Partitief er in het Nederlands
Er (Partitief)
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Als een genoemd zelfstandig naamwoord (een woord voor een mens, dier, ding of stof) daarna wordt weggelaten, gebruikt het Nederlands bij een aantal of hoeveelheid meestal er: Hoeveel boeken heb je? — Ik heb er drie. Er neemt hier de plaats in van boeken; drie blijft staan om het aantal te noemen.
Overzicht
Het kleine woord er heeft in het Nederlands verschillende functies. In dit artikel gaat het om partitief er, ook wel kwantitatief er genoemd. Partitief betekent hier dat je een aantal of een hoeveelheid uit een eerder genoemde of vanzelfsprekende groep bedoelt. In Ik heb er vijf verwijst er bijvoorbeeld terug naar boeken, planten, broers of iets anders dat uit de context duidelijk is.
Dit gebruik hoort bij niveau A2. Je komt het voortdurend tegen in vragen en antwoorden over aantallen: Hoeveel wil je er?, Hebben we er genoeg? en Er zijn er nog twee. Het is niet genoeg om alleen het zelfstandig naamwoord weg te laten. In een volledige Nederlandse zin heeft het overgebleven telwoord of hoeveelheidswoord meestal er nodig.
Dat laatste valt vooral op wanneer je korte antwoorden vergelijkt met gewone zinnen. Op Hoeveel appels wil je? kan het losse antwoord Twee prima zijn. Zodra je er een volledige zin van maakt, zeg je normaal Ik wil er twee, niet Ik wil twee. Wie veel korte gesprekken hoort, kan daardoor ten onrechte denken dat er altijd optioneel is.
Zo werkt het
De basis: zelfstandig naamwoord eruit, er erin
Vergelijk eerst de volledige woordgroep met de versie waarin het zelfstandig naamwoord niet wordt herhaald:
| Met zelfstandig naamwoord | Zonder herhaling | Wat verandert er? |
|---|---|---|
| Ik heb vijf boeken. | Ik heb er vijf. | boeken verdwijnt; er verwijst ernaar. |
| Zij hebben drie kinderen. | Zij hebben er drie. | kinderen verdwijnt; het aantal blijft staan. |
| We kopen een paar tomaten. | We kopen er een paar. | een paar noemt de hoeveelheid. |
| Hij drinkt weinig koffie. | Hij drinkt er weinig. | Ook een niet precies gemeten hoeveelheid kan met er staan. |
Een handige beginnersregel is:
persoon + werkwoord + er + aantal/hoeveelheid
- Ik heb er vier.
- We bestellen er een paar.
- Zij kent er veel.
Het woord waarnaar er verwijst, heet het antecedent: het eerder genoemde woord dat de betekenis levert. In Ik heb twee zussen. Mijn partner heeft er drie is zussen het antecedent van er.
Welke hoeveelheidswoorden kunnen erbij staan?
Partitief er komt niet alleen voor bij gewone telwoorden zoals twee en vijf. Het staat ook bij woorden die een precieze of onprecieze hoeveelheid aangeven.
| Soort hoeveelheid | Voorbeelden | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
| precies aantal | één, twee, tien | Ik heb er twee nodig. |
| vraag naar aantal | hoeveel | Hoeveel heb je er besteld? |
| kleine of grote hoeveelheid | veel, weinig, meer, minder | We hebben er meer verkocht. |
| globale hoeveelheid | een paar, enkele, verscheidene | Er kwamen er enkele te laat. |
| nul of voldoende | geen, genoeg, voldoende | Nee, ik heb er geen. |
Bij een kan de spelling één nuttig zijn als je nadrukkelijk het getal bedoelt: Ik heb er maar één. Zonder nadruk is Ik heb er een ook mogelijk, maar één maakt meteen duidelijk dat het om het aantal gaat.
Er vervangt het zelfstandig naamwoord, niet de hoeveelheid
Het aantal of hoeveelheidswoord moet blijven staan. Er betekent dus niet zelf drie, veel of geen.
- Heb je pennen? — Ja, ik heb er zes.
- Zijn er plaatsen vrij? — Nee, er zijn er geen.
- Hebben we suiker? — Ja, we hebben er genoeg.
Noem je het zelfstandig naamwoord opnieuw, dan gebruik je geen partitief er:
- Ik koop drie kaartjes.
- Ik koop er drie.
- Niet: Ik koop er drie kaartjes.
Die laatste zin kan alleen goed zijn als er een ándere functie heeft, bijvoorbeeld een plaats aanduidt. Zonder zo'n bijzondere context is er naast drie kaartjes dubbelop.
De plaats van er in de zin
Partitief er is onbeklemtoond: je spreekt het niet met sterke nadruk uit. Het staat meestal in het midden van de zin, vaak kort na de persoonsvorm (het werkwoord dat verandert bij ik, jij, wij enzovoort) en het onderwerp (wie of wat iets doet).
| Zinstype | Patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| gewone hoofdzin | onderwerp + persoonsvorm + er + hoeveelheid | Ik wil er twee. |
| hoofdzin met ander begin | ander zinsdeel + persoonsvorm + onderwerp + er | Morgen koop ik er drie. |
| ja/nee-vraag | persoonsvorm + onderwerp + er | Heb je er genoeg? |
| vraag met hoeveel | hoeveel + persoonsvorm + onderwerp + er | Hoeveel heb je er? |
| bijzin | voegwoord + onderwerp + er + … + werkwoord(en) | omdat ik er drie nodig heb |
Andere woorden kunnen tussen er en de hoeveelheid staan: Ik heb er gisteren nog drie gekocht. Toch is het voor een beginner handig om eerst de compacte groep er twee, er veel en er een paar als geheel te oefenen.
Mensen, dingen en stoffen
Partitief er is niet beperkt tot voorwerpen. Het kan terugwijzen naar telbare zaken, mensen en stoffen:
- Hoeveel stoelen zijn vrij? — Er zijn er vier vrij.
- Hoeveel kinderen hebben zij? — Zij hebben er drie.
- Heb je nog soep? — Ja, ik heb er genoeg.
Bij mensen klinkt er niet onbeleefd: in Ik ken er twee is het simpelweg een grammaticale vervanging van bijvoorbeeld twee artsen. Een persoonlijk voornaamwoord zoals ze heeft een andere functie: Ik ken ze verwijst naar de hele bekende groep, terwijl Ik ken er twee een aantal uit die groep noemt.
Een bijvoeglijk naamwoord blijft mogelijk
Soms wil je niet alleen het aantal noemen, maar ook een eigenschap. Een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt, zoals rood of goedkoop) kan dan na het aantal blijven staan:
- We hebben rode en witte borden. Ik neem er twee rode.
- Er waren veel kandidaten, maar we kozen er drie geschikte.
De uitgang -e hoort hier bij het zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoord: het ontbrekende zelfstandig naamwoord wordt niet uitgesproken, maar is nog wel in de betekenis aanwezig. Dit patroon is nuttig, maar voor A2 is Ik neem er twee de belangrijkste basisvorm.
Voorbeelden in context
| Nederlands | Betekenis in de context | Uitleg |
|---|---|---|
| Hoeveel boeken heb je? — Ik heb er vijf. | Ik heb vijf boeken. | er vervangt boeken. |
| Zijn er nog koekjes? — Er zijn er nog een paar. | Er zijn nog een paar koekjes. | Het eerste er leidt de zin in; het tweede is partitief. |
| Ik wil er twee, alstublieft. | Ik wil twee exemplaren. | Natuurlijk bij een bestelling als het product al duidelijk is. |
| Hoeveel kinderen hebben zij? — Zij hebben er drie. | Zij hebben drie kinderen. | Partitief er kan naar mensen verwijzen. |
| We hadden zes stoelen, maar er zijn er twee kapot. | Twee van de zes stoelen zijn kapot. | twee noemt een deel van de bekende groep. |
| Heb je genoeg glazen? — Nee, ik heb er maar vier. | Ik heb slechts vier glazen. | maar beperkt het aantal. |
| Van die appels koop ik er een paar. | Ik koop een paar van die appels. | De groep staat vooraan; er hoort bij een paar. |
| Ze bakt vaak taarten en verkoopt er elke zaterdag veel. | Ze verkoopt elke zaterdag veel taarten. | Een tijdsbepaling kan tussen er en veel staan. |
| Ik weet niet hoeveel we er nodig hebben. | Ik weet niet hoeveel exemplaren nodig zijn. | In de bijzin staan de werkwoorden achteraan. |
| Er lagen er nog drie in de doos. | Er lagen nog drie exemplaren in de doos. | Inleidend en partitief er staan naast elkaar in één zin. |
| Welke mokken neem je? — Ik neem er twee blauwe. | Ik neem twee blauwe mokken. | De eigenschap blijft na het aantal staan. |
| Hebben jullie nog melk? — Ja, we hebben er genoeg. | We hebben genoeg melk. | Ook bij een stofnaam kan er een hoeveelheid begeleiden. |
Veelgemaakte fouten
Er helemaal weglaten in een volledige zin
- Onjuist: Hoeveel fietsen heb je? — Ik heb drie.
- Juist: Hoeveel fietsen heb je? — Ik heb er drie.
- Waarom: fietsen wordt niet herhaald, maar drie blijft als hoeveelheid staan. In een gewone volledige zin markeert er die weglating. Het losse antwoord Drie is wel normaal.
Er én het zelfstandig naamwoord gebruiken
- Onjuist: Ik heb er drie fietsen.
- Juist: Ik heb drie fietsen. / Ik heb er drie.
- Waarom: Partitief er vervangt juist het niet-herhaalde zelfstandig naamwoord. Kies dus de volledige woordgroep óf er met de hoeveelheid.
Er verwarren met ze
- Onjuist: Hoeveel collega's ken je? — Ik ken ze drie.
- Juist: Ik ken er drie.
- Waarom: ze kan naar de collega's als groep verwijzen: Ik ken ze allemaal. Voor een aantal uit de groep gebruikt het Nederlands er.
Hoeveel en er in de verkeerde volgorde zetten
- Onjuist: Er hoeveel heb je besteld?
- Juist: Hoeveel heb je er besteld?
- Waarom: Het vraagwoord hoeveel staat vooraan. Het onbeklemtoonde er staat verderop in het midden van de zin.
Twee functies van er niet herkennen
- Onjuist: Zijn nog koekjes? — Er zijn nog een paar.
- Juist: Zijn er nog koekjes? — Er zijn er nog een paar.
- Waarom: In de vraag is er inleidend. In het antwoord leidt het eerste er de zin in en vervangt het tweede er koekjes bij een paar. In natuurlijk Nederlands kunnen dus twee keer er in één zin staan.
Gebruiksnotities
In spontane gesprekken worden korte antwoorden vaak verkort: Hoeveel wil je? — Twee. Ook bij een balie of in een café hoor je bijvoorbeeld Doe maar twee. Dat maakt de basisregel niet ongedaan. In een neutrale volledige zin met een werkwoord is Ik wil er twee de veilige en gebruikelijke vorm.
Partitief er draagt normaal geen klemtoon. Wil je een groep nadrukkelijk noemen of ermee contrasteren, dan kun je die groep wel uitspreken: Van de rode neem ik er twee; van de blauwe neem ik er drie. De klemtoon ligt dan op rode, blauwe, twee of drie, niet op er.
De context moet duidelijk genoeg zijn. Zonder eerder genoemd woord kan Ik heb er drie grammaticaal zijn, maar de luisteraar weet dan niet waarvan je er drie hebt. In een winkel kan de situatie die informatie leveren; buiten zo'n duidelijke situatie noem je het zelfstandig naamwoord eerst.
Verder dan de basis: gevorderd gebruik
De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar ze helpen wanneer je langere Nederlandse zinnen leest of hoort.
Verschillende soorten er kunnen samen voorkomen
In Er staan er drie op tafel hebben de twee vormen niet dezelfde taak:
- het eerste er is inleidend en maakt het mogelijk om de nieuwe informatie later te geven;
- het tweede er is partitief en hoort bij drie.
Ook plaats en hoeveelheid kunnen in dezelfde betekenis aanwezig zijn: In de kast staan er nog twee. Het Nederlands probeert zulke korte, onbeklemtoonde woorden niet altijd te vermijden. Herhaling van er kan daarom volkomen correct zijn, ook al klinkt ze voor een leerling eerst vreemd.
Een genoemde deelgroep kan vooraan staan
Je kunt expliciet maken uit welke groep je telt:
- Van de tien deelnemers bereikten er acht de finish.
- Van deze modellen hebben we er nog twee op voorraad.
- Onder mijn vrienden zijn er maar weinig die graag vroeg opstaan.
De woordgroep met van of onder noemt het geheel; er begeleidt het aantal dat als zelfstandig deel van de zin overblijft. Dit patroon komt veel voor in nieuwsberichten, verslagen en vergelijkingen.
Er, ervan en een expliciete van-groep
Bij van kunnen meerdere Nederlandse constructies dicht bij elkaar liggen. Vergelijk:
- Van die artikelen heb ik er drie gelezen.
- Ik heb drie van die artikelen gelezen.
- Ik heb er drie gelezen.
Alle drie noemen een aantal, maar alleen de laatste zin laat de groep volledig aan de context over. In langere zinnen kan er bovendien deel zijn van een combinatie met een voorzetsel, zoals erover of ervan. Dat is niet automatisch partitief er. Kijk daarom altijd of er werkelijk een telwoord of hoeveelheidswoord bij hoort en welk zinsdeel er vervangt. Het volledige onderscheid tussen alle functies hoort bij het gevorderde Er-systeem.
Betekenisverschil tussen een deel en de hele groep
Partitief er presenteert doorgaans een aantal of hoeveelheid: Ik heb er drie getest. Wil je zeggen dat je alle eerder genoemde voorwerpen hebt getest, dan ligt een persoonlijk voornaamwoord meer voor de hand: Ik heb ze allemaal getest. Dit contrast is belangrijker dan een letterlijke omzetting naar een andere taal: het Nederlands kiest de vorm op basis van de functie in de zin.
Oefentips
- Maak tweetallen van zinnen. Schrijf eerst Ik koop vier appels en vervang daarna het zelfstandig naamwoord: Ik koop er vier. Oefen met mensen, voorwerpen en stoffen.
- Train vraag en antwoord samen. Zeg hardop: Hoeveel heb je er? — Ik heb er vijf. Wissel daarna vijf af met geen, genoeg, een paar, meer en weinig.
- Markeer de functie van elk er. Neem zinnen als Er zijn er nog twee en noteer bij het eerste er ‘inleidend’ en bij het tweede ‘hoeveelheid’. Zo leer je herhaling niet ten onrechte als fout te zien.
Verwante onderwerpen
- Voorkennis: Inleidend er — voor zinnen als Er is een probleem en Zijn er nog koekjes?
- Vervolg: Het volledige Er-systeem — combineert inleidend, plaatsbepalend, partitief, voorzetselgebonden en onpersoonlijk er.