A1

Persoonlijke voornaamwoorden in het Noors

Personlige Pronomen

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Noors op Settemila Lingue.

In het kort

De Noorse persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp zijn jeg, du, han, hun, den, det, vi, dere en de. Anders dan in het Nederlands krijgt het werkwoord doorgaans bij elke persoon dezelfde vorm: jeg bor, du bor, vi bor, de bor. Let vooral op dere voor “jullie” en op het onderscheid tussen den en det.

Overzicht

Een persoonlijk voornaamwoord is een kort woord waarmee je naar een persoon, dier of zaak verwijst zonder de naam steeds te herhalen: “ik”, “jij”, “zij” of “het”. In dit artikel gaat het om voornaamwoorden die het onderwerp van de zin zijn: degene die iets doet, of de persoon of zaak waarover iets wordt gezegd. In Hun bor i Oslo is hun het onderwerp, want over haar wordt verteld dat ze in Oslo woont.

Dit is een van de eerste onderwerpen op A1-niveau. Je hebt deze woorden nodig zodra je vertelt wie je bent, waar iemand woont of wat mensen doen. Ze horen bij veelgebruikte zinnen als Jeg er norsk, Du snakker engelsk en Vi arbeider her.

Voor Nederlandstaligen is het systeem deels vertrouwd, maar op drie punten wijkt het af. Noorse werkwoorden veranderen meestal niet naar gelang de persoon, dere is een aparte vorm voor het meervoud “jullie”, en bij zaken kies je meestal den of det op basis van het grammaticale geslacht van het woord. Bovendien laat het Noors een persoonlijk onderwerp normaal niet weg.

Hoe het werkt

De volledige basisreeks

Met grammaticale persoon bedoelen we de rol in het gesprek: de eerste persoon spreekt, de tweede persoon wordt aangesproken en de derde persoon is degene over wie wordt gesproken. Enkelvoud betekent één; meervoud betekent meer dan één.

Persoon Noors Nederlandse kernbetekenis Gebruik
1e persoon enkelvoud jeg ik de spreker
2e persoon enkelvoud du jij, je één aangesproken persoon
3e persoon enkelvoud han hij een man of jongen
3e persoon enkelvoud hun zij, ze een vrouw of meisje
3e persoon enkelvoud den die, hij, zij meestal een zaak met en of ei
3e persoon enkelvoud det het, dat een zaak met et, of een algemene situatie
1e persoon meervoud vi wij, we de spreker en een of meer anderen
2e persoon meervoud dere jullie meerdere aangesproken personen
3e persoon meervoud de zij, ze meerdere personen, dieren of zaken

Jeg krijgt alleen een hoofdletter aan het begin van een zin. Schrijf dus Jeg heter Sara, maar Nå bor jeg i Bergen. Dat is hetzelfde principe als bij het Nederlandse “ik”.

Het onderwerp staat meestal uitdrukkelijk in de zin

In een gewone Noorse mededelende zin noem je het onderwerp. Je zegt Jeg arbeider her, niet alleen Arbeider her als zelfstandige mededeling. Bij een vraag kan het onderwerp na het werkwoord staan: Bor du her? Het woord du blijft dan nog steeds het onderwerp; alleen de woordvolgorde verandert.

Een onderwerp hoeft niet altijd een persoonlijk voornaamwoord te zijn. Een naam of zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) kan dezelfde plaats innemen:

  • Maja bor i Oslo. Hun arbeider på et sykehus. — Maja woont in Oslo. Zij werkt in een ziekenhuis.
  • Huset er gammelt. Det er stort. — Het huis is oud. Het is groot.

Het voornaamwoord voorkomt dat Maja of huset telkens herhaald moet worden.

Het werkwoord blijft bij elke persoon gelijk

In het Nederlands verandert de tegenwoordige tijd: “ik woon”, “jij woont”, “wij wonen”. In het Noors gebruik je doorgaans één vorm bij alle personen. Dat geldt ook voor zeer belangrijke onregelmatige werkwoorden zoals være (“zijn”) en ha (“hebben”).

Voornaamwoord bo — wonen være — zijn ha — hebben
jeg jeg bor jeg er jeg har
du du bor du er du har
han/hun/den/det han/hun/den/det bor han/hun/den/det er han/hun/den/det har
vi vi bor vi er vi har
dere dere bor dere er dere har
de de bor de er de har

De eenvoudige beginnersregel luidt dus: verander het voornaamwoord, maar geef het werkwoord niet ineens een Nederlandse persoonsuitgang. Du snakker norsk en dere snakker norsk hebben allebei snakker.

Han en hun voor personen

Gebruik han voor een man of jongen en hun voor een vrouw of meisje:

  • Erik er lærer. Han arbeider i Tromsø. — Erik is leraar. Hij werkt in Tromsø.
  • Nora er student. Hun lærer norsk. — Nora is student. Zij leert Noors.

Bij dieren kun je han of hun gebruiken als het geslacht bekend of belangrijk is, bijvoorbeeld bij een huisdier. Als je vooral naar het dier als aangeduide zaak verwijst, komen ook den en det voor, afhankelijk van het woord dat eraan voorafgaat.

Den en det voor zaken en situaties

Noorse zelfstandige naamwoorden hebben een grammaticaal geslacht. Woorden met en zijn mannelijk of gemeenschappelijk, woorden met ei zijn vrouwelijk en woorden met et zijn onzijdig. Wanneer je naar een genoemde zaak terugverwijst, gebruik je bij en/ei doorgaans den en bij et det.

Genoemd woord Voornaamwoord Voorbeeld Betekenis
en bil — een auto den Bilen er ny. Den er rød. De auto is nieuw. Hij is rood.
ei/en bok — een boek den Boka er lang. Den er interessant. Het boek is lang. Het is interessant.
et hus — een huis det Huset er gammelt. Det er fint. Het huis is oud. Het is mooi.
et kart — een kaart det Kartet ligger her. Det er nytt. De kaart ligt hier. Ze is nieuw.

De Nederlandse vertaling kan misleiden. Het Nederlandse woordgeslacht bepaalt de Noorse keuze niet: bij ei/en bok gebruik je den, hoewel Nederlanders meestal “het boek” zeggen. Leer daarom een zelfstandig naamwoord liefst meteen met en, ei of et.

Det heeft daarnaast een ruimer gebruik. Het kan een formeel onderwerp zijn: een woord dat grammaticaal nodig is zonder naar één concreet voorwerp te verwijzen. Dat gebeurt bij weer, tijd en algemene vaststellingen:

  • Det regner. — Het regent.
  • Det er sent. — Het is laat.
  • Det er mange mennesker her. — Er zijn hier veel mensen.
  • Det er hyggelig å møte deg. — Het is fijn je te ontmoeten.

Je kunt den en det ook vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken in de betekenis “die/dat”, zoals den bilen (“die auto”) en det huset (“dat huis”). Dan zijn het aanwijzende woorden. Dat gebruik raakt aan dit onderwerp, maar is niet hetzelfde als een los persoonlijk voornaamwoord.

Du, dere en beleefdheid

Du verwijst altijd naar één aangesproken persoon; dere naar twee of meer:

  • Hvor bor du? — Waar woon jij?
  • Hvor bor dere? — Waar wonen jullie?

Modern Noors gebruikt du veel ruimer dan het Nederlandse “jij”. Ook tegen een onbekende, arts, docent of medewerker is du meestal normaal. Beleefdheid druk je uit met je toon en formulering, bijvoorbeeld Kan du hjelpe meg? (“Kun je me helpen?”), niet automatisch met een equivalent van “u”. De formele vorm De heeft bestaan en is nog herkenbaar in oudere of zeer plechtige teksten, maar klinkt in alledaags modern Noors afstandelijk of verouderd.

De voor “zij” in het meervoud

Het Noorse de is een voornaamwoord en betekent “zij/ze” bij meer dan één persoon of zaak. Het is dus niet het Nederlandse lidwoord “de”. In verzorgd Bokmål wordt de doorgaans uitgesproken als ongeveer die. In spontane spraak en dialecten kun je andere vormen horen, maar in gewone schrijftaal leer je de.

  • Lars og Ida bor her. De arbeider sammen. — Lars en Ida wonen hier. Ze werken samen.
  • Bøkene er nye. De ligger på bordet. — De boeken zijn nieuw. Ze liggen op tafel.

Voorbeelden in context

Noors Nederlands Opmerking
Jeg er norsk. Ik ben Noors. jeg als spreker
Du snakker engelsk. Jij spreekt Engels. één aangesproken persoon
Bor du i nærheten? Woon je in de buurt? onderwerp na het werkwoord in een vraag
Han tar bussen hver morgen. Hij neemt elke ochtend de bus. mannelijke persoon
Hun bor i Oslo. Zij woont in Oslo. vrouwelijke persoon
Jeg har en sykkel. Den er gammel. Ik heb een fiets. Hij is oud. den verwijst naar en sykkel
Vi ser et fjell. Det er høyt. We zien een berg. Hij is hoog. det verwijst naar et fjell
Det snør i dag. Het sneeuwt vandaag. algemeen onderwerp bij het weer
Vi arbeider her. Wij werken hier. spreker plus anderen
Er dere klare? Zijn jullie klaar? meerdere aangesproken personen
De kommer klokka åtte. Zij komen om acht uur. derde persoon meervoud
Nå spiser vi middag. Nu eten we avondeten. het onderwerp staat na het werkwoord
Mina og Ali lærer norsk fordi de bor i Norge. Mina en Ali leren Noors omdat ze in Noorwegen wonen. de verwijst naar twee personen
Det er en kafé ved stasjonen. Er is een café bij het station. det er introduceert iets nieuws

Veelgemaakte fouten

Het werkwoord op zijn Nederlands vervoegen

  • Onjuist: Du snakke norsk. of Du snakkerst norsk.
  • Juist: Du snakker norsk.
  • Waarom: De tegenwoordige tijd is hier snakker bij alle personen. Voeg geen Nederlandse uitgang toe en haal de Noorse uitgang niet weg.

Dere en de verwisselen

  • Onjuist: De kommer i morgen? als je rechtstreeks aan een groep vraagt of zij morgen komen.
  • Juist: Kommer dere i morgen?
  • Waarom: dere is “jullie”, dus de mensen tot wie je spreekt. de is “zij”, dus de mensen over wie je spreekt.

Den of det kiezen op basis van het Nederlands

  • Onjuist: Boka er ny. Det er interessant.
  • Juist: Boka er ny. Den er interessant.
  • Waarom: bok is een en/ei-woord en krijgt daarom bij terugverwijzing den. Dat het Nederlands “het boek” gebruikt, is niet bepalend.

Een persoonlijk onderwerp weglaten

  • Onjuist: Bor i Bergen. als volledige mededeling met de betekenis “Ik woon in Bergen.”
  • Juist: Jeg bor i Bergen.
  • Waarom: In een gewone Noorse zin moet het onderwerp meestal zichtbaar zijn. De werkwoordsvorm bor laat niet zien of het om ik, jij of zij gaat.

Han of hun gebruiken voor elke zaak met hetzelfde Nederlands woord

  • Onjuist: Huset er stort. Han er gammelt.
  • Juist: Huset er stort. Det er gammelt.
  • Waarom: hus is een et-woord; een zaak die door et hus wordt aangeduid, krijgt det. Han gebruik je in de kern voor een mannelijke persoon.

Een formeel “u” proberen te maken

  • Onjuist of onnatuurlijk in een gewoon gesprek: De, met hoofdletter, tegen iedere onbekende gebruiken.
  • Juist: Kan du hjelpe meg?
  • Waarom: Modern Noors gebruikt doorgaans du. Een vriendelijke vraag klinkt beleefd zonder aparte u-vorm.

Gebruiksnotities

De tabellen geven de gebruikelijke vormen in Bokmål, een van de twee officiële Noorse schrijftalen. Uitspraak en plaatselijke spreekvormen verschillen sterk per dialect. Zo kan jeg heel anders klinken dan de spelling doet vermoeden, en voor “wij” hoor je naast een uitspraak die bij vi aansluit ook regionale vormen. Schrijf als beginner gewoon jeg, vi en de, ook wanneer een spreker in een opname iets anders lijkt te zeggen.

Noors gebruikt onbeklemtoonde voornaamwoorden vaak kort in de uitspraak, maar de spelling blijft gelijk. Probeer daarom niet elk woord uit gesproken Noors letter voor letter af te leiden. De positie in de zin en de context helpen om de, det en andere korte vormen te herkennen.

Het verschil tussen een neutrale en een nadrukkelijke uitspraak werkt ongeveer zoals in het Nederlands. In Jeg bor i Bergen is jeg gewoon het onderwerp. In JEG bor i Bergen, men hun bor i Oslo krijgt het extra nadruk: “ík woon in Bergen, maar zij woont in Oslo.” In geschreven tekst maak je zo'n tegenstelling meestal duidelijk door de context, niet door overal hoofdletters te gebruiken.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later tegenkomen.

Hen als genderneutrale vorm

Naast han en hun wordt hen gebruikt als genderneutraal voornaamwoord voor één persoon. Dat kan wanneer iemands gender niet bekend of niet relevant is, of wanneer iemand hen als persoonlijk voornaamwoord gebruikt. Het woord is in modern Noors ingeburgerd, maar hoort niet bij de traditionele A1-reeks uit de kerntabel. Volg bij een concrete persoon diens eigen voorkeur.

Man en en in algemene uitspraken

Voor algemene uitspraken kan Noors man gebruiken, vergelijkbaar met Nederlands “men” of algemeen “je”: Man lærer av feil (“Je leert van fouten”). Ook en komt in zulke zinnen voor. Dit zijn onbepaalde voornaamwoorden: ze verwijzen niet naar één genoemde persoon. Verwissel algemeen man niet met het zelfstandig naamwoord en mann, dat “een man” betekent.

Onderwerp en voorwerp hebben verschillende vormen

Na een werkwoord of voorzetsel heb je vaak een objectvorm. Het voorwerp is de persoon of zaak die de handeling ondergaat of waarop die gericht is. Daarom zeg je Hun ser meg (“Zij ziet mij”), niet Hun ser jeg. Bij enkele vormen is het verschil meteen zichtbaar: jeg → meg, du → deg, han → ham/han, hun → henne, vi → oss, dere → dere, de → dem. Dit systeem wordt apart behandeld bij de objectvoornaamwoorden.

Det kan vooruitwijzen naar een hele gedachte

In zinnen als Det er viktig at du kommer (“Het is belangrijk dat je komt”) verwijst det niet naar een voorwerp. Het houdt de onderwerpplaats bezet, terwijl de inhoud later volgt in at du kommer. Zulke constructies zijn zeer gewoon. Voorlopig volstaat de praktische regel dat det er vaak overeenkomt met “het is” of, afhankelijk van de zin, “er is/er zijn”.

Voornaamwoorden en woordvolgorde

Het onderwerp staat niet altijd vóór het werkwoord. Als een ander zinsdeel vooropstaat, komt in een gewone hoofdzin meestal eerst het vervoegde werkwoord en daarna het onderwerp: I dag arbeider vi hjemme (“Vandaag werken we thuis”). Het voornaamwoord verandert niet; alleen zijn plaats doet dat. Deze regel leer je uitgebreider bij de Noorse woordvolgorde.

Oefentips

  1. Leer de vormen in drie groepjes. Zeg hardop: jeg–du–han/hun/den/det, daarna vi–dere–de. Maak vervolgens bij elke vorm een korte zin met hetzelfde werkwoord, bijvoorbeeld bor. Zo voel je dat het werkwoord gelijk blijft.
  2. Leer zelfstandige naamwoorden met hun lidwoord. Noteer niet alleen hus, maar et hus; niet alleen bil, maar en bil. Maak er meteen een vervolgzin bij: Huset er nytt. Det er stort. Zo oefen je den/det zonder via het Nederlands te gokken.
  3. Oefen gespreksperspectief. Schrijf drie regels over jezelf met jeg, stel één persoon twee vragen met du, stel dezelfde vragen aan een groep met dere en vertel daarna over die groep met de.

Verwante onderwerpen

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Personlige Pronomen in Noors met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Noors · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen