A1

Het Zweedse werkwoord vara

Verbet Vara

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Zweeds op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Vara betekent meestal ‘zijn’. De belangrijkste vormen zijn är in de tegenwoordige tijd, var in de verleden tijd en har varit in de voltooide tijd. Anders dan het Nederlandse zijn krijgt het werkwoord bij elk persoonlijk voornaamwoord precies dezelfde vorm: jag är, du är, vi är.

Overzicht

Vara is een van de meest gebruikte Zweedse werkwoorden. Je gebruikt het om te zeggen wie of wat iemand is, waar iets zich bevindt, hoe iemand of iets is en hoe het weer is: Jag är lärare (ik ben leraar), Boken är här (het boek is hier) en Det är kallt (het is koud). Dit is basisstof op A1-niveau, want zonder vara kun je jezelf nauwelijks voorstellen of een eenvoudige situatie beschrijven.

Voor Nederlandstaligen is de betekenis meestal vertrouwd, maar de vorm is eenvoudiger dan in het Nederlands. Waar wij ik ben, jij bent en wij zijn onderscheiden, gebruikt het Zweeds steeds är. Ook in het verleden staat bij alle personen var: zowel jag var als de var. Het werkwoord is onregelmatig, maar je hoeft dus per tijd maar één persoonsvorm te onthouden.

Let wel op woorden die om vara heen staan. Een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt) kan zich aanpassen aan een en-woord, een ett-woord of een meervoud: Bilen är röd, Huset är rött, Bilarna är röda. Dat verschil komt niet door een andere vorm van vara, maar door de Zweedse regels voor bijvoeglijke naamwoorden.

Zo werkt het

De belangrijkste vormen

Vara is de infinitief (de onverbogen vorm die in een woordenboek staat). De vorm varit is het supinum: de vorm die na har of hade wordt gebruikt om voltooide tijden te maken. Het Nederlands gebruikt daarvoor doorgaans het voltooid deelwoord geweest.

Functie Zweedse vorm Nederlands Voorbeeld
infinitief vara zijn Jag vill vara hemma. — Ik wil thuis zijn.
tegenwoordige tijd är ben, bent, is, zijn De är här. — Ze zijn hier.
verleden tijd var was, waren Hon var sjuk. — Zij was ziek.
voltooide tijd har varit ben/bent/is/zijn geweest Vi har varit i Malmö. — Wij zijn in Malmö geweest.
voltooid verleden tijd hade varit was/waren geweest Han hade varit trött. — Hij was moe geweest.
gebiedende wijs var wees Var försiktig! — Wees voorzichtig!

De tegenwoordige en verleden tijd veranderen niet met de persoon:

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
jag (ik) jag är jag var
du (jij/u) du är du var
han/hon/hen (hij/zij/die) han/hon/hen är han/hon/hen var
den/det (die/dat, het) den/det är den/det var
vi (wij) vi är vi var
ni (jullie/u) ni är ni var
de (zij) de är de var

Dit vaste patroon geldt voor Zweedse werkwoorden in het algemeen: de persoonsvorm hangt niet af van wie het onderwerp is. Het onderwerp is degene of datgene waarover de zin iets zegt.

Identiteit, beroep en herkomst

Met vara verbind je een persoon of zaak met een naam, identiteit, functie of categorie:

  • Det här är Nora. — Dit is Nora.
  • Samir är läkare. — Samir is arts.
  • Det är min cykel. — Dat is mijn fiets.
  • Vi är nederländare. — Wij zijn Nederlanders.

Bij een beroep zonder verdere bepaling staat normaal geen lidwoord: Hon är lärare, niet Hon är en lärare. Dat lijkt op Nederlands zij is leraar. Als het zelfstandig naamwoord nader wordt omschreven, is een lidwoord wel mogelijk: Hon är en mycket erfaren lärare (zij is een zeer ervaren leraar).

Voor taal en herkomst bestaan verschillende constructies. Jag är svensk betekent ‘ik ben Zweeds/Zweedse’ en Jag kommer från Sverige betekent ‘ik kom uit Zweden’. Zeg voor een woonplaats niet automatisch jag är från Amsterdam wanneer je eigenlijk bedoelt dat je er woont; Jag bor i Amsterdam is dan duidelijker.

Eigenschappen en toestanden

Na vara kan een bijvoeglijk naamwoord staan:

  • Hon är trött. — Zij is moe.
  • Kaffet är varmt. — De koffie is warm.
  • Rummet är ljust. — De kamer is licht.
  • Barnen är glada. — De kinderen zijn blij.

Het bijvoeglijk naamwoord sluit aan bij het woord dat wordt beschreven. In de eenvoudigste patronen krijgt een ett-woord vaak -t en een meervoud vaak -a:

Type Voorbeeld Nederlands
en-woord Bilen är ny. De auto is nieuw.
ett-woord Huset är nytt. Het huis is nieuw.
meervoud Bilarna är nya. De auto's zijn nieuw.

Sommige woorden hebben een eigen patroon of zien er in meerdere vormen hetzelfde uit. Leer de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord daarom als een aparte regel; är blijft altijd onveranderd.

Plaats en aanwezigheid

Met vara geef je aan waar een bekende of al genoemde persoon of zaak zich bevindt:

  • Nycklarna är på bordet. — De sleutels liggen op tafel.
  • Lisa är på jobbet. — Lisa is op haar werk.
  • Vi är hemma. — Wij zijn thuis.
  • Jag är hos tandläkaren. — Ik ben bij de tandarts.

In natuurlijk Nederlands kiezen we bij voorwerpen vaak staan of liggen, maar Zweeds vara kan eenvoudig de plaats aangeven. Wil je de precieze houding benadrukken, dan bestaan ook werkwoorden als stå (staan), ligga (liggen) en sitta (zitten).

Verwar vara niet met det finns. Vergelijk:

  • Boken är på bordet. — Het boek ligt op tafel. Het gaat om een bepaald boek.
  • Det finns en bok på bordet. — Er ligt een boek op tafel. Een boek wordt voor het eerst geïntroduceerd.

Het Nederlandse er is/er zijn is dus vaak det finns, niet det är.

Weer, tijd en onpersoonlijke zinnen

In zinnen als Det är kallt is det een formeel onderwerp: een verplicht onderwerp dat niet naar één concreet ding hoeft te verwijzen. Dit komt sterk overeen met Nederlands het in het is koud.

  • Det är varmt idag. — Het is vandaag warm.
  • Det är måndag. — Het is maandag.
  • Klockan är åtta. — Het is acht uur.
  • Det är långt till stationen. — Het is ver naar het station.

In Det är kallt staat kallt met -t, omdat het bij det hoort. Schrijf dus niet Det är kall wanneer je het over het weer of de algemene situatie hebt.

Ontkenningen met inte

In een gewone hoofdzin staat inte doorgaans na de persoonsvorm är of var:

  • Jag är inte hungrig. — Ik heb geen honger.
  • De var inte hemma. — Zij waren niet thuis.
  • Det är inte svårt. — Het is niet moeilijk.

De Nederlandse vertaling hoeft niet letterlijk met zijn te worden gevormd. Het Zweeds zegt bijvoorbeeld Jag är hungrig (‘ik ben hongerig’), waar Nederlands meestal ik heb honger gebruikt.

Vragen en korte antwoorden

Bij een ja-neevraag komt de persoonsvorm vóór het onderwerp:

  • Mededeling: Du är trött. — Je bent moe.
  • Vraag: Är du trött? — Ben je moe?
  • Mededeling: Ni var hemma. — Jullie waren thuis.
  • Vraag: Var ni hemma? — Waren jullie thuis?

Met een vraagwoord staat dat woord vooraan: Var är du? (waar ben je?), Hur är det? (hoe is het?) en Vem är hon? (wie is zij?). Hier kunnen twee identieke vormen naast elkaar in je leerstof voorkomen: de eerste var in Var var du? betekent ‘waar’, de tweede var betekent ‘was’: ‘Waar was je?’

Een natuurlijk kort antwoord herhaalt vaak onderwerp en werkwoord:

  • Är du redo? — Ja, det är jag. — Ben je klaar? — Ja.
  • Är hon hemma? — Nej, det är hon inte. — Is zij thuis? — Nee.

Voorbeelden in context

Zweeds Nederlands Toelichting
Jag är lärare. Ik ben leraar. Beroep zonder lidwoord.
Hon är trött efter jobbet. Zij is moe na het werk. Toestand in de tegenwoordige tijd.
Det är kallt ute. Het is buiten koud. Formeel onderwerp det; kallt krijgt -t.
Vi var hemma igår. Wij waren gisteren thuis. Verleden tijd; var geldt voor alle personen.
Min telefon är i väskan. Mijn telefoon zit in de tas. Nederlands gebruikt hier vaak een ander plaatswerkwoord.
Är ni från Nederländerna? Komen jullie uit Nederland? Letterlijk: ‘Zijn jullie uit Nederland?’
Var var du i morse? Waar was je vanochtend? Vraagwoord var plus verleden tijd var.
Jag är inte säker. Ik weet het niet zeker. Een vaste, natuurlijke manier om onzekerheid uit te drukken.
Barnet är litet, men rummet är stort. Het kind is klein, maar de kamer is groot. Beide bijvoeglijke naamwoorden horen bij een ett-woord.
Mina grannar är trevliga. Mijn buren zijn aardig. Meervoudsvorm trevliga.
Har du varit i Göteborg? Ben je in Göteborg geweest? Varit staat na har.
Vi ska vara där klockan nio. We zullen daar om negen uur zijn. Infinitief na ska.
Var försiktig på vägen! Wees voorzichtig onderweg! Var als gebiedende wijs.
Det är bra att du frågar. Het is goed dat je het vraagt. Onpersoonlijke beoordeling met det är.

Veelgemaakte fouten

Nederlandse persoonsvormen één op één overnemen

  • Fout: Jag är, du ärer, vi vara.
  • Goed: Jag är, du är, vi är.
  • Waarom: In de tegenwoordige tijd gebruikt elke persoon är. Er bestaan geen aparte uitgangen voor du of vi.

De infinitief gebruiken na het onderwerp

  • Fout: Jag vara hemma idag.
  • Goed: Jag är hemma idag.
  • Waarom: Vara is de infinitief. Een gewone mededeling in de tegenwoordige tijd heeft de persoonsvorm är nodig. Na een hulpwerkwoord staat juist wel de infinitief: Jag vill vara hemma.

Varit zonder har gebruiken

  • Fout: Vi varit i Stockholm.
  • Goed: Vi har varit i Stockholm.
  • Waarom: Varit is het supinum en vormt samen met har de voltooide tijd. Voor een afgerond bezoek zonder hulpwerkwoord kun je ook de eenvoudige verleden tijd gebruiken: Vi var i Stockholm förra veckan.

Inte op de Nederlandse plek zetten

  • Fout: Jag inte är trött.
  • Goed: Jag är inte trött.
  • Waarom: In een gewone Zweedse hoofdzin volgt inte meestal op de persoonsvorm. In een bijzin, een zinsdeel dat onderdeel is van een grotere zin, komt inte juist vóór de persoonsvorm: eftersom jag inte är trött (omdat ik niet moe ben).

Det är gebruiken voor elk Nederlands ‘er is’

  • Fout: Det är en bank nära stationen. wanneer je bedoelt dat er daar een bank bestaat.
  • Goed: Det finns en bank nära stationen.
  • Waarom: Det finns introduceert het bestaan of de aanwezigheid van iets. Banken är nära stationen vertelt waar een bepaalde bank is.

De aanpassing van het bijvoeglijk naamwoord vergeten

  • Fout: Huset är stor. / Barnen är glad.
  • Goed: Huset är stort. / Barnen är glada.
  • Waarom: Är blijft gelijk, maar het bijvoeglijk naamwoord past zich aan een ett-woord of meervoud aan.

Gebruik en nuance

Är wordt in vlotte spreektaal vaak kort uitgesproken, ongeveer als e. In informele berichtjes of dialogen kun je daarom soms e zien. In verzorgde standaardspelling schrijf je echter är. Leer de verkorte uitspraak herkennen, maar gebruik zelf är in normale geschreven tekst.

Bij plaatsaanduidingen hangt het voorzetsel sterk af van de situatie. Je bent i Sverige (in Zweden), på jobbet (op het werk), hemma (thuis, zonder voorzetsel) en hos Maria (bij Maria). Vertaal Nederlands in, op of bij dus niet automatisch; leer veelvoorkomende combinaties als geheel.

Het Zweeds gebruikt vara ook waar een idiomatische Nederlandse vertaling een ander werkwoord heeft: Jag är hungrig is ‘ik heb honger’, Hur är det? is ‘hoe gaat het?’ en Boken är på bordet wordt vaak ‘het boek ligt op tafel’. De Zweedse constructie is daarom belangrijker om te onthouden dan een woord-voor-woordvertaling.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

De volgende patronen hoef je op A1-niveau nog niet allemaal actief te beheersen, maar je zult ze al vroeg tegenkomen.

Toekomst en voorwaardelijke situaties

Vara staat als infinitief na hulpwerkwoorden:

  • Jag ska vara hemma ikväll. — Ik zal vanavond thuis zijn.
  • Hon kommer att vara sen. — Zij zal te laat zijn.
  • Det skulle vara roligt. — Dat zou leuk zijn.

Na ska staat geen att; in kommer att vara is att wel onderdeel van de constructie.

Resultaat met vara en verandering met bli

Vara beschrijft meestal een toestand; bli legt de nadruk op het ontstaan van een nieuwe toestand:

  • Han är trött. — Hij is moe.
  • Han blir trött. — Hij wordt moe.
  • Dörren är stängd. — De deur is dicht/gesloten.
  • Himlen blir mörk. — De lucht wordt donker.

In Dörren är stängd is stängd een voltooid deelwoord: een werkwoordsvorm die hier als eigenschap een resultaat beschrijft. De precieze keuze tussen vara, bli en Zweedse passieve vormen hoort bij latere grammatica, maar het basiscontrast ‘toestand tegenover verandering’ is nu al nuttig.

Veelgebruikte constructies

  • vara på väg att + infinitief: op het punt staan / onderweg zijn om iets te doen — Jag är på väg att gå.
  • vara med: meedoen of erbij zijn — Är du med?
  • vara tvungen att + infinitief: moeten, genoodzaakt zijn — Vi är tvungna att vänta.
  • det är dags att + infinitief: het is tijd om — Det är dags att åka.
  • vara bra/dålig på + zelfstandig naamwoord of infinitief: goed/slecht zijn in — Hon är bra på att laga mat.

Let bij tvungen opnieuw op aanpassing: Han är tvungen, Barnet är tvunget, Vi är tvungna.

Oefentips

  1. Maak een klein tijdschema. Schrijf over dezelfde persoon drie zinnen: Idag är hon hemma, Igår var hon hemma, Hon har varit hemma hela veckan. Zo koppel je är, var en har varit aan duidelijke tijdsignalen.
  2. Oefen in vaste blokken. Leer niet alleen är, maar combinaties als är hemma, är trött, är från, är inte en det är kallt. Daarmee voorkom je letterlijke vertalingen vanuit het Nederlands.
  3. Stel vragen hardop. Verander vijf mededelingen in vragen: Du är redoÄr du redo? Voeg daarna een ontkennend antwoord toe: Nej, det är jag inte. Zo train je tegelijk woordvolgorde en natuurlijke korte antwoorden.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Persoonlijke voornaamwoorden in het ZweedsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verbet Vara in Zweeds met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Zweeds · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen