C2

Historisch Nederlands

Historisch Nederlands

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.

In het kort

Historisch Nederlands is geen enkel vast taalsysteem: spelling, woordvormen en zinsbouw verschillen per eeuw, streek, schrijver en tekstsoort. Voor het lezen van teksten uit de 17e tot 19e eeuw zijn vier herkenningspunten bijzonder nuttig: oude voornaamwoorden zoals gij, naamvalsvormen zoals des en den, langere werkwoordsvormen zoals zoude en spellingen zoals mensch. Zet zulke vormen eerst om in modern Nederlands; probeer ze niet woord voor woord volgens de huidige regels te ontleden.

Overzicht

Onder historisch Nederlands verstaan we hier vooral de taal van gedrukte teksten uit de 17e, 18e en 19e eeuw. Dat is de taal van toneelstukken, brieven, preken, reisverslagen, kranten, wetten en klassieke literatuur. De afstand tot modern Nederlands wisselt sterk. Een 19e-eeuwse roman kan na gewenning vrij toegankelijk zijn, terwijl een 17e-eeuws gedicht door spelling, woordenschat en vrije zinsbouw veel meer puzzelwerk vraagt.

Op C2-niveau gaat het vooral om receptieve beheersing: vormen betrouwbaar herkennen en begrijpen. Zelf schrijven als een 17e-eeuwse auteur is zelden nodig. Bovendien bestond er vóór de moderne spellingnormen veel variatie. Een onbekende vorm is dus niet automatisch een fout en ook niet altijd een andere uitspraak. Dezelfde auteur kan zelfs meer dan één spelling gebruiken.

Wie modern Nederlands kent, heeft een groot voordeel, maar juist moderne gewoonten kunnen misleiden. Den lijkt bijvoorbeeld niet op het huidige lidwoord de, zoude kan ten onrechte als een ander werkwoord worden gelezen en mensch ziet er vreemder uit dan het klinkt. Lees daarom in lagen: bepaal eerst de globale zinsbouw, normaliseer daarna herkenbare oude vormen en zoek pas ten slotte onbekende woorden op.

Hoe het werkt

1. Oude persoonlijke voornaamwoorden

Een persoonlijk voornaamwoord is een woord dat naar een deelnemer in de zin verwijst, zoals ik, jij of hem. In historische teksten komen vooral bij de tweede persoon andere vormen voor.

Historische vorm Functie Gewoon modern equivalent Voorbeeld
gij, onbeklemtoond ge onderwerp, enkelvoud of soms meervoud jij, u of jullie, afhankelijk van de situatie Gij zijt welkom.
u voorwerp en later ook beleefd onderwerp u U wordt verzocht te wachten.
uw bezit uw uw brief
UEd., U.E. afkorting van een beleefde aanspreekvorm, zoals Uwe Edelheid meestal u UEd. gelieve te antwoorden.
du oude vertrouwelijke tweede persoon, vooral in vroegere of bewust archaïsche taal jij du bist komt niet voor als algemene moderne standaardvorm

Het onderwerp is wie of wat de handeling verricht of in een bepaalde toestand is. Bij gij krijgt de persoonsvorm doorgaans een uitgang op -t: gij zijt, gij hebt, gij kunt, gij zult. Bij omkering blijft die -t meestal staan: zijt gij, niet het moderne patroon ben jij. De combinatie gij zijt is daardoor als geheel te herkennen.

Gij is niet altijd beleefd. De sociale waarde hangt af van tijd, streek, genre en verhouding tussen de sprekers. In een gebed kan Gij plechtig zijn; in een toneelstuk kan het de gewone aanspreekvorm zijn. In hedendaags Belgisch Nederlands bestaan gij en ge bovendien nog in informele regionale taal. Niet elk voorkomen is dus even oud of even plechtig.

2. Naamvalsvormen: des, der en den

Een naamval is een vorm die laat zien welke taak een zelfstandig naamwoord en de bijbehorende woorden in de zin hebben. Een zelfstandig naamwoord noemt een persoon, zaak of begrip, zoals koning, muur of vrijheid. Modern Nederlands drukt die relaties meestal uit met woordvolgorde en voorzetsels. Oudere schrijftaal bewaart meer naamvalsuitgangen.

De belangrijkste vormen om te herkennen zijn:

Vorm Meestal herkenbaar als Modern equivalent Voorbeeld
des + zelfstandig naamwoord op -s of -es genitief mannelijk of onzijdig enkelvoud; bezit of betrekking van de/het des konings bevel → het bevel van de koning
der genitief vrouwelijk enkelvoud of meervoud; soms datief van de of, na een voorzetsel, de de rechten der burgers → de rechten van de burgers
den vooral datief mannelijk enkelvoud; ook andere oude naamvalsfuncties vaak de aan den muur → aan de muur
’s verkorte vorm van des vaak van de; soms alleen bewaard in een vaste uitdrukking ’s morgens, ’s lands belang
ten, ter samentrekkingen die historisch met datiefvormen samenhangen vaak op de, naar de, voor de of een vast modern woord ten huize van, ter plaatse

De genitief drukt vaak bezit of een nauwe betrekking uit; de moderne omschrijving gebruikt meestal van. De datief markeerde onder meer de persoon of zaak waarop iets gericht was en stond ook na bepaalde voorzetsels. In aan den muur is den muur zo'n oude vorm na een voorzetsel.

De tabel is een leeswijzer, geen volledig verbuigingsschema. Geslacht, getal, naamval, periode en stijl werken samen. Ook bijvoeglijke naamwoorden — woorden die een eigenschap noemen, zoals oud — kunnen een uitgang krijgen: met den ouden man, des grooten konings. Bij het moderniseren verdwijnen die extra uitgangen meestal: met de oude man en van de grote koning. Let erop dat modern Nederlands in België met de oude man gebruikt en in alle standaardvarianten dezelfde lidwoordsvorm heeft; de historische -n is geen meervoudsteken.

Sommige naamvalsvormen leven voort in vaste verbindingen: in naam der wet, de tand des tijds, van ganser harte, te allen tijde, ten slotte en ter zake. Daar voelen ze plechtig of versteend aan, maar ze zijn nog herkenbaar in modern taalgebruik.

3. Oude werkwoordsvormen

Een persoonsvorm is het werkwoord dat zich aan tijd en onderwerp aanpast. Een infinitief is de onverbogen vorm, zoals lezen of willen. Historische teksten bevatten persoonsvormen die langer zijn, anders gespeld worden of tegenwoordig alleen nog plechtig klinken.

Historische vorm Moderne vorm Opmerking
zoude, zouden zou, zouden de enkelvoudsvorm zoude heeft een extra -e
wilde of woude in ouder taalgebruik wilde of wou vorm en voorkeur verschillen per tijd en schrijver
zeide zei verleden tijd van zeggen
wierd werd oudere nevenvorm van worden
gij zijt jij bent / u bent vorm bij gij
gij hebt jij hebt / u hebt de betekenis is gewoon modern hebben
ware, hebbe, zij zou zijn, heeft of is, afhankelijk van de zin aanvoegende wijs of vaste plechtige formulering

De aanvoegende wijs is een werkwoordsvorm die geen gewone mededeling doet, maar bijvoorbeeld een wens, mogelijkheid of plechtige bepaling uitdrukt. Bekende resten zijn Leve de koning, Het zij zo en ware het niet dat .... In oude teksten komt deze wijs vaker voor: Men neme drie lepels water betekent ongeveer Neem drie lepels water of Men moet drie lepels water nemen.

Bij Ik zoude gaarne willen ... dragen drie kenmerken bij aan de oude toon: zoude voor zou, gaarne voor graag en een beleefde, omzichtige formulering. De kernbetekenis is niet ingewikkeld: Ik zou graag willen ....

4. Historische spelling leren normaliseren

Spelling verandert niet in één keer en niet overal tegelijk. Vermijd daarom de gedachte dat er één omzetregel bestaat voor al het oudere Nederlands. De volgende patronen leveren wel vaak snel herkenning op:

Oudere spelling Vaak modern Voorbeeld
sch aan het woordeinde s mensch → mens, visch → vis
zoo zo zoo groot → zo groot
eene, zijne, mijne een, zijn, mijn of soms een verbogen vorm eene vrouw → een vrouw
thans of gaarne dezelfde vorm bestaat nog, maar is formeler vaak nu of graag in alledaagse taal
mogt mocht oudere weergave van de medeklinker
quaad of andere wisselende klinkerspellingen vaak kwaad controleer periode en context
y of ij waar modern een andere vaste keuze geldt moderne spelling verschilt per woord vergelijk de woordstam en de uitspraak

Een oude spelling hoeft geen oude uitspraak te bewijzen. Mensch is vooral een spellingkwestie; de extra letters betekenen niet dat elke lezer een hoorbare sch uitsprak. Splits ook woorden voorzichtig. In oude druk kunnen afbreking, apostroffen en aaneenschrijven afwijken van wat nu gebruikelijk is.

5. Zinsbouw en formulering

Historische prozaïsten gebruiken geregeld lange perioden: zinnen met meerdere ingebedde bijzinnen die pas laat grammaticaal worden afgerond. De hoofdmededeling kan worden onderbroken door bepalingen, bijzinnen en opsommingen. Zoek eerst de persoonsvormen en hun onderwerpen. Zet bijzinnen daarna tijdelijk tussen haakjes.

Ook deze signalen komen vaak voor:

  • betrekkelijke woorden als welke, dewelke, hetwelk en hetgeen;
  • verwijzende woorden als alhier, aldaar, derhalve, mitsdien en deswege;
  • ontkenningen of beperkingen met een andere reikwijdte dan een moderne lezer eerst verwacht;
  • omkering van onderwerp en persoonsvorm voor ritme of nadruk;
  • lange reeksen vóór het zelfstandig naamwoord, vooral in ambtelijke teksten;
  • hoofdletters en leestekens volgens andere conventies.

Een betrekkelijke bijzin geeft extra informatie over een eerder genoemd woord, zoals die dit leest in de persoon die dit leest. De brief, dewelke gisteren ontvangen werd betekent eenvoudig de brief die gisteren werd ontvangen. Het ouderwetse verwijswoord verandert de basisstructuur niet.

Voorbeelden in context

Historisch Nederlands Modern Nederlands Toelichting
Gij zijt mijn getuige. Jij bent mijn getuige. Gij met de vorm zijt.
Hebt gij den brief ontvangen? Heb jij de brief ontvangen? Omkering bij een vraag; den wordt de.
U wordt verzocht alhier te wachten. U wordt verzocht hier te wachten. Formele formulering met alhier.
Dit geschiedde op bevel des konings. Dit gebeurde op bevel van de koning. Genitief: des konings.
De belangen der ingezetenen werden besproken. De belangen van de inwoners werden besproken. Der geeft een betrekking in het meervoud aan.
Het schilderij hing aan den muur. Het schilderij hing aan de muur. Oude naamvalsvorm na aan.
Hij sprak met den ouden heer. Hij sprak met de oude heer. Lidwoord en bijvoeglijk naamwoord dragen beide een oude uitgang.
Ik zoude gaarne uw oordeel vernemen. Ik zou graag uw oordeel horen. Langere werkwoordsvorm en formeel woordgebruik.
Hij zeide dat hij morgen vertrekken zoude. Hij zei dat hij morgen zou vertrekken. Zeide en zoude zijn direct herkenbaar te moderniseren.
De mensch is niet geschapen om alleen te leven. De mens is niet geschapen om alleen te leven. Alleen de spelling van mens is gewijzigd.
Zoo men dit verzuimt, zal schade ontstaan. Als men dit verzuimt, zal er schade ontstaan. Zoo kan in deze context een voorwaarde inleiden.
Men neme vervolgens eene kleine hoeveelheid water. Neem vervolgens een kleine hoeveelheid water. Aanvoegende wijs in een voorschrift; oudere verbuiging van een.
Ware hij vroeger gekomen, dan had hij haar ontmoet. Als hij eerder was gekomen, had hij haar ontmoet. Ware leidt een onwerkelijke voorwaarde in.
De bode, dewelke het berigt bragt, vertrok terstond. De bode die het bericht bracht, vertrok meteen. Oud verwijswoord en oudere spellingen.
Ter kennisse van alle ingezetenen wordt het volgende gebragt. Het volgende wordt aan alle inwoners bekendgemaakt. Ambtelijke naamvalsvormen, passief en oude spelling.

Veelgemaakte fouten

Gij behandelen als modern jij

  • Onjuiste lezing: Gij is mijn vriend.
  • Juiste vorm: Gij zijt mijn vriend.
  • Waarom: Gij heeft eigen werkwoordsvormen. Herken vooral vaste combinaties als gij zijt, gij hebt en gij zult.

Des konings als twee losse bezitters lezen

  • Onjuiste omzetting: het bevel des konings → het bevel en de koning
  • Juiste omzetting: het bevel van de koning
  • Waarom: Des en de uitgang -s vormen samen een genitief. Ze drukken hier een bezits- of betrekkingsrelatie uit.

Elke -n als meervoud zien

  • Onjuiste lezing: met den ouden man gaat over meerdere mannen.
  • Juiste lezing: het gaat over één oude man.
  • Waarom: de -n van den en ouden hoort hier bij historische verbuiging, niet bij het getal.

Oude spelling hardop letter voor letter uitspreken

  • Onjuiste aanpak: in mensch altijd een afzonderlijke sch laten horen.
  • Juiste aanpak: herken eerst het moderne woord mens en controleer de historische uitspraak alleen als die voor je doel belangrijk is.
  • Waarom: spellinggeschiedenis en uitspraakgeschiedenis lopen niet precies gelijk.

Een modern woord automatisch de moderne betekenis geven

  • Onjuiste aanname: een bekend uitziend woord betekent altijd exact hetzelfde als nu.
  • Juiste aanpak: toets de betekenis aan de hele zin en zo nodig aan een historisch woordenboek.
  • Waarom: woorden kunnen in betekenis verschuiven. Ook ogenschijnlijk vertrouwde woorden kunnen een verouderde betekenis hebben.

Een lange zin van links naar rechts blijven opstapelen

  • Onjuiste aanpak: elk woord direct vertalen zonder vast te stellen welke delen bij elkaar horen.
  • Juiste aanpak: markeer persoonsvormen, onderwerpen en voegwoorden; bepaal daarna hoofdzin en bijzinnen.
  • Waarom: historische zinnen bewaren belangrijke informatie soms tot het einde. Een vroege gok kan dan de hele ontleding scheeftrekken.

Gebruiksnotities

De grens tussen historisch, archaïsch, formeel en regionaal Nederlands is niet scherp. Gaarne, derhalve en alsmede zijn niet onbegrijpelijk of grammaticaal verdwenen, maar klinken in gewone hedendaagse gesprekken formeel. Ten slotte en ter plaatse zijn juist volledig ingeburgerd. Gij is in Nederland meestal historisch, religieus of stilistisch gemarkeerd, maar kan in delen van België alledaags regionaal zijn.

Genre is minstens zo belangrijk als jaartal. Een persoonlijke brief kan eenvoudiger en spreektaalachtiger zijn dan een wet uit hetzelfde jaar. Poëzie wijkt soms bewust af voor rijm, metrum of plechtigheid. Een schrijver kan bovendien oudere vormen inzetten om een Bijbelse, komische of verheven toon op te roepen.

Bij het citeren moet je kiezen tussen diplomatisch en genormaliseerd weergeven. Een diplomatische weergave bewaart spelling en vaak ook interpunctie van de bron. Een genormaliseerde weergave past spelling of woordvormen aan voor moderne lezers. Vermeld welke keuze je maakt; verander niet stilzwijgend een citaat en presenteer het daarna als exact origineel.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

Herkennen zonder te overnormaliseren

Moderniseren is een hulpmiddel, geen einddoel. De vorm des konings kan behalve bezit ook een plechtig register en een compact ritme oproepen. Wie alles meteen vervangt door van de koning, begrijpt de mededeling maar kan een stilistisch effect missen. Werk daarom met twee vragen: wat betekent dit? en waarom staat het juist zo?

Taalstadia en variatie uit elkaar houden

Niet alle oude kenmerken horen bij dezelfde periode. Een tekst kan oudere grammatica, een later vastgelegde spelling en bewust Bijbels woordgebruik combineren. Ook drukkers en uitgevers beïnvloedden de tekst. Dateer een passage daarom niet op basis van één vorm als zoo of gij. Zoek een bundel van aanwijzingen: spelling, woordenschat, verbuiging, zinsbouw, drukgeschiedenis en genre.

Retorische zinsbouw

In redevoeringen en literatuur staat de informatiewaarde niet altijd in de meest moderne volgorde. Een schrijver kan parallelle zinsdelen naast elkaar plaatsen, de persoonsvorm uitstellen of een vooropgeplaatst deel later hervatten. Lees zulke passages eerst hardop in betekenisgroepen. Schrijf vervolgens de kernzin op zonder tussenzinnen en voeg de weggelaten informatie één deel tegelijk terug.

Neem bijvoorbeeld een denkbeeldige structuur als: De man, die, nadat hij van het gebeurde kennis had genomen, terstond naar de stad was teruggekeerd, verklaarde ... De kern is De man verklaarde .... Alles tussen man en verklaarde beschrijft die man. Deze techniek voorkomt dat je teruggekeerd ten onrechte als hoofdwerkwoord van de hele zin behandelt.

Bronnen verantwoord gebruiken

Voor serieus onderzoek is een modern woordenboek niet genoeg. Historische woordenboeken, geannoteerde edities en facsimiles helpen bij verdwenen betekenissen, tekstvarianten en drukfouten. Controleer bij digitale scans ook het beeld van de oorspronkelijke pagina: automatische tekstherkenning verwart onder meer oude lettervormen, leestekens en afbrekingen. Een vreemd woord kan dus taalgeschiedenis zijn, maar ook een leesfout van de software.

Oefentips

  1. Maak een persoonlijke omzetlijst. Noteer tijdens het lezen steeds de historische vorm, het moderne equivalent en één volledige zin: zoude → zou, des konings → van de koning, mensch → mens. Herhaal patronen, niet alleen losse woorden.
  2. Lees een passage in drie rondes. Onderstreep eerst persoonsvormen en voegwoorden, normaliseer daarna spelling en naamvallen, en raadpleeg pas in de derde ronde een woordenboek. Zo train je begrip zonder ieder onbekend detail meteen op te zoeken.
  3. Vergelijk bron en moderne editie. Leg een korte oorspronkelijke passage naast een betrouwbare hertaling of geannoteerde uitgave. Markeer afzonderlijk wat door spelling, grammatica, woordbetekenis en stijl is veranderd.

Verwante onderwerpen

  • Vooraf: Ouderwetse vormen — behandelt formele en archaïsche vormen die ook buiten volledig historische teksten voorkomen.

Vereiste kennis

Ouderwetse vormen in het NederlandsC1

Meer C2-concepten