en tá siad.
Tar éis: voltooid met een relevant resultaat
Tar éis betekent als voorzetselachtige woordgroep letterlijk ‘na’. In deze constructie kijk je terug vanaf een bepaald referentiepunt:
- Tá mé tar éis ithe. — Ik heb net gegeten / ik heb inmiddels gegeten.
- Bhí mé tar éis ithe. — Ik had net/al gegeten.
- Beidh mé tar éis ithe faoin am sin. — Tegen die tijd zal ik gegeten hebben.
De context bepaalt of net, al of alleen een Nederlandse voltooide tijd het beste past. Tar éis betekent niet in elke zin verplicht ‘enkele seconden geleden’. Het kan ook benadrukken dat een handeling inmiddels af is en dat dit resultaat nu of op een genoemd tijdstip telt.
De vorm van bí bepaalt het referentiepunt:
| Referentiepunt | Bevestigend | Ontkennend | Vraag |
|---|---|---|---|
| nu | tá ... tar éis | níl ... tar éis | an bhfuil ... tar éis? |
| verleden | bhí ... tar éis | ní raibh ... tar éis | an raibh ... tar éis? |
| toekomst | beidh ... tar éis | ní bheidh ... tar éis | an mbeidh ... tar éis? |
| voorwaardelijk | bheadh ... tar éis | ní bheadh ... tar éis | an mbeadh ... tar éis? |
Je ontkent of bevraagt dus bí, niet tar éis: Níl sí tar éis glaoch (‘Ze heeft niet gebeld’) en An bhfuil siad tar éis tosú? (‘Zijn ze al begonnen?’).
I ndiaidh: ‘na’ als alternatief voltooiingsbeeld
I ndiaidh betekent eveneens ‘na’ en kan in een vergelijkbare constructie een recente, voltooide gebeurtenis uitdrukken: Tá siad i ndiaidh teacht — ‘Ze zijn net aangekomen.’ Ook hier kan het hulpwerkwoord in een andere tijd staan: Bhí siad i ndiaidh teacht — ‘Ze waren net aangekomen.’
Noem dit niet zonder meer een duurvorm. Een echte handeling die op dit moment bezig is, wordt normaal met ag + verbaal substantief uitgedrukt: Tá siad ag teacht betekent ‘Ze zijn aan het komen / Ze komen eraan’. Vergelijk:
| Iers | Wat wordt benadrukt? | Nederlands |
|---|---|---|
| Tá siad ag teacht. | de handeling is gaande | Ze komen eraan. |
| Tá siad i ndiaidh teacht. | de handeling is voltooid | Ze zijn net aangekomen. |
| Tá siad tar éis teacht. | voltooiing of huidig resultaat | Ze zijn net/inmiddels aangekomen. |
Tar éis en i ndiaidh overlappen sterk in deze functie. De precieze voorkeur en gevoelswaarde kunnen per streek en spreker verschillen. Voor actief gebruik is tar éis een veilige, breed herkenbare keuze; het is wel belangrijk i ndiaidh te herkennen.
Ar tí: vlak vóór de gebeurtenis
Met ar tí plaats je het onderwerp juist vóór het begin van een verwachte of dreigende gebeurtenis:
- Tá mé ar tí imeacht. — Ik sta op het punt te vertrekken.
- Bhí an leanbh ar tí titim. — Het kind stond op het punt te vallen.
- Beidh muid ar tí tosú. — We zullen op het punt staan te beginnen.
Ook hier verandert alleen bí voor tijd, ontkenning of vraag: Ní raibh mé ar tí gearán a dhéanamh betekent ‘Ik stond niet op het punt een klacht in te dienen.’ De gebeurtenis na ar tí hoeft niet werkelijk plaats te vinden. Bhí mé ar tí glaoch ort nuair a tháinig tú isteach zegt alleen dat ik bijna ging bellen toen je binnenkwam.
Een lijdend voorwerp toevoegen
Het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat) staat vaak vóór het verbale substantief. Daarna komt het deeltje a. Waar mogelijk veroorzaakt dat séimhiú, de verzachting die met een h wordt geschreven:
- an leabhar a léamh — het boek lezen;
- an doras a dhúnadh — de deur sluiten;
- caife a ól — koffie drinken;
- é a dhéanamh — het doen.
Daarom heet het Tá mé tar éis an leabhar a léamh, niet een woord-voor-woordvolgorde naar Nederlands model. Zonder apart voorwerp volgt het verbale substantief direct: tar éis teacht, i ndiaidh imeacht, ar tí tosú.
Let erop dat de a in an leabhar a léamh onderdeel is van de Ierse constructie. Het is niet het Nederlandse woord ‘te’, hoewel een Nederlandse vertaling soms wel een infinitief met te bevat.
Voorbeelden in context
| Iers | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Tá mé tar éis an leabhar a léamh. | Ik heb het boek net gelezen. | Voltooid vanuit het heden; een zelfstandig voorwerp staat vóór a léamh. |
| Tá Seán tar éis a dhinnéar a ithe. | Seán heeft zijn avondeten al opgegeten. | Het resultaat is nu relevant. |
| Níl sí tar éis freagra a thabhairt fós. | Ze heeft nog geen antwoord gegeven. | Níl ontkent de hele constructie; fós betekent hier ‘nog’. |
| An bhfuil sibh tar éis an obair a chríochnú? | Hebben jullie het werk al afgemaakt? | Een ja-neevraag begint met an bhfuil. |
| Bhí sé tar éis dul abhaile sular ghlaoigh mé. | Hij was al naar huis gegaan voordat ik belde. | De voltooiing ligt vóór een ander moment in het verleden. |
| Ní raibh muid tar éis ithe nuair a thosaigh an cruinniú. | We hadden nog niet gegeten toen de vergadering begon. | Ní raibh geeft een negatief verleden referentiepunt. |
| Beidh siad tar éis teacht faoi mheán lae. | Ze zullen vóór de middag aangekomen zijn. | Toekomstige voltooiing met een duidelijke grens. |
| Tá siad i ndiaidh teacht. | Ze zijn net aangekomen. | I ndiaidh presenteert de aankomst als voltooid. |
| Bhí an traein i ndiaidh imeacht nuair a shroicheamar an stáisiún. | De trein was net vertrokken toen we het station bereikten. | Een recent resultaat gezien vanuit het verleden. |
| Tá an rang ar tí tosú. | De les staat op het punt te beginnen. | De gebeurtenis moet nog beginnen. |
| Bhí mé ar tí dul amach nuair a thosaigh sé ag cur báistí. | Ik stond op het punt naar buiten te gaan toen het begon te regenen. | De tweede gebeurtenis onderbreekt het plan. |
| An bhfuil tú ar tí an doras a oscailt? | Sta je op het punt de deur open te doen? | Voorwerp + a + verbaal substantief. |
| Tá an ghloine ar tí titim den tábla. | Het glas staat op het punt van tafel te vallen. | Ar tí kan ook een dreigende gebeurtenis aanduiden. |
Veelgemaakte fouten
Een Nederlands voltooid deelwoord nabootsen
- Niet: Tá mé tar éis léite an leabhar.
- Wel: Tá mé tar éis an leabhar a léamh.
- Waarom: na tar éis gebruik je hier het verbale substantief léamh. Het voorwerp an leabhar staat ervoor, gevolgd door a; er bestaat in deze zin geen constructie die je woord voor woord op ‘heb gelezen’ kunt bouwen.
Tá onveranderd laten bij een verleden referentiepunt
- Niet: Tá sé tar éis dul abhaile sular tháinig mé.
- Wel: Bhí sé tar éis dul abhaile sular tháinig mé.
- Waarom: als de toestand van ‘al vertrokken zijn’ in het verleden lag, gebruik je bhí. De eerste versie kan alleen passen als je vanuit het heden zegt dat hij vertrokken is; met de bijzin ‘voordat ik kwam’ is bhí de bedoelde vorm.
De ontkenning aan het hoofdwerkwoord vastmaken
- Niet: Tá sí tar éis ní glaoch.
- Wel: Níl sí tar éis glaoch.
- Waarom: ontken de vervoegde vorm van bí: tá → níl, bhí → ní raibh, beidh → ní bheidh.
I ndiaidh verwarren met een lopende handeling
- Niet voor ‘Ze zijn onderweg’: Tá siad i ndiaidh teacht.
- Wel: Tá siad ag teacht.
- Waarom: i ndiaidh teacht zegt dat het komen al voltooid is: ze zijn aangekomen. Ag teacht kijkt naar de handeling terwijl die gaande is.
Ar tí gebruiken voor iets wat al gebeurd is
- Niet voor ‘Ik ben net vertrokken’: Tá mé ar tí imeacht.
- Wel: Tá mé tar éis imeacht.
- Waarom: ar tí kijkt vooruit naar een gebeurtenis die nog moet beginnen; tar éis kijkt terug naar een voltooide gebeurtenis.
De Nederlandse woordvolgorde behouden
- Niet: Aoife tá tar éis teacht.
- Wel: Tá Aoife tar éis teacht.
- Waarom: in een gewone Ierse mededeling staat de vervoegde persoonsvorm vooraan. Hier is dat tá, gevolgd door het onderwerp Aoife.
Gebruiksnotities
De Nederlandse vertaling met ‘net’ is vaak natuurlijk, maar niet automatisch. Tá mé tar éis é a dhéanamh kan afhankelijk van de situatie ‘Ik heb het net gedaan’, ‘Ik heb het inmiddels gedaan’ of eenvoudig ‘Ik heb het gedaan’ betekenen. Wil je het tijdstip exact maken, voeg dan een tijdsbepaling toe. Laat de context bepalen of het resultaat, de recentheid of beide centraal staan.
Omgekeerd hoeft niet elk Nederlands ‘hebben/zijn + voltooid deelwoord’ met tar éis te worden vertaald. Nederlands gebruikt de voltooide tijd ook als gewone vertelvorm: ‘Gisteren heb ik Máire gezien.’ In het Iers is de eenvoudige verleden tijd dan vaak voldoende: Chonaic mé Máire inné. Gebruik tar éis vooral als het afgeronde resultaat ten opzichte van nu of een ander referentiepunt echt van belang is.
Met fós vraagt de polariteit aandacht. Níl sé tar éis teacht fós is ‘Hij is nog niet aangekomen’. In een vraag wordt An bhfuil sé tar éis teacht fós? afhankelijk van de context ‘Is hij al aangekomen?’ of ‘Is hij inmiddels aangekomen?’. Vertaal fós dus niet los van de hele zin.
De constructies komen zowel met personen als met zaken voor: Tá an ríomhaire tar éis stopadh (‘De computer is ermee opgehouden’) en Tá an aimsir ar tí athrú (‘Het weer staat op het punt om te slaan’). Ar tí kan een plan, verwachting of waarschuwing uitdrukken; het zegt niet dat de gebeurtenis uiteindelijk ook gebeurde.
Verder dan de basis
Het referentiepunt verschuiven
Zodra het basisschema vertrouwd is, kun je dezelfde aspectgroep combineren met meer vormen van bí. Daarmee bouw je betekenissen waarvoor het Nederlands verschillende samengestelde tijden gebruikt:
- Beidh an tuairisc tar éis a bheith críochnaithe faoin Aoine. — Het rapport zal tegen vrijdag voltooid zijn.
- Bheadh siad tar éis imeacht murach an stoirm. — Ze zouden vertrokken zijn als de storm er niet was geweest.
- Dúirt sí go raibh sé tar éis glaoch. — Ze zei dat hij had gebeld.
Hier is a bheith het verbale substantief bij bí. Zulke zinnen kunnen meerdere lagen krijgen, maar het principe blijft hetzelfde: de vervoegde vorm zet het referentiepunt; wat na tar éis staat, ligt ervoor en is voltooid.
Resultaat tegenover gebeurtenis
Vergelijk drie manieren om vrijwel dezelfde werkelijkheid te beschrijven:
- Bhris Seán an fhuinneog. — Seán brak het raam.
- Tá Seán tar éis an fhuinneog a bhriseadh. — Seán heeft het raam zojuist gebroken.
- Tá an fhuinneog briste. — Het raam is gebroken.
De eerste zin vertelt de gebeurtenis in de gewone verleden tijd. De tweede verbindt de voltooide handeling met het heden en noemt Seán als handelende persoon. De derde beschrijft vooral de huidige toestand van het raam. Dit onderscheid is nuttiger dan zoeken naar één vaste Ierse tegenhanger van het Nederlandse perfectum.
Letterlijke tijdsrelaties met tar éis en i ndiaidh
Buiten de hier behandelde aspectconstructie kunnen tar éis en i ndiaidh ook letterlijk ‘na’ betekenen. Dan volgt er bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord: tar éis an chruinnithe (‘na de vergadering’) of i ndiaidh na hoibre (‘na het werk’). Verwar die tijdsbepaling niet met een zin die een vorm van bí plus een voltooide handeling bevat. De verwantschap is wel logisch: iemand is als het ware ‘na het doen’ van iets.
Oefentips
- Werk met drietallen. Neem één handeling en maak een lopende, voltooide en op handen zijnde versie: Tá mé ag ithe, Tá mé tar éis ithe, Tá mé ar tí ithe. Zo leer je betekenis, niet alleen een formule.
- Verschuif het tijdsanker. Zet vijf zinnen eerst met tá, daarna met bhí en ten slotte met beidh. Voeg passende woorden toe, zoals anois (‘nu’), nuair a... (‘toen...’) en faoin Aoine (‘tegen vrijdag’).
- Oefen voorwerpen als één blok. Leer combinaties als an leabhar a léamh, an obair a chríochnú en an doras a oscailt. Plaats het hele blok daarna achter tar éis of ar tí.
Gerelateerde concepten
- Vereiste voorkennis: De verleden tijd — helpt je gewone afgeronde gebeurtenissen te onderscheiden van een voltooid resultaat met bhí tar éis.
Vereiste kennis
De verleden tijd in het IersA2Meer B2-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Foirmeacha Comhshuite in Iers met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Iers · B2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen